Omdat we niet van gisteren zijn kochten we behang, want behangen is het nieuwe verven. Mijn halve jeugd heb ik doorgebracht met vrienden en vriendinnen die op zichzelf gingen wonen en voor de verhuizing behang gingen overschilderen. Mijn hartsvriendin betrok een flatje waar de muren waren bekleed met zo’n extreme vorm van rauhfaser dat het leek alsof de vorige bewoner de muren had bekleed met strooisel voor het konijnenhok. Na een week schilderen zag haar flat er nog steeds uit alsof er een schaal havermout was ontploft.

Maar alles wordt beter en zo ook de wereld van het behang. Daar had ik niet op gerekend toen ik de behangzaak binnenstapte. Hoewel ik gewaarschuwd was, want in de etalage hingen blaartrekkende monsters Gucci- en Versace-behang die ik niet kende uit de Rath & Doodeheefver-boeken van mijn jeugd.

We konden niet beslissen wat we moesten doen met de enige rechte muur in ons loft-achtige appartement. Hij was virtueel rood geweest (‘Iedereen heeft een rode muur’), blauw (‘Ik haat blauw’) en Van Gogh-geel, zoals de fabrikant het lyrisch omschreef. De wereld van het verven is ook niet meer wat het geweest is. Groen, blauw en rood heten tegenwoordig ‘Zomerochtend aan de Drentsche Aa’, ‘Mirabelle’ en ‘Avondlucht’. Je kunt wachten op ‘Baby’s volle luier’, ‘Beschimmeld witbrood (mat)’ en ‘Nicotinebruin’.

Consensus werd niet bereikt en hoewel ik nog zei dat de verkennende gesprekken best een paar maanden mochten duren (‘Kijk naar de formatie!’), groeide de weerzin tegen onze besluiteloosheid en toen ik op een dag langs die behangwinkel liep was de teerling geworpen. Eerlijk gezegd zag ik ook nogal op tegen dat verven. Ik huiverde bij de gedachte dat ik als een vlieg tegen de wand geplakt zou staan, vier meter hoog, een roller in de ene hand, de andere rond de sport van de ladder geklemd. Volgens mijn geliefde zou het wel wennen als ik eenmaal op die ladder stond. Waarop ik zei dat doodgaan ook went, maar dat je er niet naar hoeft te streven.

Groen heet tegenwoordig ‘Zomerochtend aan de Drentsche Aa’

We kozen voor behang dat was samengesteld uit samples van zeventiende-eeuwse bloemenschilderijen. De serie Dutch Classics, als ik mij goed herinner. De eigenaar van de zaak wist een behanger, wat een opluchting was. Ik heb een keer eerder in mijn leven behangen en ik lig eerlijk gezegd nog liever een dag in een kuil vol levende palingen dan dat ik dat herhaal.

De behanger zou op maandagochtend om zeven uur komen. Uit pure dankbaarheid vergat ik te vragen waarom op maandag en waarom zo vroeg. Volgens mij delen werklieden een gezamenlijk principe en dat is het streven naar maximaal ongemak voor de opdrachtgever. Daarbij hoort niet alleen een wreed vroege aanvangstijd, maar ook het spuien van kennis waarvan duidelijk is dat de klant die niet heeft. De behanger was geen uitzondering. Of we ook een ladder hadden, vroeg hij toen ik hem in het grauwe ochtendlicht begroette. Nee, natuurlijk had ik geen ladder. En waarom vraag je dat? De timmerman informeert toch ook niet of ik een hamer heb? Allemaal dingen die ik niet zei, want je wil de vakman in kwestie niet a priori tegen je in het harnas jagen. Geen ladder? Geen probleem, hij had er zelf ook een. Ik vroeg niet waarom hij…

Binnen keek hij naar de rollen behang en hij schudde zijn hoofd. Hij had geen lijmbak van zeventig centimeter breed bij zich. Maar we hadden de maten van de muur, de maten van het behang, de hoogte van de muur en onze bloedgroepen doorgegeven… En hier stond hij nu, om zeven uur in de ochtend, en vroeg om ladders die hij zelf bij zich had, was zonder geschikte lijmbak gekomen en zei, terwijl ik dit allemaal dacht, dat de muur trouwens ook te ruw was. ‘Hoezo te ruw?’ zei ik lichtelijk korzelig. ‘Gespoten stuc’, zei hij op een toon alsof ik dat ook wel had kunnen weten. ‘En?’ zei ik. Je ging het zien, door het behang heen. ‘Ik niet’, zei ik. ‘Ik heb een bril.’ Hij kon er niet om lachen. Ik besloot het over een andere boeg te gooien. ‘Wij zitten er niet mee als je het ziet. Bovendien is het een druk patroon.’ Hij schudde zijn hoofd op de meewarige manier waarop vaklieden dat doen als de klant ook iets denkt te weten. ‘Het plakt ook niet goed.’

Ik heb het eerder meegemaakt toen ik een huis liet verbouwen. Dit kon niet en dat kon niet, dit was onrealistisch en uit dat bleek wel dat ik misschien leuke boekjes kon schrijven maar duidelijk geen hol wist van bouwen. Destijds dwong ik respect af toen een elektricien mij een compleet nieuwe installatie probeerde aan te praten nadat hij hoofdschuddend en weeklagend een lichtstrook had gemonteerd in de keukenvloer. ‘Het moet allemaal anders’, zei hij. ‘Vooral wat jij net hebt gedaan’, zei ik. Er stonden nog wat bouwvakkers om ons heen en de sfeer verkilde aanmerkelijk. ‘Weet jij het beter?’ vroeg de elektricien. Ik wees naar de lichtstrook en zei: ‘Hoe gaan we die aan doen?’ De elektricien keek even om zich heen, grauwde iets en begon de boel verwoed open te maken, onder hoongelach van de andere werklieden. Iemand die het niet had gevolgd wilde weten wat er aan de hand was. ‘Roy heeft het lichtknopje vergeten.’ Opnieuw gelach. Ik heb tijdens de rest van de verbouwing van niemand meer last gehad. Nu alleen die behanger nog.