Popmuziek: Danny Brown

Huiselijk geluk

Behalve de man die zich na een publiekelijke psychose en een liefdesverklaring aan Trump plotseling volledig heeft overgeleverd aan de Heer, ken ik op dit moment geen wonderlijkere rapper dan Danny Brown. Wie alleen al de eerste twee nummers van zijn geweldige vorige album Atrocity Exhibition beluisterde, hoorde twee totaal verschillende rappers vereenzelvigd in dezelfde artiest: de eerste rapte op een hoge, schreeuwerige manier; de tweede had juist een zware, logge, bijna gedrogeerde stem. Twee totaal verschillende stijlen dus, op één album dat thematisch weliswaar coherent was, maar muzikaal alle richtingen op ging: deze hiphop was wilder en gedurfder dan alles wat Brown hiervoor had gemaakt, en eigenlijk ook dan alles wat Browns collega’s zoal uitbrengen. Atrocity klonk als een claustrofobische koortstrip. Volgens de verhalen leefde Brown tijdens de opnamesessies hoofdzakelijk op cocaïne, en kwam hij vaak strompelend en bloedend de studio in. Sommige betrokkenen betwijfelden of hij nog zou leven wanneer het album verscheen. Het was erop of eronder.

Het werd erop. Niet alleen omdat Atrocity Exhibition een geraffineerd en geprezen plaat werd, een hoogtepunt in Browns carrière, maar ook omdat zijn leven daarna al gauw verbeterde. We zijn nu drie jaar verder, de drugs zijn schijnbaar ingeruild voor nuchterheid en huiselijk geluk. En dat is te horen op Browns nieuwe werk, hij klinkt veel gelijkmatiger en minder getergd. Ergens is dat jammer, de overrompelende muzikale wervelwind heeft plaatsgemaakt voor een egaler geluid, die twee verschillende persona’s die in hem zitten wisselen elkaar minder vaak af. Maar tegelijk onderstreept Brown op U Know What I’m Sayin? wel hoe goed hij is. Ook zonder als een bezetene tekeer te gaan.

Wat zo fijn is aan Brown (1981): hij vertrouwt duidelijk op zichzelf zonder dat dat zich vertaalt in eindeloos gepoch of gelikte sociale media-campagnes. Dit nieuwe werk bevat geen radiovriendelijke refreintjes, geen populaire singles, geen controversiële statements, nauwelijks gastartiesten. Hier horen we iemand die gewoon veertig minuten achtereen wil rappen – omdat hij zijn talloze woordspelingen graag deelt, omdat hij verhalen te vertellen heeft over zijn armoedige jeugd, over drugsgebruik, over diepe dalen, maar ook over hoe hij daar uit is gekomen. ‘Cause ain’t no next life, so now I’m tryna live my best life’, rapzingt hij over een opvallend montere begeleiding: vlotte drums, hoge strijkers, een opgeknipt koortje bij wijze van refreintje. Sowieso klinkt deze muziek erg licht en opzwepend, het is te horen dat de roemruchte Q-Tip zich met de producties bemoeide – U Know What I’m Sayin? heeft een zorgvuldig en bij tijd en wijle soulful geluid. ‘Never play by the rules, do just what I want to’, rapt Brown elders.

Een veelzeggend zinnetje, waardoor ik besefte: er zijn voor artiesten verschillende manieren om een eigen plan te trekken. Een beetje in de luwte, zonder hijgerig publiek dat bij elke stap meekijkt – zoals bij Danny Brown. Of zoals bij Kanye West, die zich met alle aandacht geen raad meer weet en recent zijn warrige, religieuze liefdesverklaring getiteld Jesus Is King uitbracht. Voor iedereen die bij dat album afhaakte: probeer Brown.


Danny Brown – U Know What I’m Sayin?