Hulpverlening Incorporated

Mooie beloften op komst, tijdens de VN-conferentie over Haïti deze week. Maar er is nog niets opgebouwd. Gelukkig is Bill Clinton er.

Port-au-prince - Twee maanden internationale hulpverlening heeft van Port-au-Prince bezet gebied gemaakt. Zware helikopters met schutters in de open deur ronken over de stad - Apocalypse Now. Oorlogsschepen voor anker in de baai. Een Amerikaanse troepenmacht van elfduizend manschappen, plus een VN-leger van meer dan tienduizend, zijn ingezet ter beveiliging van de hulpverleningsactiviteiten. A ba okipasyon! - weg met de bezetting - staat overal op de muren gekalkt.
Op ieder stukje open grond, zelfs op de stoepen, zijn tentenkampen verrezen, van ver aangekondigd door de stank. Er zijn vrijwel geen wc’s. Duizenden bewoners staan zes, zeven uur gelaten in de rij te wachten op de uitdeling van voedselpakketten bij de schaarse distributiepunten. Een enkele bulldozer doet eenzaam zijn werk en hier en daar zijn groepjes mannen bezig met de hand puin te ruimen. In dit tempo is Port-au-Prince als stad voorgoed verloren. Dat moet ook de vele buitenlandse regeringsleiders die op bezoek kwamen duidelijk zijn.
Maar de markten liggen vol en de openlucht-eettentjes doen goede zaken. Bontgekleurde taptapbusjes toeteren zich door de verkeersopstoppingen, veroorzaakt door colonnes VN-vrachtwagens en de suv’s van de hulpverleningsorganisaties. Op een druk kruispunt staat een Haïtiaanse vrijwilliger in een namaakuniform het verkeer te regelen. De Haïtiaanse chauffeurs geven in het voorbijgaan een fooi.
Op een voetbalveld in de buurt van Delmas 33 leven twaalfhonderd daklozen in een ratjetoe van eigen bouwsels en gedoneerde tenten. Een groepje mannen speelt domino. Vrouwen koken op houtskoolvuurtjes voor de tent. Een glimp in een van de tenten laat zien dat er nog geen voetbreedte ruimte is tussen de vele matrassen. Het is rustig op deze namiddag in het kamp. Wie nog een huis heeft gaat er overdag wat opruimen. Maar ’s nachts keert iedereen terug, want het is veiliger om in een tent te slapen. Iedereen weet: Gods straf is nog lang niet over.
Het buurtcomité heeft de zaken zo goed mogelijk georganiseerd. De tenten van hulporganisaties zijn toegewezen aan ouderen en gehandicapten. ’s Nachts wordt er gepatrouilleerd en wie niet uit de buurt komt krijgt geen toegang. Er zijn waterfilters voor drinkwater opgetrommeld en een groep vrijwilligers van de Universiteit van Florida heeft twee toiletten verbonden aan een composttank. In het buurtcomité zitten jongeren uit de lokale voetbalclub. Ze zien erop toe dat burenhulp en zorgen-voor-elkaar de norm is.
Velen doden de tijd met koopjesjagen en wachten op voedseluitdelingen. Er is geen werk. De VN hebben een budget van 35 miljoen dollar voor een cash-for-work-programma en hebben 45 miljoen extra aangevraagd bij de internationale gemeenschap. De werkers verdienen 4,5 dollar per dag voor zes uur puinruimen gedurende een periode van 24 dagen. De grootste microkredietbank in Haïti - Fonkoze, door Amerikanen opgezet - zorgt voor de uitbetalingen. Dick Dijk, een voormalige Rabobank-manager uit Leeuwarden, diende zich onmiddellijk na de aardbeving aan bij Fonkoze. Dick en andere vrijwilligers werken dag en nacht om de enveloppen met het loon klaar te maken en te administreren. Als blijkt dat de VN slechts de helft van de betalingen hebben overgeboekt vraagt hij zich bezorgd af hoe de werkers zullen reageren. ‘De mensen wachten op hun geld. Krijgen we een opstand?’ Op het laatste moment komt het geld door. De VN-afdeling (undp) had overwogen de uitbetalingen zelf te gaan doen, maar heeft ingezien dat het te veel werk is.
De VN zeggen zeventigduizend bewoners aan het werk te hebben gezet in Port-au-Prince en omliggende gebieden. Maar als je het uitrekent, dan is het totaal van wat is betaald aan daglonen plus de lopende verplichtingen slechts een vijfde van wat ze in kas hebben. Waar wachten ze op? De bottleneck - wordt gezegd - is om de werkers van handschoenen en schoppen te voorzien.
Noch de VN, noch de meeste grote hulpverleningsorganisaties geven inzicht in hun overhead. De ondoorzichtigheid van de grote geldstromen in de hulpverlening is voer voor journalisten - of zou het moeten zijn. Maar ook de bevolking raakt in toenemende mate wantrouwig. 'ONG Volè’, ngo’s zijn dieven, staat er op de muren geschreven en je merkt dat er wrokkigheid broeit in de stad. Ter verdediging: de omvang van de ramp maakt het voor iedere organisatie moeilijk om zichtbare resultaten te boeken. En menige Haïtiaan, met of zonder Obama-T-shirt, verwacht dat het buitenland in een handomdraai de problemen van zijn verwoeste stad kan oplossen - als het maar wil. Maar wat de bevolking te zien krijgt zijn vooral de honderden gloednieuwe, dure auto’s met Haïtiaanse chauffeurs en strak voor zich uit kijkende buitenlanders op de achterbank. Ze passeren snel de stinkende kampen waar het leven afzichtelijk is. Zelden of nooit zal een buitenlander eens komen vragen hoe het gaat. En alom hoor je de klacht dat ngo’s de Haïtiaanse organisaties zoals kerken en buurtcomités vermijden. De angst voor een razende volksmeute kan zo een self-fulfilling prophecy worden.
Ik rijd met een groep Spaanse dokters naar Petit-Goâve, een stadje vijftig kilometer ten zuidwesten van de hoofdstad en het epicentrum van de aardbeving. Het is een groep specialisten die twee weken vakantie hebben opgenomen om hier de mouwen op te stropen. Ik hoop er één of twee te kunnen meetroggelen naar een van mijn projecten waar medische hulp nog schaars is.
Op het terrein van het beschadigde ziekenhuis in Petit-Goâve staan verscheidene tenten ter grootte van een treinwagon. Hier werken onder meer het Canadese Rode Kruis en ged (German Emergency Doctors). Voor de ingang van iedere tent zit een lange rij wachtenden op bankjes. De Spaanse dokters worden verwelkomd door Dennis Filips, een Canadese chirurg die hier al een maand werkt en net een nacht heeft doorgehaald in een poging een politiekogel te verwijderen. De patiënt is overleden. Dr. Filips draagt een klein meisje op zijn arm. 'Twee jaar oud, maar de ontwikkeling van een kind van één. Ernstig ondervoed. Ze heeft geen naam, geen ouders.’ De Canadees gaat ons voor in de tent waar zijn patiënten liggen. Iedere ziektegeschiedenis is anders, maar het overgrote deel heeft niet direct te maken met de ramp. Het is eerder 'achterstallig onderhoud’.
Enrique Hidalgo Rivas, de Spaanse traumachirurg, neemt de wacht over van Filips. Een man met een gezwollen been wordt de operatiekamer binnengerold. Ik vraag hem waarom hij twee maanden heeft gewacht om naar het ziekenhuis te komen. Klappertandend maakt hij een maaiend gebaar met zijn arm. Hij heeft gehoord dat de buitenlandse dokters aan de lopende band amputeren. De man is in tranen en smeekt gespaard te blijven. Hij heeft een gezin te onderhouden. De chirurg draineert de infectie en de man prevelt mèsi, mèsi. Maar de volgende patiënt, reeds drie keer geamputeerd, moet wél onder het mes en verliest weer een stukje van zijn been. 'Geamputeerd zonder nazorg’, gromt Enrique door zijn masker. 'In een Spaans ziekenhuis was dit niet nodig geweest.’
In een vergadering van de ngo’s met de Haïtiaanse ziekenhuisdirectie komt een moeilijk onderwerp op tafel. De klacht van de ngo’s is dat Haïtiaanse werknemers niet komen opdagen. Dr. Paul Lesly, de geneesheer-directeur, licht toe dat het ministerie van Gezondheid vaak maanden achterloopt met de betalingen. En omdat het ziekenhuis geen inkomen meer heeft sinds de ngo’s de medische zorg en de medicijnen gratis verstrekken, is er geen geld in huis. Een patstelling. De Rode Kruis-vertegenwoordiger stelt voor dat de ngo’s de salarissen met terugwerkende kracht betalen. Maar slechts voor vijftig procent. 'Want anders gaat iedereen denken dat ze bij ons op de loonlijst staan.’
Na afloop hoor ik van Amerikanen dat de staf van het ziekenhuis voorheen goed verdiende met het onder de tafel verkopen van medicijnen. Dat is nu over. Vele Haïtiaanse werknemers zijn ergens bij een ngo gaan werken waar ze in een dag meer verdienen dan in een maand bij het ziekenhuis. Dr. Lesly komt naar buiten en ik vraag hem of het ministerie van Gezondheid gelden achterhoudt. Of hebben ze het gewoon niet? De geneesheer-directeur haalt zijn schouders op: 'Ik werk hier twintig jaar en soms word ik een jaarlang niet betaald.’ Hij vertrekt in zijn Toyota 4-Runner. Ook dr. Lesly schijnt zelden in het ziekenhuis aanwezig te zijn.
’s Avonds ga ik nog even in de tent kijken naar het naamloze meisje. Ze zit moederziel alleen op bed en staart voor zich uit. Ze weigert te eten. Ik til haar op en ze klemt zich vast als een aapje. Als ik haar wil neerzetten, begint ze geluidloos te huilen. Er is geen verpleegster te bekennen in de ziekenzaal. De patiënten en hun familieleden liggen te slapen.
Ik ben op weg naar Verrettes in de Artibonite-vallei - aan de andere kant van de hoofdstad. De bus passeert toeterend een stel Amerikaanse studenten die zwetend puinruimen. Een kring van omstanders staat lachend toe te kijken. Niemand helpt de jongens. De ramp lijkt het verschil in verwachtingen van buitenlanders en Haïtianen over en weer te hebben aangescherpt. De buitenlandse goeddoeners denken wellicht: ik sloof me hier voor jullie uit en jullie zijn te beroerd om een poot uit te steken. En dit is jullie land! De omstanders lijken te denken: van wat jullie vliegtickets kosten, kunnen wij een jaar leven. Of: als jullie zo rijk zijn, waarom geef je mij dan niet wat?
In Verrettes werkt de stichting waar ik bij betrokken ben met een vrouwengroep. Sinds 2007 ben ik er tientallen keren op bezoek geweest; ik ken hun gezinnen, en maakte geboortes en begrafenissen mee. Van de vrouwengroep van 69 zijn 35 leden actief; ze maken handgevilte hoezen voor iPhones en MacBooks (de 'McSock’) en Creoolse poppen. De verkoop begint op gang te komen nu de kwaliteit van de producten beter is. En de dames zijn afgelopen zomer een zelfstandige, legale coöperatie geworden. Kortom, er is veel om trots op te zijn.
Maar de dames kijken nors voor zich uit, tijdens deze vergadering. Sinds de aardbeving hebben ze niet meer gewerkt - te druk met familie die overkwam uit de hoofdstad. We hebben een spoedopdracht van een bevriende organisatie voor duizend poppen, om uit te delen in Haïtiaanse ziekenhuizen. De klant wil 8,5 Amerikaanse dollars (6,25 euro) per stuk betalen - geen slechte prijs - maar de dames eisen 27 dollar. Ik laat een aardig beertje zien dat ik op het vliegveld heb gekocht voor zes dollar. Iedereen wil de beer hebben, maar het verandert hun standpunt niet. 'Jullie buitenlanders willen ons toch helpen? Waarom betalen jullie ons dan niet die 27.000 dollar?’ Bij het afscheid omhelzen we elkaar hartelijk. Ik moet het vooral niet persoonlijk nemen en ze zullen er nog eens over nadenken. Maar hoofdschuddend, zoniet vertwijfeld, verlaat ik Verrettes.
Terug in Port-au-Prince ontmoet ik Ajay Badhwar, bestuurslid van Pure Water for the World, een Amerikaanse organisatie die reeds voor de aardbeving waterfiltreersystemen opzette in scholen. Badhwar is een manager bij Dow Chemical - een multinational en sponsor van deze ngo - en is met een delegatie Amerikanen een kijkje komen nemen. Hoe komen ze aan opdrachten en financiering? Drinkwater is wellicht de vorm van hulpverlening waar zich de hardste concurrentie voordoet. Pure Water onderscheidt zich van andere ngo’s door met lokale organisaties samen te werken. Het merendeel van de staf van vijftig man hier ter plekke is van Haïtiaanse afkomst. Kleinere ngo’s zoals Pure Water krijgen hun opdrachten van de grote ngo’s die overheidsgelden ontvangen. Dat werkt uitstekend, vindt Badhwar, want de grote ngo, de opdrachtgever, houdt controle op hun werk, al geeft hij toe dat ook zij meer aan financiële rapportering zouden kunnen doen. Hij zegt het niet met zoveel woorden maar hier spreekt het Amerikaanse geloof in het vrijemarktmechanisme. De gedachte om de hulpverlening via de Haïtiaanse overheid te moeten coördineren is Badhwar een gruwel. 'Daar komt niets van terecht. Ze proberen nu al belasting te heffen op binnenkomende hulpgoederen - en het blijft allemaal aan de strijkstok hangen.’
Hetzelfde geluid valt te horen op een recente VN-conferentie - een van de vele deze maand - die voorbereiden op de grote internationale Haïti-conferentie in New York, op 31 maart. Zowel de ngo’s als de diaspora-organisaties vinden doorgaans dat Haïti’s wederopbouw aan hen moet worden overgelaten. Maar wie bewaakt de bewakers? Al vóór de aardbeving opereerden er in Haïti meer ngo’s dan in enig ander ontwikkelingsland - naar schatting tienduizend - zonder enige vorm van overheidstoezicht. Is de inbreng van de ngo’s niet een publieke aangelegenheid waarbij een democratisch gekozen regering het laatste woord zou moeten hebben?
Ook de officiële hulpverlening vormt een gesloten circuit en omzeilt van oudsher de Haïtiaanse regering en overheden. Volgens het februari-overzicht van usaid, het Amerikaanse equivalent van het ministerie van Ontwikkelingssamenwerking, ging van de 688 miljoen dollar die werd uitgekeerd na de aardbeving 285 miljoen naar het Amerikaanse departement van Defensie - vestzak, broekzak. En 403 miljoen werd verdeeld onder nog geen dertig Amerikaanse ngo’s en VN-afdelingen. Hoe die hun fondsen besteden en naar welke bedrijven en andere ngo’s het geld wordt doorgespeeld is niet te achterhalen. En alweer, geen cent voor de Haïtiaanse regering.
President Obama heeft het Congres om 2,8 miljard extra verzocht. Maar hiervan gaat het leeuwendeel naar Amerikaanse overheidsdepartementen en usaid, die zeventig procent van de hulpgelden aan Amerikaanse bedrijven uitbesteden - bedrijven die weinig bijdragen aan beroepstrainingen, met een grote boog om bestaande instituties in Haïti heen lopen en als ze klaar zijn vertrekken zonder enige duurzame ontwikkeling te hebben achtergelaten.
De ondoorzichtigheid en ineffectiviteit van de hulpverlening werpt een schaduw over Amerika’s generositeit. Net als het gerucht dat Amerika alleen maar zou helpen omdat er een oliereservoir voor de kust zou zijn gevonden. De werkelijke motivatie is dat de VS zich geen permanente humanitaire crisis in hun achtertuin kunnen permitteren. Dat weegt zwaarder dan een gering commercieel of strategisch-militair belang. Ondanks Amerika’s intensieve bemoeienissen in de afgelopen honderd jaar is Haïti een failed state en veroorzaakte haar onderontwikkeling een van de grootste rampen in de wereldgeschiedenis. Een vijfde van de bevolking is al naar Amerika en Canada gevlucht. Haïti is te dichtbij om genegeerd te worden.

De retoriek op tal van internationale conferenties die deze maand worden gehouden over de toekomst van Haïti kan niet verhullen dat de situatie in Port-au-Prince van kwaad tot erger gaat. Er is nog steeds gebrek aan tenten en basisvoorzieningen. Er is in de stad nog niets opgeruimd. Er wordt nog niets gebouwd. Tienduizenden mensen leven in kampen die in het komende regenseizoen dreigen weg te spoelen. Mensenrechtenorganisaties melden verkrachtingen in de kampen.
Het enige goede nieuws komt van een eigenaardig duo dat grote invloed kan hebben op de ontwikkelingen in Haïti: oud-president Bill Clinton, al voor de aardschok tot speciale VN-afgezant benoemd, en zijn adjudant Paul Farmer - een legendarische Amerikaanse arts die in Haïti een keten van ambulante klinieken opbouwde. Farmer schrijft ernstige linkse stukken over het historische kwaad dat Amerika Haïti berokkende. Clinton heeft veel van zijn afgezantschap besteed aan lunches met zakenlui die mogelijk gaan investeren in Haïti. Maar de twee, van huis uit ideologische tegenstanders, hebben elkaar gevonden. En Clinton, die getipt wordt als de komende ontwikkelings-tsaar van Haïti, lijkt te luisteren naar Farmers boodschap: een ontwikkelingsmodel dat weet te integreren in de samenleving, scholing en banen oplevert en zichzelf probeert overbodig te maken.
Op 25 maart praten Clinton en Farmer op een bijeenkomst in New York met een aantal topmanagers van Amerikaanse ngo’s. Dit zijn grote, professionele organisaties. Hoe groot? Een van de deelnemers met achthonderd man personeel in Haïti en een budget van vijftig miljoen dollar per jaar noemt zichzelf een van de kleinere jongens. Farmer wijst de ngo-bonzen op wat ze zouden moeten doen: samenwerken met lokale groepen, registreren bij de overheid, verslag doen van hun fondsen en hoe ze het besteden. Niemand is het hier openlijk mee oneens. Maar na lang aandringen van Farmer neemt een dame van Plan International het woord: 'De buitenlandse hulpmachine is sinds de jaren tachtig in de ban van een zakenmodel. We hebben ons laten kidnappen door een stelletje dure adviseurs. Wanneer gaan we ons bezighouden met echt ontwikkelingswerk aan de basis van de Haïtiaanse samenleving?’
Bill Clinton, de eeuwige verkoper, wijst op de 'fantastische regering die Haïti heeft’. En hij dringt er bij de ngo-bazen op aan tien procent van hun budget aan de arme regering te geven. Het doet vermoeden dat Clinton al weet dat de internationale donors de Haïtiaanse regering niet aan het roer van de wederopbouw willen.
En dat is slecht nieuws. De graffiti op de muren in Port-au-Prince belooft weinig goeds voor president Préval en zijn kabinet. Er komt een eind aan het enorme geduld van de bevolking. 1,2 miljoen daklozen volgens de VN. En het regenseizoen nadert snel.

Ton Vriens werkt in Haïti namens de Nederlandse stichting Turtle Tree

Lees ook ’Laat de yankees deze keer maar blijven’ van Ton Vriens uit De Groene Amsterdammer van 10-02-2010


De feiten op een rij

Een internationale slotconferentie op 31 maart bij de Verenigde Naties in New York gaat beschikken over de toekomst van Haïti. De kosten van wederopbouw zijn geraamd op 11,5 miljard dollar voor de eerstkomende vijf jaar. Ter vergelijking: de Verenigde Staten hebben voor Irak en Afghanistan een ontwikkelingsbudget van ruim honderd miljard.

De Wereldbank, waarin de VS een dominante stem hebben, gaat de fondsen beheren. Het is de vraag hoeveel de Haïtiaanse regering te zeggen krijgt. Haïti’s president Préval heeft gevraagd om 350 miljoen dollar op korte termijn voor zijn regering, maar verscheidene Amerikaanse senatoren liggen dwars.

In de afgelopen jaren ging gemiddeld zeventig procent van de officiële Amerikaanse ontwikkelingshulp aan Haïti (287 miljoen in 2009) direct naar Amerikaanse bedrijven, zoals
Chemonix (omzet 340 miljoen dollar dankzij overheidsopdrachten in 2008). Minder dan tien procent werd aanbesteed via de Haïtiaanse overheid.

De EU heeft bij monde van buitenlandchef Catharine Ashton 1,2 miljard euro aan hulp toegezegd. Te verdelen tussen humanitaire hulp, politietaken en ontwikkelingshulp.

Het totaal van particuliere donaties en
overheidshulp aan Haïti in de afgelopen
tweeënhalve maand is 2,2 miljard dollar.
Het merendeel is nog niet besteed. Ngo’s
haalden 644 miljoen dollar op – het Rode Kruis hiervan een derde.