Humil hrabal

Zijn levenseinde, te midden van de duiven die hij seconden te voren nog voerde, had een scène uit een van zijn boeken kunnen zijn. Want als geen ander wist Bohumil Hrabal het onaanzienlijke detail uit te vergroten tot een poëtische groteske.
Nederlandse vertalingen van Hrabals werk zijn verschenen bij Van Gennep en Bert Bakker. In het najaar verschijnt bij Bert Bakker/Prometheus Vita Nuova, het tweede deel van de trilogie Trouwpartijen.
‘IK STRIJD MET niemand en om niets meer, mij kan niemand meer beledigen of van mijn stuk brengen. Ik ben afgeschoten in de oneindigheid en de eeuwigheid, mij raakt de dood niet meer.’

Bohumil Hrabal schreef dit in een autobiografische schets ter gelegenheid van zijn vijfenzeventigste verjaardag in 1989. Vorige week maandag kreeg de dood hem te pakken op een wijze die tot de verbeelding spreekt omdat het een scène lijkt die hij zelf geschreven zou kunnen hebben: terwijl hij duiven aan het voeren was, viel hij uit het raam van de vijfde verdieping van een Praags ziekenhuis. De directeur-geneesheer liet onmiddellijk weten dat van zelfmoord geen sprake was: de schrijver was snel hersteld van een heupprobleem en verkeerde in opperbeste stemming, ze hadden zelfs een afspraak gemaakt om ’s avonds een pilsje te gaan drinken.
Tegen de avond werd er op overledene gedronken in de volgelopen Gouden Tijger. Dit bierlokaal in het centrum van Praag is wereldberoemd geworden door Hrabal, een pelgrimsoord voor zijn binnen- en buitenlandse fans, waar zelfs de Amerikaanse president tijdens een staatsbezoek maar buiten het protocol om naar toe ging om er de schrijver te zien, die aan zijn stamtafel resideerde te midden van zijn vrienden. ‘Op Bohous’, riep de ober, 'hij is dood, het zij zo… zo is het leven.’
HRABALS LEVEN en werk, die in het teken hebben gestaan van het soevereine individu, heeft deze eeuw van de opkomst en ondergang van het totalitarisme overspannen, een eeuw die begon met de Eerste Wereldoorlog en eindigde met de implosie van de bolsjevistische heilsleer. Hrabal werd 1914 te Brno geboren als kind van een ongehuwde moeder en groeide op in Nymburk, een kilometer of veertig ten oosten van Praag, waar zijn pleegvader de plaatselijke brouwerij bestierde.
Tijdens zijn studie rechten in Praag ging Hrabal gedichten schrijven en stortte hij zich op het bestuderen van de literatuur, filosofie en beeldende kunst. Publiceren deed hij niet; hij schaamde zich voor zijn schrijfsels, die op het surrealisme waren geënt. Tijdens de oorlogsjaren werkte hij als spoorwegbeambte. Dit inspireerde hem tot zijn wellicht bekendste novelle, Zwaar bewaakte treinen, die hem in 1969 internationale bekendheid gaf door de met een Oscar bekroonde verfilming van Jiri Menzel. Na de oorlog studeerde hij af, maar een juridische loopbaan trok hem niet; hij trok door het land als verzekeringsagent en als handelsreiziger. Daarnaast bleef hij schrijven - voor zijn bureaula. Toen hij ten slotte een poging waagde om een bundeltje gedichten in eigen beheer uit te geven, liep dat spaak door de machtsovername van de communisten in 1948. Als 'bourgeois’ en intellectueel werd hij als zovele soortgenoten gedwongen deel uit te maken van het zegevierend proletariaat. Hij werd arbeider bij de hoogovens van Kladno (1949-1952), vernietiger van oudpapier (1954-1958) en decorknecht bij een theater (1959-1963).
Daarnaast begaf hij zich echter in het parallelle Praagse kunstleven. Met zijn vrienden vormde hij een bohème die zich niet zozeer bezighield met geëngageerde beschouwingen over politiek en maatschappij, maar die op zoek ging naar nieuwe expressievormen. Ze schuimden de kroegen af, waar ze bij naamloze drinkebroers inspiratie opdeden, hun thema’s vonden en hun idioom vormden. 'Vaak is zo'n hees geschreeuwde kroeg een kleine universiteit, waar de mensen onder de indruk van het bier herinneringen en voorvallen vertellen die de ziel hebben verwond, en boven de hoofden zweeft in de vorm van sigaretterook het grote vraagteken van het absurde en wonderbaarlijke in het menselijk bestaan.’
Op aandringen van zijn vrienden schakelde Hrabal over op proza. Hij ontwikkelde een geheel eigen stijl, die van de pábitelé, een onvertaalbaar woord dat zoiets betekent als kletsmajoors, sterkeverhalenvertellers, fantasten. Het is een associatieve manier van vertellen, zoals dat in de kroeg gebeurt onder het genot van vele glazen bier. Hrabal componeerde op deze wijze een ritmische woordenstroom die hij zelf vergeleek met in- en uitademen - 'vertellen op het ritme van de longen’.
IN 1963, TOEN de eerste tekenen van de Praagse lente zich aankondigden, debuteerde hij eindelijk, 49 jaar oud. In minder dan geen tijd werd Bohumil Hrabal de meest gelezen schrijver van Tsjechoslowakije. Binnen twee jaar verschenen er acht verhalenbundels, werden vier van zijn verhalen verfilmd en vele bewerkt voor het toneel. Hij kon (en mocht) van de pen leven, maar hij nam geen afscheid van zijn levenswijze en zijn kijk op het leven. Zodat hij na 1968, toen de legers van de Oosteuropese 'broederstaten’ het Tsjechoslowaaks 'socialisme met het menselijk gezicht’ platwalsten, weer in de ban werd gedaan.
Hierdoor, en door de dood van zijn beste vriend, de graficus Vladimír Boudník, en die van zijn moeder, raakte hij in een diepe depressie; hij meldde zich wetterkrank, zoals hij zijn gemoedstoestand noemde. In 1975 stemde hij alsnog openlijk in met de interventie van de 'broederstaten’ in 1968. Dat zette bij velen kwaad bloed. Boeken van hem werden demonstratief verbrand, maar hij schreef en publiceerde nieuwe die toch gretig aftrek vonden. Ook dissidente kringen accepteerden hem weer toen al spoedig naast de officiële, vaak door hemzelf gecensureerde uitgaven ook zogenaamde oerteksten van zijn werk begonnen te verschijnen in de binnenlandse samizdat en bij buitenlandse exil-uitgeverijen, altijd formeel voorzien van de mededeling 'zonder kennis of toestemming van de auteur’.
De 'breuk’ werd definitief hersteld toen hij in 1990 De novemberorkaan publiceerde, een open brief waarin hij - weer wetterkrank na het overlijden van zijn broer, zijn vrouw en een jeugdvriend - zijn sombere kijk op de Tsjechische geschiedenis gaf. Pas de 'fluwelen revolutie’, waaraan hij niet actief deelnam omdat die volgens hem toebehoorde aan de jeugd, had zijn pessimisme verdreven.
'IK BEN GEEN schrijver, ik ben een overschrijver’, verklaarde hij menigmaal. Hij keek, hij luisterde naar mensen in de cafés. 'Eigenlijk ben ik een lijkepikker, een zakkenroller.’ Wat hij zag registreerde hij slechts 'als een Leica’, de verhalen die hij hoorde nam hij slechts op 'als een bandrecorder’ en thuis componeerde hij ze tot lyrische kronieken van het alledaagse leven.
Gewone mensen, zo zei hij, waren voor hem de maat van alles. Met zijn fameuze 'Jugendstil-atoomschrijfmachine van het merk Perkeo’ noteerde hij hun vaak banale verhalen als objets trouvés volgens het procédé van de écriture automatique, om ze daarna te verknippen en weer aaneen te plakken tot drama’s, komedies en sprookjes 'tegen de vergetelheid en de vervalsing’. Hij noemde zijn verhalen collages, die hij vaak later weer uit elkaar haalde om er totaal andere vertellingen van te monteren.
Deze surrealistische methode maakte hem niet tot een surrealist, zoals het gebruik van de spreektaal hem niet tot een navolger van Jaroslav Hasek maakte - twee etiketten die hem nogal eens werden opgeplakt. Om tegemoet te komen aan de indelingsbehoefte van literatuurders noemde hij zijn werk maar 'totaal realisme’.
'De taal van het café’ gebruikte hij omdat die 'de taal stuwt in de richting van de verrasssing, de vervreemding, het onverwachte. Slang is de afweer tegen conventie en verstarring, is bemoeienis met het verbodene, vaak ironisch en provocatief.’ Niet alleen wat de cutting-techniek betreft vergeleek hij zijn werk bij voorkeur met de vroege two-reelers van Charlie Chaplin en Buster Keaton. Een simpel voorval, een onaanzienlijk detail vergrootte hij uit tot het een tragisch misverstand bleek te zijn, waarna het door de hrabaleske taal en stijl de vorm aannam van een poëtische groteske. Maar nooit werd het een satire, zoals bij andere Tsjechische schrijvers als Vaculík, Skvorecky of - langer geleden - Hasek, of aanleiding tot een moraliserend leerstuk à la Kundera en Havel of - verder terug - Capek. Hrabal kende geen spot, hij keek sympathiserend toe met een begrijpende glimlach.
HANTA, DE hoofdpersoon in Hrabals belangrijkste boek Al te luide eenzaamheid, wordt verdreven uit de kelder waar hij al 35 jaar lang oud papier samenperst tot balen waarvan hij kunststukken maakt. Hij besluit ten onder te gaan in zijn oude pletpers, die plaats moet maken voor de moderne techniek: 'Wanneer ik dan door de pressie van de wand mezelf als een kinderzakmes heb dichtgeklapt, verschijnt aan mij op dat moment van de waarheid mijn klein zigeunerinnetje, ik sta met haar op het open veld bij Na Okrouhlík en onze vlieger fladdert aan de hemel, ik houd het draad stevig vast en mijn zigeunermeisje neemt nu de kluwen ijzergaren van me over, zij is alleen, wijdbeens houdt ze zich stevig aan de aarde vast om zelf niet de hemel in te vliegen, en dan stuurt ze langs de draad een briefje hemelwaarts en ik kon nog net in de laatste seconde zien dat op dat briefje mijn gezicht stond.’