Hoofdcommentaar

Humanitair imperialisme

Het rumoer over de halsstarrige weigering van de Birmaanse junta hulpverleners in het cycloongebied toe te laten roept herinneringen op aan The Shock Doctrine, het prikkelende boek van Naomi Klein. Zij beweert daarin dat de westerse landen de chaos van natuurrampen en oorlog bewust gebruiken om gro-te sociale en politieke veranderingen door te voeren. New Orleans werd na ‘Katrina’ verlost van haar contingent arme lamlendige zwarten; de shock and awe van de Irak-campagne werd aangewend om de soevereine natie Irak te ontdoen van haar grondstoffen en er een neoliberale politiek door te voeren.
Nu kunnen de ‘westerse landen’, hoe machtig ze ook zijn, nog net niet het weer of de tektoniek van de aardkorst controleren, maar Kleins analyse zit er in Birma niet ver naast. Toen de Birmaanse regering vorige week weigerde westerse hulpverleners op haar grond toe te laten, hield Bernard Kouchner – de Franse minister van Buitenlandse Zaken, voormalig Arts zonder Grenzen – een pleidooi voor het ‘recht op inmenging’. Nationale regeringen moeten door de internationale gemeenschap gedwongen kunnen worden hulp te accepteren. De Amerikanen, wier troepen in de buurt waren voor een militaire oefening, overwogen even zonder toestemming van de regering Birma binnen te vallen om de bevolking te hel-pen, maar zagen daar uiteindelijk van af. De hulpverleningsmissie blijft strikt humanitair, zij het dat ook het leger buitenlandse hulpverleners dat zich heeft samengetrokken aan de grens bij het regime de in-druk van een invasiemacht zal wekken.
Het is natuurlijk ten diepste cynisch dat de Birmaanse generaals zo’n politiek issue willen uitvechten over de ruggen van de tienduizenden slachtoffers. Ze dienen te beseffen dat hun soevereiniteit onder-graven wordt, hoe dan ook – niet door de opdringerigheid van de Amerikaanse troepen, met hun handi-ge Chinook-helikopters en hun praktische amfibische brigades, maar door het simpele feit dat hun ramp wereldwijd de aandacht trekt en de sympathie van miljoenen entameert. Mensen met het hart op de goede plaats zamelen dekens in voor hun Birmaanse planeetgenoten. Dat soort filantropische bemoei-zucht, daar kan ook de meest korzelige junta niet tegenop.
De berichtgeving is hier het breekijzer. De Chinese aardbeving in Sichuan wordt door de Chinese staatstelevisie volop in beeld gebracht. Dat was ooit anders: de omvang van de Tangshan-aardbeving in juli 1976 – geschat op 240.000 doden – bleef grotendeels verborgen voor de buitenwereld. De Chinese regering sloeg alle hulp af. Elke zware natuurramp, zo schreef de partijkrant, kan met de richtlijnen van Voorzitter Mao worden overwonnen.
In dit olympisch jaar, waarin meer journalisten dan ooit zich in het land bevinden, is dat niet mogelijk. Maar de media-aandacht is ook selectief. De pers komt vooral opdraven als de regio politiek interessant is. Hongersnoden in grote delen van Afrika of Haïti hebben geen geopolitiek gewicht. Daar hoeven wij niet naartoe. Birma, strategisch gelegen ten opzichte van de opkomende supermachten China en India, is tegenwoordig wél van belang.
Zo bezien wekt de reactie op de verwoestende orkaan in Birma de schijn van humanitair imperialisme. Dat klinkt negatief, maar dat hoeft het niet te zijn. Ontwikkelingshulp is altijd politiek. Wie het leven van mensen beter wil maken, moet ook nadenken over welk politiek en economisch systeem daarvoor kan zorgen. Wat heeft het voor zin om corrupte, onrechtvaardige regeringen in het zadel te houden met hulpgelden en voedseldonaties, of het nu in Soedan, de Filippijnen of Birma is?
Waar het om gaat is openheid over die politieke bedoelingen. Daar schort het nog wel eens aan. Hulp-verleners willen zich koste wat kost als neutraal presenteren – een positie die niet bestaat. Alleen de rampen zelf zijn apolitiek; alles wat daarna volgt, van de reactie van de betreffende regering tot het ope-reren van hulporganisaties, gaat noodzakelijkerwijs ook over hoe een land bestuurd wordt. Zo bezien geeft USAID het goede voorbeeld: die organisatie maakt er geen geheim van dat zij onderdeel is van het Amerikaanse buitenlandse beleid.
Dat is wat anders dan het voorgestelde competentiebrevet voor regeringen: opgepast, als u uw rampen niet aankunt, zetten wij u af. Misschien is het wel het eerlijkst als hulpverleners gewoon open zijn over hun ideeën over waar het heen moet, of het nu linksom of rechtsom is. Aan hun donateurs om te bepa-len of ze daaraan willen bijdragen.