Huiselijke revolutionairen

Het is niet moeilijk om in de Nederlandse cultuur van de late achttiende eeuw tekenen van verval te zien – dat is bijna een cliché. Er werd natuurlijk nog altijd geschilderd, gestuct en gebeeldhouwd, maar het valt dan op dat er veel buitenlanders actief waren – Xaverij, Hodges, Tischbein, Laquy, Schiotling – alsof de Nederlanders zelf de vaardigheid verloren hadden.

Medium kunst

Museum Van Loon geeft een beknopt en zeer verzorgd overzicht van een van de schilders uit die jaren die wél aan de weg timmerden, Adriaan de Lelie (1755-1820). Dat was een Tilburgse autodidact die zich bekwaamde als historie- en portretschilder in Antwerpen en Düsseldorf. In 1783 kwam hij naar Amsterdam, waar hij een goede praktijk kreeg als portrettist van de betere burgerij, en dan vooral het wat progressievere deel daarvan. Hij kreeg handigheid in het kamer- of conversatiestuk, een familie of een groep pratende kunstkenners in een besloten ruimte, meestal de ‘zaal’ van een Amsterdams grachtenhuis. De tentoonstelling in Van Loon beperkt zich tot familieportretten; De Lelie maakte ook grotere groepen, zoals de leden van Felix Meritis of de kunstliefhebbers in de kring van J.A. Brentano.

Met de neus op de schilderijen kun je zien dat De Lelie zeker geen krabbelaar was. Het arrangement van de figuren in zo’n kamer is zeker schematisch – meestal rechts een raam met uitzicht op de gracht, het uitgebreide gezin rond een tafel, de vader bezig met iets zakelijks, de vrouw met huisvlijt, de kinderen aan het spelen, een haardpartij met elegant stucwerk en een paar fijne, dure meubelstukken; aan de muur portretten van dode of niet-aanwezige familieleden. Maar stofuitdrukking beheerste hij goed; in de details van de kleding en de ingewikkelde kapsels met mutsen der dames is zijn penseel heel vlot en heel knap. Het gaat wat minder in de koppen. Dat kan aan die Amsterdammers hebben gelegen, maar hun tronies zijn van de statige, soms bijna opgeblazen soort, en de kinderen lijken soms wel heel erg op elkaar. Het is alles kalm en zoet, maar toch ook wel fris, er zit een zeker aards leven in. Een paar van De Lelie’s collega’s – Tibout Regters, Balthasar Beschey, Leendert Overbeek – zijn een stuk stijver en ontstijgen soms zelfs (Jelgershuis, bijvoorbeeld) nauwelijks de amateurtekening.

De genoeglijke kleinschaligheid is merkwaardig als je bedenkt wat er in die tijd in het buitenland zoal gemaakt werd – Reynolds in Engeland, of David in Frankrijk; dáár werden nieuwe vormen en ambitieuze arrangementen uitgeprobeerd. Toch is het te gemakkelijk om dat cliché van verval en lusteloosheid meteen uit de kast te halen. Veel van deze geportretteerden waren wel degelijk progressievelingen, en in de details tonen ze opvattingen die nieuw waren. Het familieportret van Pieter Walland en zijn vrouw Cornelia Falck en zijn twee peuters toont de vrouw met de blote baby op schoot, en de man losjes zittend op één bil op een empiretafeltje. Het lijkt joviaal-dagelijks, maar het was juist ongewoon: dat een man van aanzien zich toonde spelend met de baby kwam in de hele zeventiende en het grootste deel van de achttiende eeuw niet voor. In die familieportretten wordt de nieuwe geest van de sociabiliteit getoond, ‘een behoefte aan onderling gezelschapsleven, een cultivering van contacten met gelijkgestemden’ en daaruit voortvloeiend, gemeenschapszin: ‘Men leert elkanderen; men berispt zonder haatlijkheid; men ziet elkanders gebreeken, men verbetert zich’ (schreef Herman Asschenberg). Het waren huiselijke revolutionairen.


Adriaan de Lelie: Het achttiende-eeuwse familieportret_. Museum Van Loon, Amsterdam, t/m 19 januari. Gelijknamig monografietje door Josephina de Fouw, W Books_


Beeld: Adriaan de Lelie, De familie van Jan van Loon_, 1786 (Museum van Loon)._