Hulp aan minder landen

HET IS NATUURLIJK makkelijk bezuinigen, als je maar aan vijftien in plaats van 33 landen hulp hoeft te geven. Toch zou het iets te cynisch zijn om de plannen van staatssecretaris Ben Knapen (Ontwikkelingssamenwerking) weg te zetten als een eenvoudige bezuinigingsmaatregel.
Knapen stelde afgelopen week voor om de Nederlandse ontwikkelingshulp toe te spitsen. Niet meer uitwaaieren over de hele wereld en overal hulp geven, maar nauwere banden onderhouden met minder landen. En niet meer proberen van alles te verbeteren, maar kiezen voor een paar sectoren waar Nederland goed in is. Focus is het toverwoord.
En dus vallen landen als Burkina Faso, Nicaragua, Congo en Zambia af. En mogen vijftien andere zich gelukkig prijzen voortaan wel direct hulp uit Nederland te krijgen. De criteria voor die keuze zijn volgens Knapen objectief gehanteerd maar op het eerste gezicht valt op de selectie van landen wel iets af te dingen. Als ‘goed bestuur’ een criterium is, waarom doen Afghanistan en Jemen dan mee? En als 'kans op goede resultaten’ meetelt, waarom dan hulp geven aan Soedan en de Palestijnse gebieden? Het antwoord is dat Nederland de hulp graag wil verdelen tussen een paar heel arme landen - zodat we kunnen zeggen dat we iets aan armoedebestrijding doen; een paar fragiele landen - zodat we iets aan veiligheid in de wereld doen; en een paar landen waar het eigenlijk best goed gaat - zodat we zelf ook nog een graantje kunnen meepikken van die economische ontwikkelingen, in Ghana, Kenia en Indonesië.
Die scherpere landenkeuze is begrijpelijk. Zeker omdat het alleen gaat om landen waar Nederland rechtstreeks hulp aan geeft. Maar driekwart van het budget gaat via de Verenigde Naties, Europese Unie, Wereldbank en allerlei ngo’s ook naar andere landen. Het relatief beperkte budget van de rechtstreekse hulp kan beter onder minder landen worden verdeeld, om de effectiviteit te verhogen.
Naast minder landen wil Nederland ook minder sectoren. Dus exit onderwijs, gezondheidszorg, malaria en hiv/aids. Voortaan richt Nederland zich op veiligheid, water, voedsel en SRGR. Wat? SRGR, oftewel seksuele en reproductieve gezondheid en rechten. Prenatale en postnatale zorg, kindersterfte, gezinsplanning, dat soort dingen. Die laatste is een vreemde eend in de bijt. De Wereldgezondheidsorganisatie, de VN en andere richten zich daar al op, Nederland kan er niet het verschil maken en het is niet van speciaal economisch belang. Dus waarom prenatale zorg nu een speerpunt - een van de vier nota bene - van het beleid is, is onduidelijk.
Volgens Knapen moet hulp zich richten op de economie en zelfredzaamheid van landen. Terecht natuurlijk, en zaken als voedselvoorziening en water passen daar ook in. Maar in plaats van moedersterfte had Knapen beter kunnen kiezen voor ontwikkeling van het midden- en kleinbedrijf, informatietechnologie of transport - stevige sectoren waarbij meer 'winst’ te behalen valt.