Al die moeite en voor wat? In 1948 maakt Tony Signorini een paar enorme ijzeren schoenen met drie tenen eraan, laat zich ’s nachts door een vriend een stukje de zee op roeien, loopt door het water naar het strand, op die drie-tenige ijzeren schoenen dus, zeven kilo per stuk, zet een kilometer lang zo groot mogelijke stappen in het zand en keert dan weer terug naar zee, waar zijn vriend in het bootje op hem wacht. Tien jaar lang trekt Signorini zo een nachtelijk spoor over verschillende stranden in Florida. Mensen die de voetafdrukken bij daglicht zien geloven echt dat ze van een gigantische pinguïn afkomstig zijn. Sommigen beweren zelfs dat ze de pinguïn hebben gezien, hij zou vierenhalve meter lang zijn en krokodillenpoten hebben. Pas veertig jaar later, in 1988, geeft Signorini toe dat hij de pinguïn was. Hij had er geen bedoeling mee, het was gewoon een grapje geweest.

Maar vooral was het natuurlijk een cadeau. Een cadeau aan de bewoners van slaperige dorpjes langs de kust: zo zie ik Signorini’s stunt. Hij verhief de saaie werkelijkheid tot een plek waar het onbekende en ondenkbare kan bestaan en waar alles dus nog mogelijk is. Wat Signorini bracht is een klein beetje magie. Wie wil er nu niet geloven in een wereld vol verborgen reuzenpinguïns?

Ik vraag me af of we vandaag de dag nog zo’n cadeau zouden kunnen krijgen. Ik denk het eigenlijk niet. Slaperige kustplaatsjes zijn inmiddels volgebouwd met hotels en appartementencomplexen, met camera’s boven de ingang die vanzelf aanslaan als er ’s nachts beweging wordt gedetecteerd. En mocht het een moderne Signorini al lukken om buiten beeld te blijven, dan zou iemand als Thierry Baudet de sporen vast herkennen als die van een reptiel op weg naar het WEF. De grap zou al snel grimmig worden. Of anders gezegd: de speelsheid is er tegenwoordig wat van af.

Dat betekent natuurlijk niet dat er geen grappen meer worden gemaakt. Onlangs schreef Stine Jensen in de NRC dat ze de ironie zo mist, ‘we’ zouden die vorm van humor niet meer herkennen, maar ik vermoed dat Jensen al een tijdje niet op Twitter of TikTok heeft rondgehangen, want daar is de ironie echt alomtegenwoordig. Lachen om de belachelijkheid van anderen of om de belachelijkheid van onszelf, moderne mensen, het geschater houdt er niet op. Zie bijvoorbeeld de populairste TikTokker van allemaal, Khaby Lame, met meer dan 142 miljoen volgers, die de spot drijft met zogenaamde lifehacks van anderen.

Mooi verhaal is dat trouwens, Lame is een asielzoeker uit Senegal die in Italië woont en daar in een fabriek werkte, tot corona hem werkloos maakte en hij uit verveling op TikTok ging. Het is het soort verhaal waar mensen van houden, een verhaal dat volledig binnen de werkelijkheid blijft maar haar wel wat glans geeft, inspirational en motivational: iedereen kan het maken!

Als ik om me heen kijk zie ik vooral een teveel aan werkelijkheid

In haar stuk schrijft Jensen: ‘Ironie en (zelf)spot gedijen goed bij een gelijkheidscultuur: jij bent niet beter dan een ander.’ En dat sentiment mist ze tegenwoordig dus. Wat grappig is, want op dezelfde dag, in dezelfde krant, koppelde Bas Heijne dit gelijkheidsdenken juist aan een type humor dat volgens hem alleen maar groeit. Haathumor noemt hij het, niet-grappige grappen over de geaardheid van Rob Jetten bijvoorbeeld. Waar die grappen op neerkomen, stelt Heijne, is het naar beneden halen van iemand die zich superieur zou voelen: ‘Dat is de grondtoon van het Hollandse haatcabaret, de onverdraaglijke aanname dat de ander zich beter voelt dan jij.’

Je zou ook kunnen zeggen: mensen dulden geen autoriteit meer. Naar beneden trappen is tegenwoordig not done, grappen over buitenstaanders, minderheden of afwijkingen van de norm kunnen niet meer (en in haar stuk noemt Jensen juist hier voorbeelden van). Maar naar boven trappen mag wel (de voorbeelden van Heijne). Vooral politieke en culturele machthebbers zijn het doelwit. En nu wil ik niet overlopen van begrip voor al die hatelijkheid, zoals Heijne alvast verwijtend schrijft, maar zoals het onterecht is om Jetten of Kaag persoonlijk aan te vallen, lijkt het me even onterecht om breed gedragen gevoelens van machteloosheid, voortkomend uit het gevoerde politieke beleid, te personificeren en af te doen als ressentiment van een groep mensen die via sociale media hun woede de wereld in slingeren. Haters zijn niet de oorzaak van de huidige crisis in de democratie, maar een symptoom ervan.

Dat is trouwens nog een verschil met vroeger: niemand zou nu ooit nog een grap veertig jaar geheimhouden. Als iemand al de moeite neemt om ’s nachts met drie-tenige ijzeren schoenen over het strand te banjeren, zou hij zijn prank laten filmen, inclusief reacties de volgende dag, en het daarna meteen op YouTube gooien. Wie weet gaat het filmpje wel viral, volgen er uitnodigingen voor talkshows, schrijven kranten erover en kan de grappenmaker weer tienduizenden volgers en euro’s bijschrijven.

Zelf mis ik dat misschien wel het meest. Als ik om me heen kijk zie ik vooral een teveel aan werkelijkheid. Te veel directheid, te veel meningen en gevoelens, te veel zwaarte, te veel massa, te weinig fuck it, het maakt niet uit dat alleen ik het leuk vind, ik zwijg en doe mijn ding. Wat ik mis is een gigantische pinguïn.

Dit is de laatste In medias res. Vanaf volgende week zullen Arthur Eaton en Marian Donner alternerend een column schrijven