Ger Groot

Huispersoneel

Een oud cliché wil dat parvenu’s altijd slechter omgaan met de hun plotseling toegevallen macht dan oud geld en lang gerijpte adel. Wie niet gewend is aan het uitoefenen van gezag en het ontvangen van dienstbaarheid heeft met het eerste veel meer moeite dan hij met het betonen van het tweede ooit zou hebben gehad. Ook in gezagsverhoudingen heerst nu eenmaal een zekere traagheid, die des te zichtbaarder is naarmate ze persoonlijker wordt.

Problematisch is die langzame gewenning niet wanneer de nieuwe gezagsdrager tijd en bezadigdheid genoeg krijgt om zich in zijn meesterschap te schikken. Ze is dat vooral wanneer de rollen plotseling veranderen – en dat is vrijwel altijd het geval. Van het ene op het andere moment staat de ongeoefende superieur oog in oog met wie hem plots ondergeschikt blijkt. Precies op dat moment beseft hij welke macht hij bezit en welke vormen hij mist voor de uitoefening daarvan. De oplossing van die spanning valt, in de paniek van het moment, vrijwel altijd verkeerd uit.

Helaas kan dat moment tamelijk lang duren. Een ontspannen omgang met personeel of ondergeschikten verwerft men niet direct. Het evenwicht is dan ook heel subtiel. Het personeel is er om het leven te vergemakkelijken en staat klaar voor de vervulling van opdrachten die iemand zelf om uiteenlopende redenen niet kan of wil verrichten. Maar die beschikbaarheid heeft zijn contractuele grens, die het punt markeert waarop de ingehuurde kracht niet langer degene is die wordt bevolen maar simpelweg een andere persoon.

In openbare arbeidsverhoudingen zijn die lijnen inmiddels helder afgebakend en liggen de normen wettelijk vast. Maar in de persoonlijke sfeer wordt alles makkelijk diffuus, al was het maar omdat het werk dat het ingehuurde personeel verricht zich zelfs fysiek in het private mengt. Plots bekommert een wildvreemde zich om de vuile was en vaat, het ongestreken ondergoed en het verwarde bed. Die zorgzaamheid suggereert een intieme overgave die ze echter niet is. Het herstel van de arbeidsverhoudingen resulteert dan in een ongemakkelijke bruuskheid, die de afstand onderstreept met behoud van de zowel plezierige als onwennige ondergeschiktheid.

Het is waarschijnlijk dit ongemak van het gemak dat menige Nederlander ervan weerhoudt voor klusjes binnenshuis het nodige personeel binnen te halen. De gêne voor het prijsgeven van de vuile sokken aan wildvreemde handen vermengt zich met een huiver voor de introductie van formele verhoudingen binnen de informele sfeer. Onoplosbaar is het niet, maar het eist een oefening in omgangsvormen die vreemd blijven omdat er nooit een begin mee wordt gemaakt.

Het pleidooi voor het inhuren van meer diensten en huispersoneel, dat Helen Mees onlangs in haar column in NRC Handelsblad hield, zal in Nederland dan ook weinig weerklank vinden. Vermoedelijk is haar argument dat slechts daarmee de Nederlandse carrièrevrouw daadwerkelijk uitzicht op een volwaardige loopbaan heeft, niet onjuist. Het tegenargument dat daarmee het onaantrekkelijke werk alleen maar wordt afgeschoven op een nieuwe onderklasse is nauwelijks doorslaggevend. Aantrekkelijker worden die klusjes niet. Maar voor degenen die zich ervoor beschikbaar stellen betekenen ze wel degelijk een kans op ontwikkeling en zelfs emancipatie. Voor de veelal illegale immigranten die ze verrichten, pakt elk alternatief nu eenmaal slechter uit.

Het is niet alleen het cynisme van dit op zich weloverwogen voorstel dat in Nederland slecht zal vallen. Het nationale morele bewustzijn heeft ook moeite met private dienstverlening zelf. De gedachte dat ieder zijn eigen huis aan kant moet houden en de ongemakken daarvan niet mag afschuiven, zit er diep in. Het is niet alleen zuinigheid die dit land tot dé doe-het-zelf-natie van Europa en (samen met de VS misschien) van de hele ontwikkelde wereld maakt. Aan de arbeid die een mens aan zichzelf moet verrichten, hangt ook een geur van deugdzaamheid, die omslaat in verachting wanneer men deze uitbesteedt aan anderen. De vervulling van het eigen pensum aan onaangenaam werk, dat ieder van nature (zo niet van Godswege) is toebeschikt, is een dure plicht. Verzaking krijgt gemakkelijk het odium van desertie in oorlogstijd.

Vermoedelijk speelt dat laatste ook een rol bij de ongemakkelijke omgang met het personeel, wanneer het zich eenmaal aandient. Nog lang blijft het de belichaming van de eigen morele tekortkoming die het gemoed bij iedere gereinigde toiletpot weer tegemoet blinkt. Zo wordt de huishoudelijke assistente de incarnatie van een slecht geweten en daarmee ook om die reden gemakkelijk het voorwerp van schril overschreeuwen. Vooral daartegenover komt het burgerlijk gemoed maar langzaam met zichzelf in het reine. Het moeilijkst te veranderen in een cultuur is het gevoel van deugdzaamheid.