De Groene Live #26: Strijd om de ziel van Amerika. Kijk vanavond om 20.30 naar de live-uitzending. Meer informatie

Ashes to Ashes / Schijn bedriegt

Huis voor talenten

De Toneelschuur in Haarlem sluit een vruchtbaar seizoen af met twee sterke voorstellingen. Op teksten van Thomas Bernhard en Harold Pinter. En met jonge regisseurs op de bok.

Medium schijn bedriegt 02  sanne peper

Toneelschrijver Harold Pinter (1930-2008) is erg goed in wurgen. Ashes to Ashes (1996) opent met de beschrijving van zo’n plotse verwurging. Maar hij kan vanuit een serene rust de toeschouwer ook tergend langzaam koken. Dan doet hij met een dialoog wat Hitchcock in The Birds doet met kraaien op telegraafdraden. Voor je het in de gaten hebt is de dreiging levensgevaarlijk. In de dialoog tussen Rebecca en Devlin in Ashes to Ashes is sprake van een derde persoon, een hij. Hij is reisleider, hij heeft ook iets te maken met ‘een plek’, een ‘fabriek zonder wc’, hij wordt gerespecteerd om ‘zijn (…) zuiverheid’. En dan is daar vanuit het niets dat ene, licht ontvlambare zinnetje: ‘Dan ging hij naar het plaatselijk station en liep over het perron en sleurde alle baby’s uit de armen van hun krijsende moeders.’

Pagina’s zijn er ondertussen volgeschreven over het vermoeden dat de uit joodse voorvaderen in Oost-Pruisen en Odessa geboortige Pinter zich in Ashes to Ashes voor het eerst in zijn schrijversloopbaan expliciet met de holocaust bezighoudt. Regisseur Olivier Diepenhorst, die het stuk enkele weken geleden in première bracht bij Toneelschuurproducties, weet dat, maar hij laat ons niet weten dát hij het weet. Hij houdt de botsing tussen Rebecca (Jessie Wilms) en Devlin (Sander Plukaard) concreet, casual bijna. Om te beginnen zijn ze een stuk jonger dan Pinter voorschrijft (‘in their forties’). Ze zijn ook een stuk joliger en frivoler dan Lineke Rijxman en Pierre Bokma in de continentale première die Pinter in 1996 toestond aan Toneelgroep Amsterdam en regisseur Titus Muizelaar. Hier is het stelletje nog erg jong. Hij is naakt, op een hempje na. Zij zit strak naast hem in een nogal blote party dress. De dreiging van iets onbestemds, een panische angst of woede, ligt bij haar in haar ogen. Bij hem spreekt de paniek vooral uit zijn gestiek. Zijn gebaren zijn wild, zijn uitvallen schreeuwerig. Wat is hier aan de hand? Viel de seks tegen? Of was er helemaal geen seks? Is dit een voorgeborchte à la Sartre’s Huis clos? Diepenhorst en zijn spelers laten de raadsels in Ashes to Ashes in stand. Ze worden gedurende het uur dat de voorstelling duurt zelfs beduidend vergroot. De toon blijft onpretentieus. Concreet. Vreemd. Kristalhelder ook.

Concreet is ook de aanpak van regisseur Paul Knieriem en zijn toneelspelers Kees Hulst en Hein van der Heijden in Schijn bedriegt (1983), het duet voor twee broeders in de kunsten op een tekst van de Nederlandse Oostenrijker Thomas Bernhard (1931-1989). Karl hield op internationale variété-podia ooit 21 (op zijn hoogtepunt 23) borden in de lucht. Robert speelde alle grote toneelrollen, maar nooit de ‘Lear’. Iedere dinsdag en donderdag zien ze elkaar. Onlangs is Mathilde, de vrouw van Karl en de grote liefde van Robert, gestorven. Het vakantiehuisje liet ze na aan de toneelspeler, niet aan de ‘bordenkunstenaar’. Het stuk wordt vaak gespeeld met een neiging tot retorische boventonen. Of juist het omgekeerde, underacting, kamermuziek. In deze voorstelling (ook van Toneelschuurproducties) overheerst de vulgariteit van vereenzaamde ouderdom als pure en onversneden toneelspelerspoëzie. Het concrete mengt zich met het curieuze, al meteen in het begin, door het mooie spel van een pianola. En in het teennagelknippen van Karl in de openingsscène, een merkwaardig kermisnummer.

De rouw is tastbaar. Er wordt geroken aan jurken van Mathilde. In een entr’acte is er een lief dansje met Schots tweed. Aan het enige raam in de karige bovenwoning zie je dat het leven van de bordenkunstenaar is verwaaid, dat van de toneelspeler verregend. Kees Hulst is heerlijk komediantisch in de weer als hij jongleert met Bernhards vervloekingspoëzie: ‘We zijn wrakhout/ en we maken onszelf wijs/ dat we grote geesten zijn.’ Kras voor kras etst hij een beeldenreeks van het Elsschot-huwelijk met Mathilde, aan het abrupte einde waaraan Karl maar niet kan wennen. De relatie met Mathilde wordt geschetst als het wrange mozaïek van een lijdensweg, met hemzelf in een cerebrale, artistieke en spirituele hoofdrol. Karl grossiert in lijstjes vol herhalingen, syntactische jongleernummers waarin Bernhard zo onnavolgbaar goed is. Lessing waarvan Mathilde nog nooit had gehoord. De vervloekte Mozart-sonate op zondag. Wat ze allemaal kookte. De ‘geile salamander’ van een vader uit wiens klauwen hij haar redde.

Gedeeltelijk spreekt Karl over dit alles rechtstreeks tot ons, deels vertelt hij het tegen de kanariepiet Maggie, die af en toe zichtbaar schrikt van de verbale explosies. Gedeeltelijk schreeuwt hij zijn levensargwaan tegen het waaiend raam. Eén keer richt hij zijn donderpreek rechtstreeks tot een stopcontact. In tussenriedels laat hij ons weten dat er een niet onverdienstelijk trompettist aan hem verloren is gegaan. En dat alles gebeurt onnavolgbaar goed, precies en raak. Om in te stikken van de lach. En om te janken zo pijnlijk en verdrietig. Er wordt hier op schamele vierkante meters iets groots verricht. Er schuilt een karakterspeler in de ‘bordenkunstenaar’, een podiumpersoonlijkheid die in het Sprechtheater van broer Robert niet zou misstaan.

Medium ashes to ashes   toneelschuur producties 06 sanne peper
Kun je worden bevangen door spoken uit het verleden van iemand anders?

De Toneelschuur in Haarlem is een arbeidsintensief productiehuis in de bijna klassieke zin van dat woord: het is een huis voor toneel waarin veel wordt geproduceerd, met name door te investeren in jonge toneeltalenten. Dat doen directeur Frans Lommerse en zijn staf al zo’n dertig jaar. Ze waren ook geenszins van plan ermee op te houden toen overheden in het kader van de recente bezuinigingen op de kunsten het budget van Toneelschuurproducties terugbrachten van 9,5 ton naar nul. In het kader van het gescheld op de zogenaamd met subsidies gepamperde podiumkunstenaars werd van de Toneelschuur min of meer verwacht dat Lommerse en zijn mensen zich zouden laten marginaliseren naar de periferie van het toneellandschap. Maar daar had de spullebaas in het geheel geen oren naar.

Frans Lommerse: ‘De opdracht die wij ons hier hebben gesteld is jonge toneelregisseurs, in contact met het wereldrepertoire, inclusief het repertoire dat nog moet worden verzonnen en geschreven, de ruimte te geven om een eigen schriftuur en handtekening in het theater te ontwikkelen. Wij zorgen voor de faciliteiten, zij voor de waardevolle producties. Zo simpel is het. Ik ben weliswaar zwaar aangeslagen geweest door die kunstbezuinigingen en de daarbij gebezigde terminologie, ik was behoorlijk pissed en beledigd ook, maar ik heb geen seconde overwogen om onze opdracht terug te geven. Wij zijn al dertig jaar een spin in het web van de Nederlandse podiumkunsten en dat gaan wij blijven. Makers starten hier hun loopbaan als regisseur, ze gaan hun eigen weg, ze komen weer terug en vertrekken weer. Recente voorbeelden zijn Thibaud Delpeut, Erik Whien, Paul Knieriem, Michiel de Regt. En nu Olivier Diepenhorst.’

Beleidsmakers beweren de laatste tijd: die podiumkunstenaars kunnen wel met wat minder toe. Ze krijgen in Haarlem lik op stuk: je mag het vinden, maar het klopt niet. De ontwikkeling van nieuwe talenten moet niet met de Franse slag, mag ook niet exclusief naar de grote gezelschappen worden doorgeschoven (zoals minister Bussemaker cum suis roepen), want daar spelen andere belangen. In een open brief aan de minister schreven vijftig jonge regisseurs en kleine groepen een paar weken terug: ‘Wij hebben een huis nodig. Zodat we vanuit vrijheid kunnen kiezen welk wiel we opnieuw willen uitvinden en waar we kunnen leunen op bestaande expertise. (…) Als alternatief ontstaan nu talloze kortlopende formats, pitches en initiatieven tot crowdfunding. Hier gelden echter andere criteria, zoals populariteit en sociale wenselijkheid. De valse romantiek van _do-it-yourself-_kunstenaars is momenteel groot, wij vrezen dat dit slechts leidt tot marginalisering van jong talent.’

Harold Pinter confronteert ons in Ashes to Ashes met schijnbaar argeloze figuren die zich verschrikkingen lijken te herinneren die ze niet kunnen hebben meegemaakt. Of toch wel? Kun je worden bevangen door spoken uit het verleden van iemand anders? En trouwens, wat is herinneren precies? Het is in de laatste decennia van zijn schrijverschap een terugkerend thema in het werk van Harold Pinter. Olivier Diepenhorst, die zich in het grensgebied tussen zijn opleiding tot regisseur en de toneelpraktijk intensief op Shakespeare en de Franse classicisten heeft gestort, is mede door de Toneelschuur verleid om zijn talent te confronteren met een andere uithoek van het wereldrepertoire. Nu Pinter, volgend seizoen de Zweed Lars Norén, van wie hij Stilte gaat regisseren. Ondertussen blijft hij ook de Grote Meesters in het vak op de voet volgen. Afgelopen seizoen als regieassistent bij Johan Simons (Dantons dood), volgend seizoen bij Ivo van Hove (Maria Stuart).

Tegen het eind van Schijn bedriegt gaat de Schotse ruitrok over de kooi van kanariepiet Maggie, al spelende weg wordt er gechangeerd. De handeling verplaatst zich naar de woning van Robert, de toneelspeler, een door fysieke malheur lijdende en puffende creatie van Hein van der Heijden. Regie en acteurs tikken in dit tweede deel van het stuk iets naar boven in Thomas Bernhard dat je zelden ziet in uitvoeringen van zijn werk: mensen die intens van elkaar houden. Deze twee mannen zijn eigenlijk veel meer op elkaar gesteld dan ze willen toegeven. Onder het dorre hout van hun gekift zit een diepe liefde, die naar een uitgang zoekt maar er geen vindt. De tragiek van Karl en Robert is de terreur van hun onhandigheid. Vandaar dat verbale weefsel. Karl heeft van de manier waarop Robert de Tasso van Goethe speelde ‘wel gehouden, ja’. Even zuinig is Robert over Karl als zijn enig werkelijke medicijn tegen het kille voorstadium van de dood – de ultieme eenzaamheid. Schijn bedriegt is een weergaloos dubbelportret van door het publiek alleen gelaten podiumartiesten.


Schijn bedriegt, 3 t/m 12 juni Theater Bellevue, Amsterdam. Ashes to Ashes, t/m 7 juni Theater aan het Spui, Den Haag, 12 t/m 14 juni de Toneelschuur, Haarlem.

Beeld: (1) Hein van der Heijden en Kees Hulst in Schijn bedriegt (2) Jessie Wilms en Sander Plukaard in Ashes to Ashes (Sanne Peper).