De talibanisering van Pakistan

Hulp geven, haat prediken

De moordaanslag op Malala Yousafzai, het meisje dat strijdt voor recht op onderwijs, heeft Pakistan geschokt. Voor een menswaardig bestaan heeft de bevolking meer aan de Taliban dan aan de staat. Maar zij betaalt hiervoor een hoge prijs.

Asia Bibi zit al sinds 2010 in een cel te wachten op de voltrekking van haar vonnis. Blasfemie heet de misdaad die ze heeft gepleegd en daarop staat ophanging als straf. Hoe is het zover gekomen?

Asia Bibi is landarbeidster in de Pakistaanse provincie Punjab, ongeletterd, moeder van kleine kinderen en christen. Ze was met een groep vrouwen op het land aan het werk en ging drinkwater halen. Toen ze de kruik liet rondgaan, weigerden een paar metgezellinnen eruit te drinken omdat zij, van lage komaf, onrein heette te zijn. Asia Bibi behoort tot een kaste van hindoes die zich ooit tot het christendom hebben bekeerd. Hun bekering was een poging om te ontsnappen aan het stigma van onaanraakbaarheid, maar heeft geen einde gemaakt aan hun discriminatie. Op het veld kwam het tot een woordenwisseling waarbij Asia te kennen gaf haar profeet boven die van de moslimvrouwen te stellen. Terug in het dorp besliste de landheer dat het een zaak voor de politie was. De aanklacht die tegen de zondares werd ingediend, leidde tot haar arrestatie. Daarop volgde een veroordeling tot de doodstraf, het enig mogelijke vonnis voor zo’n zwaar vergrijp als godslastering. Wat ze precies gezegd heeft is niet vastgelegd, want het op schrift stellen ervan zou een herhaling betekenen van wat niet gezegd en dus ook niet opgeschreven mag worden.

De gouverneur van Punjab, Salman Taseer, getuigde van burgermoed door Asia Bibi in haar cel op te zoeken en te beloven voor vrijspraak te zorgen. Dat gebaar heeft hij met zijn leven moeten bekopen. Begin vorig jaar werd hij door een van zijn eigen lijfwachten doodgeschoten. De moordenaar werd bij zijn aanhouding en voorgeleiding door het toegestroomde publiek als een held begroet en het werd moslim­geestelijken verboden om bij de begrafenis van de gouverneur gebeden voor zijn zielenheil uit te spreken. Een paar maanden later werd ook de minister voor Minderheden, de enige christen in de nationale regering, vermoord en ook deze keer bleef een politieke of publieke veroordeling achterwege.

De staat Pakistan heeft zichzelf uitgeroepen tot een ummah, een gemeenschap van gelovigen die geen andere heilsleer dan de ene ware gedoogt. Dat is niet altijd zo geweest. Als stichter van de natie verkondigde Ali Jinnah bij de onafhankelijkheid in 1947 dat zijn land een tehuis voor de moslims in Zuid-Azië wilde zijn, maar dat het de minderheden – hindoes, christenen, parsi – zou zijn toegestaan hun geloof in vrijheid te belijden. Die belofte stond al op het moment dat zij werd gedaan op gespannen voet met de werkelijkheid. Maar de trend tot islamisering nam een vlucht toen Zia-ul-Haq met een staatsgreep aan de macht kwam en in 1979 een sharia-wetgeving invoerde waarin naast het verbod op blasfemie rechtsregels van kracht werden ter bescherming van vrouwen. Deze regels draaiden in feite uit op vervolging en vaak gruwelijke bestraffing van vrouwen als uitlokkers van voor- of buiten­echtelijke geslachtsgemeenschap.

De militaire zeloot Zia hielp bij de werving en opleiding van de jihadi’s die in het naburige Afghanistan ten strijde trokken tegen de goddeloze sovjetbezetters van het land. De financiering en bewapening van dit leger van vrijwilligers kwam voor rekening van de Amerikaanse en Saoedische bondgenoten, die verheugd hadden gereageerd op het aantreden van generaal Zia. De politieke islam werd nu de staatsleer van Pakistan met een sterk fundamentalistische inslag, afgestemd op de salafistische of wahabitische richting zoals die in Saoedi-­Arabië werd beleden. De islamitische republiek die Pakistan nu was geworden, betekende ook een ontkenning van het religieuze verleden van het gebied. Duizenden jaren is het land het centrum van rivierrijken geweest, waarin hindoeïsme en boeddhisme de opvolgers waren van oude beschavingen. De fundamentalistische islam put zijn kracht uit een ideologie die elk ander gedachtegoed uitsluit. President Zia stuurde zijn geestelijke raadslieden voor bijscholing naar het thuisland van de koran. Zij brachten niet alleen de ware geloofsartikelen mee terug, maar ook veel geld voor het stichten van moskeeën en madrassa’s, scholen voor de nieuwe lichtingen mullahs en maulvi’s, de lagere en hogere godsdienstleraren. Het soennitisch puritanisme toont zich niet alleen vijandig tegen elke andere godsdienst, maar bestrijdt ook afwijkende geloofsrichtingen binnen de islam. Om te beginnen de ahmadiyya’s die er ketters-libertijnse opvattingen op nahouden en vervolgens de grote minderheid van sjiieten. Dat laatste houdt verband met het feit dat het sektarisch fundamentalisme in Pakistan vanuit de Saoedische monarchie wordt gevoed, de monarchie die Iran en de sjia fel bevecht.

Het is in deze context dat de Taliban (Tehrik-e-Taliban Pakistan of ttp) hun boodschap van onverdraagzaamheid uitdragen. Naar de manier waarop zij zich tot een volksbeweging hebben kunnen ontplooien, is mijn aandacht uitgegaan bij mijn laatste bezoek aan Pakistan, een verblijf van een maand in de zuidelijke provincies Punjab en Sindh. De verbreiding van de Taliban is geen gespreksonderwerp. De heersende klasse ontkent zelfs glashard wat iedereen weet en ziet. Tot voor kort werd verondersteld dat de Taliban hun aanhang vonden onder de Pathanen in de bergachtige en dunbevolkte noord-zuidgordel langs de lange en poreuze grens met Afghanistan. De tribale groeperingen in deze streek gaan door voor een verdacht volk dat met harde hand, desnoods met drones, moet worden bekeerd tot erkenning van orde en gezag. Die tuchtiging heeft de opmars van de Taliban niet tot staan gebracht. Integendeel, door deze mensen als vijanden te bejegenen zijn ze tot verklaarde tegenstanders van de staat en z’n buitenlandse bondgenoten gemaakt.

Hetzelfde mechanisme verklaart waarom de Taliban ook in de dichtbevolkte centrale riviervlakte een groeiende populariteit genieten. Sharif, de eerste minister van Punjab, gaf onlangs toe dat in het zuidelijk deel van de provincie het extremistisch fundamentalisme vaste voet aan de grond heeft gekregen. Als oorzaken noemde hij armoede en onwetendheid. Een falend staatsbestel is de overheersende indruk die ik in de afgelopen jaren aan mijn reizen door stad en platteland heb overgehouden. Wat heeft de politieke baas van deze provincie gedaan om in de bestaansnood van het gros van de inwoners te voorzien? Weinig tot niets. Gebrek aan geld is zijn excuus. Het overgrote deel van het nationale budget gaat op aan militaire uitgaven. Van wat overblijft voor onderwijs, gezondheidszorg, volkshuisvesting en sociale bijstand wordt jaarlijks een groot deel besnoeid om nog meer middelen voor de krijgsmacht uit te trekken.

Een halve eeuw hulpverlening van de Amerikaanse bondgenoot heeft niets bijgedragen aan armoedevermindering en maatschappelijke ontwikkeling. De buitenlandse steun is bedoeld voor een militair apparaat, dat geacht wordt niet de belangen van de eigen bevolking maar die van de gulle gever te dienen. Een recente rekensom van de unesco wijst uit dat voor de vijftig miljoen analfabeten in Pakistan jaarlijks twee cent per persoon beschikbaar is voor openbaar onderwijs. Dat maakt begrijpelijk waarom arme ouders hun kinderen naar de madrassa sturen. Behalve dat de school gratis is, krijgen de kinderen voedsel en kleding en bovendien enig onderricht in de beginselen van de koran, voor de ouders een welkome bijdrage aan een opvoeding in deugdzaamheid. Maar als de leer haat in plaats van liefde zaait en intolerantie jegens andersdenkenden als deugd voorstelt, hoe zou dan verdraagzaamheid kunnen rijpen? Eigenlijk alleen als de staat een publieke ruimte inricht die op pluriformiteit stoelt, en daarvan is geen sprake.

De Taliban en hun frontorganisaties bieden een antwoord op de problemen die de overheid laat liggen of zelfs veroorzaakt. Wat voor onderwijs opgaat is voor gezondheidszorg en sociale bijstand niet anders. Wezen die onverzorgd achterblijven of kinderen die om uiteenlopende reden van huis weglopen, kunnen terecht bij fundamentalistische instellingen die zich hun lot aantrekken. Zoals ook miljoenen slachtoffers van de grote overstromingen in 2010 en 2011 terechtkwamen in kampen waarin de eerste nood vaak gelenigd werd door fundamentalistische hulpverleners. Dit is de werkelijke reden waarom de Taliban tot een volksbeweging zijn uitgegroeid. Waarom zouden burgers ­loyaal zijn aan een staat die verzaakt te doen wat zijn onderdanen verlangen: een menswaardig bestaan of ten minste het uitzicht daarop?

Voor de materiële zegeningen die het fundamentalisme brengt, betaalt de bevolking een buitensporig hoge prijs. Bij mijn reis door de provincie Sindh raakte ik eens te meer van die keerzijde doordrongen. Het religieuze leven van alledag staat in het teken van het soefisme, een leer die al eeuwenlang bestaat en de praktijken van de islam vermengt met die van het hindoeïsme en tribale geloofsopvattingen uit een pre-islamitisch tijdperk. Tot in de verre omtrek beroemd is de schrijn van Bhitsjah waar op hoogtijdagen laat in de avond liederen ten gehore worden gebracht voor een publiek van verschillende geloven, dat tot vroeg in de ochtend meewiegt met de zangers en muzikanten.

Steeds vaker zijn zulke plaatsen van bedevaart mikpunt van aanvallen uit de orthodox-soennitische hoek die uitmonden in het opblazen van het heiligdom.

Sindh heeft haar sterk landelijke karakter behouden. De landgoederen van grootgrondbezitters, merendeels sjiieten, zijn bezet met kleine nederzettingen waar de horige boeren wonen. De marktplaatsen in de streek zijn klein en fungeren tevens als centra voor regionaal bestuur dat in dit feodale landschap weinig voorstelt. De enige dynamiek die ik tegenkwam was de opening van een nieuwe madrassa in Hyderabad, de grote stad van Sindh. Het gebouwencomplex voor zevenhonderd studenten is met buitenlands hulpgeld, jawel, uit Saoedi-Arabië, betaald. Bij het propageren van het ware woord worden ook de meer rekkelijken in de eigen soenni-gelederen bestookt. Op een spoorwegovergang aan de rand van de stad stuit ik in de vooravond op een groepje tablighi, lekenprekers die het aanwakkeren van vroomheid tot taak hebben. Meestal is dit een nevenactiviteit van gezeten burgers, maar het kunnen ook, zoals het rondtrekkende gezelschap dat ik tegenkwam, beroepskrachten zijn.

Geloofsijver ontspoort wanneer de bekering onder dwang tot stand komt. Gelukkig is dit geen staande praktijk en ook het overgrote merendeel van de moslims is ertegen gekant. Maar het komt toch zo vaak voor dat het onrust bij de religieuze minderheden wekt. Zo zou ook Asia Bibi hebben blootgestaan aan pressie van dorpsgenoten haar christelijke identiteit te verloochenen. In Sindh heeft de kidnapping van een drietal jonge hindoevrouwen eerder dit jaar voor grote beroering gezorgd. Ze werden ontvoerd om hen tot een huwelijk met een moslimman te bewegen, een verbintenis die zij ‘uit vrije wil’ zouden hebben aanvaard na te zijn overgegaan op de islam. De betrokken families, afkomstig uit de gegoede burgerij, dienden tegen de vrijheidsberoving van hun dochters een aanklacht in. Daarop gelastte de rechtbank de politie om de vrouwen op een onderduikadres onder te brengen om hen tot een eigen keuze over hun toekomst in staat te stellen. Alledrie gaven zij te kennen hun status van getrouwde vrouw te aanvaarden, want een weg terug was voor hen afgesloten. Zij konden immers hun ongetrouwde plaats in de eigen familie niet meer innemen en bovendien zou dit afvalligheid van het aangenomen geloof betekenen, een zonde waarop de doodstraf staat. Tijdens mijn verblijf in Hyderabad ging een kleine groep burgers de straat op om tegen het voorval te betogen. Een groep fundamentalisten, leden van het Sunni-e-Tehrik-verbond, hield een tegendemonstratie en eiste de aanhouding en veroordeling van de seculiere activisten wegens overtreding van het verbod op godslastering. De politie schroomde niet aan die oproep gehoor te geven.

Ik sloot mijn bezoek aan de stad af met een ontmoeting met een middenstander uit de hindoe­minderheid. Het lukte mij niet hem over die ontvoering aan de praat te krijgen. Natuurlijk bezocht hij de tempel op de hindoefeestdagen, dezelfde waar ook zijn voorouders voor hun gebeden en offers plachten te komen. Wat hij in ons gesprek vooral benadrukte was zijn identiteit als burger van Pakistan. Nee, zijn familie was niet uit India afkomstig maar ontelbare generaties hier gevestigd. Terug naar India, hoezo? Hij was nog nooit in dat land geweest en had er ook niets mee. ‘Ik ben van Arischen huize en stam dus af van westerse volken. Met jou voel ik mij verwant en ik heb geen wortels in Azië liggen’, zo nam hij afscheid.

Vrouwvijandigheid is beslist de meest abjecte trek in het obscurantisme dat de Taliban prediken. In de loop der jaren heb ik de groeiende islamisering van de man-vrouw­verhouding kunnen waarnemen. De opsluiting van de vrouw in de veilige geborgenheid van het huis sluit aan bij de tradities van tribaal-­pastorale beschavingen zoals die in heel West- en Zuid-Azië voorkomen. Bij mijn eerste dorps­onderzoek in India een halve eeuw geleden kon ik met vrouwen van hoge kaste alleen in het gezelschap van hun mannen praten en ook dan slechts als ze hun gezicht bedekt hielden. Maar deze regel van purdah is in India hoe langer hoe meer verzacht of zelfs helemaal verdwenen. Daarentegen is in de islamitische wereld, ook buiten Zuid-Azië, aan de afscherming van vrouwen strikt de hand gehouden.

Waarom is ook een jonge generatie bereid zich te kleden naar aanwijzingen die zij niet zelf bedacht heeft? Een reden die ik vaak te horen heb gekregen is het vermijden van overlast. Ongesluierd rondlopen staat gelijk met het opeisen van een vrijheid die als onbetamelijk geldt. Dan vraag je er toch om op straat of in de bus lastig gevallen te worden door mannen die hun handen niet kunnen thuishouden? Maar ongetwijfeld is druk van de familie de belangrijkste drijfveer. Niet de vrouwen zelf maar hun vaders, broers of ooms worden aangesproken om hun dochter, zuster of nichtje in het gareel te houden. Op vrouwen rust een eigendomsrecht van mannen waartegen geen verweer mogelijk is.

De vrouwvijandigheid heeft nog een andere dimensie die al even verontrustend is. Vrouwen heten namelijk kwetsbaar te zijn voor overspel. Zelfs wanneer zij slachtoffer zijn van overweldiging is dit een gevolg van hun eigen laakbare gedrag. Eerwraak is de straf die erop volgt, voltrokken door leden van de eigen familie. Het betekent de dood op meer of minder barbaarse wijze. Komt karo-kari, zoals het gebruik bekend staat, vaker voor dan vroeger? Jazeker, zo vertelde een bejaarde man mij in het stoffige stadje Badin waar de tijd lijkt te hebben stil­gestaan. Maar waarom dan? vroeg ik. Omdat de schaamteloosheid tegenwoordig groter is dan ooit tevoren. Komt er dan geen einde aan? was mijn vervolgvraag. Hij stelde me gerust, want als iedereen schaamteloos is geworden zal eerwraak haar bestaansrecht verliezen. Dat duurt niet lang meer, zo was zijn inschatting.

Is de leer van de Taliban bestand tegen de drang tot emancipatie? Als ik optimistisch ben niet, want wanneer de fundamentalistische richting onder de lagere maatschappelijke klassen ingang vindt, dan is dat slechts omdat deze massa niet langer haar hoop richt op een staatsbestel dat de armen uitsluit. Maar mijn vrees is dat de insluiting in een van haat en intolerantie vervuld geloof weinig uitzicht biedt op een beter bestaan. Nog maar kort geleden werd een christenmeisje uit een lage hindoekaste gearresteerd, nadat ze door de imam van de moskee in haar buurt ervan beschuldigd was de koran te hebben verbrand. Dat het kind verstandelijk gehandicapt is, mag haar in het land van het ware geloof niet van strafvoltrekking vrijwaren. De zaak kwam anders te liggen toen de muezzin van de moskee (de man die tot het gebed oproept) zich bij de politie meldde met het verhaal dat de imam de bij het meisje aangetroffen bladzijden uit het heilige boek zelf had verbrand. Door haar ervan te betichten wilde hij de kleine minderheid van christenen in de buurt tot vertrek dwingen. Hoewel de waarheid nu aan het licht is gekomen blijft de beschuldiging tegen het meisje gehandhaafd.

Wreder nog is de moordaanslag vorige week op Malala Yousafzai, het meisje dat als elfjarige zo dapper was om het recht op onderwijs op te eisen toen de Taliban onder aanvoering van mullah Fazlullah tussen 2007 en 2009 in de Swatvallei de dienst uitmaakten en opdracht gaven tot vernieling van 121 scholen. In het hele land heeft de terreurorganisatie de afgelopen vijf jaar tweeduizend scholen opgeblazen. Mede als gevolg hiervan krijgen 25 miljoen kinderen geen onderwijs.

Hoopgevend is dat door het hele land geschokt en verontwaardigd is gereageerd op wat Malala is aangedaan. Malala is een meisje dat haar geloof op een andere wijze praktiseert – met verdraagzaamheid en respect voor andere opvattingen – dan waartoe de Taliban haar willen dwingen. Daarin verschilt zij niet van het gros van haar geloofsgenoten in Pakistan en daarbuiten.

Maar te menen dat de volkswil zich nu tegen de Taliban heeft gekeerd, zoals Amerikaanse woordvoerders zeggen, is wensdenken. Een opkomend politieke voorman als Imran Khan die de terreurdaad heeft veroordeeld, weigert toch zich tegen de Taliban uit te spreken. Prominente schriftgeleerden geven wel blijk van hun misnoegen, maar waarschuwen dat het geweld een uitvloeisel is van een staatsbestel dat niet de belangen van land en volk vooropstelt, maar gedwee aan de Amerikaanse leiband blijft lopen en het gebruik van drones langs de grensgordel gedoogt waarvan vele onschuldige burgers het slachtoffer zijn.

Van het grootste gewicht ten slotte is of het leger zal volharden in begrip voor en aanvaarding van een fanatieke godsdienstige stroming. Na de aanstaande westerse aftocht in Afghanistan zullen de Pakistaanse Taliban samenwerken met het herstelde Talibanbewind in het buurland. Er is helaas alle reden om de nabije toekomst in Pakistan en de hele regio met zorg tegemoet te zien.