Humanistenhond

In het alleszins lezenswaardige ‘Dagboek van een humanistenhond’ van Theodor Holman in De Groene van 15 februari duik ik op als de man die tegenover Trouw ontkend zou hebben dat hij verantwoordelijk was voor de aanklacht tegen de Parool-columnist. Ik zou pas mijn ‘oncollegiale’ stap hebben toegegeven nadat een journalist van Trouw mij met mijn brief aan de officier had geconfronteerd. Met andere woorden: ik ben een lafaard. Holman ontleent deze schets van de gang van zaken, naar ik aanneem, aan Trouw. Maar aan de feiten wordt hier geen recht gedaan.

Nu het werkelijke verhaal. Nadat op maandagavond het ANP het nieuws over de naderende strafzaak tegen Holman op het net had gezet, rook de redactie van het Nederlands Dagblad, de krant waarvoor ik werk, een primeur. Daar wist men immers van mijn actie van een half jaar eerder. Op de vragen van mijn collega’s heb ik zo open mogelijk geantwoord, de te verwachten Pavlov-reactie van de rest van journalistiek Nederland voor lief nemend. Wat dat betreft kan iedereen verder zijn gang gaan, het was voor mij ook eens en nooit weer.
De krant waarin mijn rol in de zaak- Holman werd onthuld, lag woensdagmorgen bij de abonnees en dus ook bij Trouw op de mat. ’s Avonds belde iemand van Trouw die duidelijk het Nederlands Dagblad van die dag niet had gelezen, mij op met de vraag of ik degene was die een kort geding tegen Holman had aangespannen. Ik had op dat moment een omroepjournalist op bezoek die wel de moeite had genomen het ND te lezen. Trouws telefonische interruptie kwam dus erg ongelegen. De Trouw-journalist stelde, met andere woorden, de verkeerde vraag op het verkeerde moment. Het ging immers niet om een (civiel) kort geding, maar om een aangifte voor een strafzaak. Dus kreeg hij van mij, enigszins gespannen en geirriteerd als ik was, het verkeerd begrepen antwoord, waarna ik de man de situatie uitlegde en hem verzocht mij over een kwartier terug te bellen. Hij meende ten onrechte een goede verstaander te zijn en nam daarom genoegen met een half woord. Helaas worden journalisten maar zelden publiekelijk van half werk beschuldigd. Nu moet het hoge woord er maar uit, want ik aanvaard geen verantwoordelijkheid voor het haastwerk van iemand anders. Het zal nu ook duidelijk zijn dat ik door Trouw met geen enkele brief ben geconfronteerd. Hoe zou men daar over die brief aan de officier hebben kunnen beschikken?
En nu ik toch aan het woord ben: Theodor Holman roemt met name Trouw, dat hoor en wederhoor toepaste. Hoor en wederhoor juich ik toe, maar in tegenstelling tot Holman ben ik door Trouw niet serieus benaderd. De krant koos voor politie-inspecteur Tieleman, die zich als eerste als civiele partij voegde in het strafproces tegen Holman, maar die verder van de prins geen kwaad wist. De arme man wordt nu nog door een deel van de media versleten voor aangever, alsof hem als politieman geen betere middelen ten dienste staan. Schrijven is een kunst, lezen kennelijk ook.
Bunschoten, MR. JAAP CORDIA, redacteur Nederlands Dagblad