Lezers zien in een boek graag iets terug van zichzelf, en in vrouwenliteratuur, zo wil de volkswijsheid, liefst méér dan alleen een beetje. Zou het bij boeken voor mannen zo heel anders zijn? Liefst zien ook die laatsten in detectives, avonturenverhalen of in sciencefiction hun eigen spiegelbeeld terug. Een tikkeltje geïdealiseerd misschien: net iets slimmer, onverwoestbaarder of technisch-genialer dan ze zelf zijn.

In de chicklit heeft die herkenning een andere inslag. Rolmodellen zijn daarin eerder rondklunzende vrouwen, die zich met de nodige zelfspot nog nét staande houden. En als literatuur een spiegel van de lezer is, dan wordt dat soort humor – en zelfs humor in het algemeen – van de weeromstuit een typisch vrouwelijke deugd. Ironie en zelfrelativering: kom daar bij Asimov, Rex Stout of Desmond Bagley maar eens om.

Er zit één adder onder het gras. Een rolmodel bestaat vooral omdat de werkelijkheid niet aan het ideaal beantwoordt. In de praktijk blijkt humor dan ook eerder een vrouwelijke achilleshiel. Vrouwen lachen wel, maar zijn vooral de consumenten van de lach. Voor de productie daarvan komt het gewoonlijk aan op wat, in de dubbele betekenis van het woord, een ‘leuke man’ heet.

Alleen het vrouwelijke vocabulaire kent dat woord in twee betekenissen – en dat leidt tot misverstanden. In een ooit door Iteke Weeda verricht onderzoek werden vrouwen én mannen naar het ideale specimen daarvan gevraagd. De keuze viel respectievelijk op Kees van Kooten en André van Duin: een schoolvoorbeeld van sociologisch onderzoek dat in semantische verwarring strandt.

Als een spiegeling van de zelfspot van de chicklit vinden we in de ladlit de leuke man dan ook steeds vaker als een ideaal terug. De speurder, de avonturier en zelfs de ruimtereiziger zijn in de loop der jaren humoristischer geworden. Sherlock Holmes was nog niet geestig, James Bond is dat wel; Robinson Crusoe niet, Indiana Jones wel. En het is die humor, zij het nog geen zelfspot, die hen voor hun tegenspeelsters onweerstaanbaar maakt.

Daartegenover zien wij, alledaagse mannen, onze kwinkslagen veelal ten onder gaan in goedbedoelde hoekigheid. Hoe graag zouden we niet even gevat – en dus begeerlijk – zijn als de helden van de hedendaagse zedenkomedies, bij voorkeur gemodelleerd naar Woody Allen. Of op Kees van Kooten – toen die nog geen reclame maakte voor de Partij der Dieren.

Komt alles tussen mannen en vrouwen dus toch weer op hetzelfde neer en zoeken beiden in hun literaire helden naar een humor die ze zelf missen? Onder mannen is er in ieder geval geen gebrek aan norse, zurige en gemelijke types, met de dogmaticus van de lach als toppunt. Voor hem is de humor de hoogste plicht, maar zelf blijkt hij daartoe nauwelijks bij machte: oertype Rudy Kousbroek – die naar ik vrees ook wel zal stemmen voor de dieren.

Op één punt heeft deze humormoralist echter gelijk. Gevoel voor geestigheid mag voor vrouwen dan een deugd zijn, voor mannen is het inderdaad een plicht. Diep in het menselijk baltsmechanisme moet ooit het vermogen tot verleiding door de lach zijn neergelegd. In weerwil van Desmond Morris is de mens niet allereerst een naakte maar een lachende aap. Daarin is hij uniek, want een glimlachend zoogdier laat in werkelijkheid zijn tanden zien.

Zijn grootste evolutionaire voordeel ontleent de mens echter aan zijn vermogen tot het produceren van de lach bij anderen – eerst en vooral over de geslachtelijke barrière heen. Het mannetje vermaakt het vrouwtje, hij is grappig en zij geeft zich over. Daarom is humor in de beschaving des te hoger gewaardeerd geraakt naarmate hij meer grenzen overschrijdt. Hij verbroedert – of zou dat moeten doen. Want zolang hij binnen een groep van gelijken blijft, kan hij ook werkelijk een apengrimas worden: een medium van agressie dat zijn weerga niet kent. De macho-humor van de mannetjes is er één voorbeeld van, het feminien gegiechel van de vrouwtjes een ander.

Die binnengroepse geestigheid staat terecht niet erg hoog aangeschreven – en de boeken waarin ze beoefend wordt zijn zelden beklijvende succesnummers. De literatuur legt hogere maatstaven aan, en ze doet dat op grond van evolutionaire wetten. Ze moet verleiden wie niet reeds bij voorbaat voor haar gewonnen is; pas dan krijgt ze betekenis. Daarom moet ze door iedereen gelezen kunnen worden met de glimlach van de ironie. Als ze een wereld wint, heeft haar ernst altijd al een veer gelaten.

Die wet geldt niet alleen voor haar. Hij werkt in alles wat geschreven en gezegd wordt. In alles schuilt de kolder, die op herkenning wacht: altijd en overal, ook hier.