Hulptroepen naar groningen

Schrijven over de schrijver die niet tot schrijven komt; het is een beproefd genre, waar je misschien van moet houden. Nanne Tepper, de Groninger die drie jaar geleden zo verrassend debuteerde met De eeuwige jachtvelden, heeft een variant op dit genre bedacht. Zijn tweede roman, De vaders van de gedachte, gaat over een conferencier die geen conference kan bedenken. Het belet hem niet om op tournee te gaan, samen met zijn dertienjarige dochter, en hij treedt nog op ook. Geloof ik.

Hoeveel duisternis kan een boek verdragen? Het is de vraag naar het geduld van de lezer. Omdat het vorige boek van Nanne Tepper zo mooi was, heeft hij een groot krediet. Ik heb zelfs De eeuwige jachtvelden herlezen, omdat ik me afvroeg of ik bij eerste lezing misschien verblind was door het gewaagde onderwerp van dat boek, de incestueuze broer-zusrelatie. Maar weer werd ik getroffen door de geheel eigen stijl en raakte ik in de ban van die angstwekkende band tussen broer en zus. Tepper weet opwindend te schrijven over een gedoemde liefde die in feite niets moois heeft, alleen maar fataal is. En pervers. De lichamelijke toenaderingen tussen Lisa en Victor zijn prachtig beschreven, met de juiste mengeling van precisie en verbeelding. De iets minder geslaagde kanten van het boek, zoals de wijdlopigheid van de compositie en de gewilde filosofie hier en daar, vallen weg tegen dat heel bijzondere van het nooit eerder beschreven gezinsleven op het Groningse platteland. Waar mensen blijkbaar roken vanaf hun zesde en wakker worden door grote glazen aangelengde Jack Daniels leeg te drinken. En waar je uitgespuugd of doorgeslikt wordt. ‘Het is heel simpel’, redeneert een van de personages in De eeuwige jachtvelden: 'Er zijn er die willen leven, ze worden door de toekomst opgevreten, en er zijn er die zich uit de bek proberen los te rukken. Die het kauwen voelen.’ Dit is een typische Tepper-wijsheid, boertig geformuleerd en een tikje onbegrijpelijk, maar met een belofte van waarheid.
Vervelend genoeg hebben de onbegrijpelijke wijsheden het voor het zeggen gekregen in De vaders van de gedachte. Er is geen verhaal meer om ze je door de strot te douwen, er zijn geen personages die je al dat raaskallen wilt vergeven. Je zou bijna denken dat hier een schrijver heeft zitten zwoegen om zo'n honderd bladzijden in druk bij elkaar te krijgen, af en toe zijn toevlucht nemend tot het integraal overschrijven van een songtekst, of het uitsmeren van een dialoog met veel 'mm’, 'o ja?’ en 'o jawel!’ Hoe is het mogelijk? Wat is er in hem gevaren?
Nanne Tepper is een mysterieuze schrijver die zijn personalia (Hoogezand, 1962) meeheeft. Hij komt uit een andere wereld, waar de mensen elkaar begroeten met 'moi’ en waar vreugdeloos wordt ingenomen. Vergeleken bij hem verbleken schrijvers als Giphart en Grunberg tot guitige schooljongens. Goed, je hoeft niet met iedereen te kunnen lachen. Een van de problemen van zijn nieuwe boek is echter dat hij daar wel op uit lijkt te zijn. 'Gekleed in boxershort en bokkenpruik stampte ik de trap af.’ Het conferencier-personage belijdt met de mond afkeer van ironie ('Ironie zou weleens, zo denk ik nu, het slapste handje van het individualisme kunnen zijn.’), maar bakt in wezen de ene na de andere flauwe witz. Drank en drugs houden hem op de been. Hetzelfde geldt voor zijn dertienjarige dochter, die aan een spierziekte lijdt en daarom dagelijks een portie verdovende middelen nodig heeft. In afwisselende hoofdstukken krijgen we haar blik op de zaak te verstouwen. 'Altijd nog een maf gezicht: je vader die een joint voor je draait. Ik blow en hij gaat ijsberen met zo'n blik in de ogen van: gooi een balletje op en ik mep!, en het is toch maar goed dat je niet in mekaars kop kunt kijken, vind ik. Oei, heavy dope! Even kokhalzen.’ Tepper lezend heb je zelf weinig meer nodig, want aan hallucinerende effecten van dit 'heavy’ proza geen gebrek.
De geduldige lezer zoekt voorlopig echter naar diepere bedoelingen. Bij monde van de vastgelopen conferencier haalt Tepper een paar keer uit naar de romankunst as such. Alleen poëzie biedt misschien nog een uitweg, want gedichten hebben niet de pretentie te kloppen. 'Oeverloze zoethoudertjes’ zijn het, romans. Aha, hier wordt aan een doodverklaring gewerkt. Verwarrende bijkomstigheid is dat De vaders van de gedachte een poging tot romankunst is. Zelfs haalt Tepper de perspectiefwisseling uit de mottenballen en probeert hij zoiets als 'personages’ hun eigen taal in de mond te leggen. Vader en dochter zwatelen echter door in eenzelfde monotonie; de dochter zegt iets vaker 'kut’ en de vader 'jeuk’. Van iedere bladzijde spat de afkeer af van het vertellen van een geschiedenis. De conferencier kent de wetten van het amusement: 'Men wil geen jeuk van verveling, geen blik op het horloge, geen hongerklop of koffiegaap.’ Hij weigert echter, en met hem vast ook de schrijver, zich nog langer te onderwerpen aan het platte gegeven dat het publiek uit is op een kop en een staart. Wat nu, kleine man? 'Uit het raam springen? God weet hoe vaak ik dit de laatste maanden overwogen heb, maar dan greep het uitzicht mij weer aan. Nee, ik lieg: dan greep het vooruitzicht mij weer aan.’
Misschien dat ik hier een boertige wijsheid kan poneren: je hóeft geen boek te schrijven.
De saus van geborneerde diepzinnigheid waarin dit werk verdrinkt, was nog te verteren geweest als het dan tenminste niet zo lelijk geschreven was. Duisternis hoeft uiteindelijk niet het probleem te zijn, getuige ook Teppers eersteling, overspannen beeldspraak wél. 'Tegenwoordig zie ik mijn kind kokhalzend naar mijn herinneringen kijken.’ Pathetisch: 'Ik keek uit over het land, bezocht aan de koele hand van het geheugen plekken uit mijn jeugd en herschiep de wereld met de macht van de mens die weet hoe de tijd stil te zetten.’ Hoogtepunt in de serie eeuwige waarheden: 'Een gelukkige jeugd bestaat niet.’
Eén ding maakt De vaders van de gedachte duidelijk: de schrijver is de weg kwijt. 'Hoe had ik ooit kunnen denken dat verbeelding de redding van de mens is, als juist die verbeelding je wijst op de terreur van je speculaties?’
Hulptroepen richting Groningen, zou ik zeggen.