De eerste Italianen van Amerika

‘Hun geloof is vreemd en bedreigend’

Op haar congres van 14 en 15 maart behandelt de PvdA haar integratienota. Maar de migrantenproblematiek is noch nieuw noch typisch Nederlands. Zie de Italianen die rond 1900 naar Amerika vertrokken. Onze Marokkanen zijn de Italianen van destijds.

DOOR FRANS VERHAGEN
‘ZE LEVEN HEEL anders. Ze wonen allemaal bij elkaar, grote gezinnen in kleine ruimtes. Familiebanden zijn sterk. Vrouwen zijn ondergeschikt, vaders autoritair. Een machocultuur. De seksuele gewoontes zijn traditioneel: mannen mogen alles, vrouwen moeten maagdelijk het huwelijk in. Thuis spreekt men de taal van de ouders. Om onderwijs geven ze niet veel. Kinderen willen uit het isolement breken maar dat levert strijd op. Vaders stimuleren wantrouwen tegen de buitenwereld. Moeders en meisjes blijven thuis. Hun geloof is vreemd en bedreigend.’
Nee, dit is niet de proloog van weer een Marokkaans drama of de zoveelste beschouwing over mislukte integratie in Nederland. Het gaat hier over Italiaans-Amerikanen in New York, Chicago, Boston en andere Amerikaanse steden, eind jaren dertig van de vorige eeuw. Kort samengevat staat hier wat Amerikaanse sociologen aantroffen bij deze groep immigranten en hun kinderen. In die jaren was sociologie nog een betrekkelijk nieuwe wetenschap met haar basis in multicultureel Chicago, de ultieme melting pot. Immigranten waren een aantrekkelijk onderzoeksobject en vooral Italiaans-Amerikanen bleken populair, goed voor een kleine bibliotheek met een aantal klassiekers. Het aardige is dat wie die boeken leest in 2009, in Amsterdam, wordt overvallen door een bizar déjà vu-gevoel. New York? Boston? Nee, je leest over Amsterdam, Utrecht, Den Haag. Zou het kunnen dat onze Marokkanen de Italianen van nu zijn? En als dat zo is, wat word je daar dan wijzer van?
Tussen ruwweg 1890 en 1924 vertrokken meer dan vijf miljoen Italianen naar Amerika. Een ware volksverhuizing. Verreweg de meesten kwamen uit het diepe zuiden van Italië. Het waren jaren waarin de bevolking van Italië sterk groeide terwijl de economie stagneerde. Keuterboertjes ploeterden op steeds kleinere stukjes grond. De graanprijzen kelderden. Er werd honger geleden. Ziektes waren endemisch. Er was geen toekomst in Zuid-Italië.
Vanaf 1890 raakte de regio in de greep van een ware Amerika-koorts. Bootreizen naar de Verenigde Staten werden steeds goedkoper en de vraag naar contractarbeid groeide. ‘Vertrek naar Amerika is onlangs zo populair geworden’, schreef een prefetto in de provincie Calabrië in 1894, ‘dat jongemannen zich er bijna voor schamen als ze niet minstens één keer overzee geweest zijn. Tien jaar geleden riep Amerika beelden op van gevaar en afstand. Nu gaan mensen gemakkelijker naar New York dan naar Rome.’ Een zuidelijke burgemeester begroette bezoekende notabelen zo: ‘Ik heet u welkom namens de vijfduizend inwoners van deze stad, waarvan er drieduizend in Amerika wonen en de andere tweeduizend zich voorbereiden om daarheen te vertrekken.’
Deze Italianen hadden een aantal kenmerken. Ze kwamen als ongeschoolde gastarbeiders, tijdelijk en op basis van wurgcontracten met padrones. Ze konden lezen noch schrijven en spraken dialecten die per regio en soms per stad verschilden. Natuurrampen, van aardbevingen tot droogte, malaria en de onwrikbare machtsstructuren waren een vanzelfsprekend onderdeel van hun leven. Ze koesterden geen enkel nationaal gevoel over de eenheidsstaat die Italië in 1870 was geworden. Hoewel machteloos, of misschien juist daarom, hadden ze een hekel aan gezag, zowel werelds als kerkelijk. Sowieso was hun horizon beperkt tot hun eigen dorp, daarbuiten was alles vreemd en iedereen een vreemdeling. Ze vertrouwden alleen bloedverwanten, ‘la famiglia’. De enige manier om iets aan je leven te veranderen was door te vertrekken. En dan was Amerika dichter bij dan Duitsland en Frankrijk waar de seizoenarbeiders uit Noord-Italië naartoe gingen. De eerste decennia vertrokken vooral alleenstaande mannen.

IN AMERIKA werkten de Italianen bij de spoorwegen en in de bouw, waar ze de plaats innamen van de Ieren. Maar anders dan de Iers-Amerikanen, die al sinds 1840 in Amerika woonden, waren de Italianen stellig van plan om na afloop van hun contract weer terug naar huis te gaan. Maar liefst de helft deed dat ook, al draaide een flink deel van hen direct weer om, al of niet voorzien van een echtgenote. Je mocht binnen zes maanden terugkeren naar de VS en de meeste gastarbeiders ontdekten al snel dat ze in Zuid-Italië nog steeds niets te verwachten hadden. Na 1905 veranderde het patroon en immigreerden steeds vaker complete gezinnen.
In 1917 maakten de Italianen vijftien procent uit van de bevolking van de stad New York en dertig procent van alle New Yorkse schoolkinderen was Italiaans-Amerikaans. Manhattan had niet minder dan veertien Little Italy’s, waar immigranten per regio bij elkaar woonden.
Amerikanen hadden hun oordeel klaar. Italianen werden beschouwd als de meest achterlijke van alle nieuwkomers: ze waren donkerder van huidskleur, slechter opgeleid en van armere afkomst. Ze hadden bijnamen als dago’s of black guinea’s of wopp’s (without proper papers). Het werk dat ze kregen was van het laagste allooi, hun ambities waren beperkt. Zoals de latere president Woodrow Wilson hen beschreef in zijn History of the American People: ‘Mensen zonder vaardigheden, zonder energie en zonder enige indicatie van snelle intelligentie.’ Steeds vaker vroegen populistische politici retorisch of deze immigranten ooit ‘echte Amerikanen’ konden worden, uiteindelijk met succes, toen het Congres in 1924 de grenzen vrijwel sloot.
Italianen hadden de naam bloeddorstige criminelen te zijn. Álle Italianen. Het waren messentrekkers, eerlijk met hun handen vechten was er niet bij. Was een Italiaan bij een misdaad betrokken, dan schreven de kranten steevast over diens etnische afkomst; vechtpartijen werden Italian vendetta’s genoemd. De leefomstandigheden in de Italiaanse wijken waren belabberd. Hoe kan ik in vredesnaam gevangenissen bouwen die niet aantrekkelijker zijn dan Italiaanse sloppenwijken? vroeg een bestuurder zich af. Allicht dat de Italianen bleven dromen van hun thuisland. Eenmaal getrouwd en met kinderen was er weinig kans dat ze teruggingen, maar de banden met het thuisfront bleven sterk. Italianen maakten veel geld over, ze investeerden in Italië en achtergebleven familieleden bedelden schaamteloos om ondersteuning. Carlo Levi, de arts die door Mussolini werd verbannen naar Zuid-Italië, schrijft daarover in zijn prachtige Christus kwam niet verder dan Eboli. Hij merkt op dat de mensen vaak werken met maten als pounds en inches, dat bestelt gemakkelijker. Levi schrijft ook beklemmend over Italianen die terugkomen om met Amerikaanse ondernemingsdrift een bedrijfje te beginnen. Deze Americani vergaat het zelden goed.
Immigranten bleven vaak virtueel deel uitmaken van hun oude gemeenschappen. Ze wisten precies wat er in het dorp gebeurde. Er was druk briefverkeer tussen Amerika en Europa – zoals alle immigranten van alle tijden contact proberen te houden, Nederlanders bepaald niet uitgezonderd. Dat leverde een ‘transnationaal’ systeem op van communicatie, sociale controle, familieplanning en hulp bij het organiseren van overtochten en banen. Er werd flink heen en weer gereisd. Dat is geen nieuw of recent verschijnsel.

TOEN ZE NOG Toen ze nog eenzame gastarbeiders waren, gaven de Italianen in Amerika weinig om geloof en kerk. Dat veranderde met de komst van vrouwen en kinderen en leverde direct conflicten op met de Ieren die de Amerikaanse katholieke kerk domineerden. Italianen en Ieren haatten elkaar. De Ierse kerkleiding vond dat ze een ‘Italiaans probleem’ had. Er kwamen weinig en dan ook nog kwalitatief slechte priesters voort uit de Italiaanse gemeenschap (de Ieren hadden intertijd hun priesters meegebracht, wat mede reden was voor de katholiekenfobie rond 1850). In hun parochies waren Italiaanse gelovigen niet erg actief, ze stortten hun zuurverdiende centen niet in de collecteschaal en hielden vast aan allerlei bijgeloven en rituelen.
Pas de tweede en derde generatie begon geloof weer belangrijk te vinden. Dat is een bekend fenomeen onder immigranten. De godsdienstsocioloog Wil Herberg, die in 1955 de klassieker Protestant – Catholic – Jew publiceerde, vatte het samen als de ‘revival van geloof onder immigranten’. Volgens Herberg had dit te maken met de sociale psychologie van een immigrantenvolk: terwijl taal en gewoontes in een nieuw land snel veranderen, blijft geloof een contactpunt met het oude leven. Dat verdwijnt niet zo gemakkelijk in de melting pot. Vooral derdegeneratiekinderen zagen geloof als een middel om zich te profileren, al was het maar omdat in de Amerikaanse samenleving geloof zo belangrijk was. Bovendien verschafte geloof een collectieve identiteit in een harde samenleving waar alles draaide om het individu. Na de Tweede Wereldoorlog veramerikaniseerden de Italiaanse geloofstradities en werd hun katholicisme voor Italianen geleidelijk een symbool van hun nieuw verworven middenklassestatus. Toen konden ze zeggen: wij zijn Amerikaans, patriottisch en katholiek. In de suburbs bouwden ze serieuze parochiekerken en meer en meer deden ze zich gelden als keurige, conservatieve burgers, fel anti-abortus, als fundament van Richard Nixons ‘stille meerderheid’.
Iets heel nieuws was Italiaans nationalisme, of beter gezegd, een gevoel van trots zijn op Italië. Voordat ze immigreerden hadden zuidelijke Italianen dat nooit gehad, integendeel, ze haatten de rest van het land. Pas in Amerika kregen ze het gevoel Italiaan te zijn, al was het maar omdat Amerikanen hen dat voortdurend inpeperden. Vaak wordt gezegd dat Italianen pas in Amerika ophielden Napolitanen of Sicilianen te zijn. Hun nationaal bewustzijn ontstond pas toen ze in een ander land een etnische minderheid waren – ook al waren ze net zo trots op hun nieuwe land, maar dat was heel wat anders, vonden ze. Aanvankelijk beleefden Italianen dit gevoel via hun geloof en door het oprichten van beelden voor historische helden als Columbus, Vespucci, Verdi en Verrazano. Het kreeg een nieuwe dimensie toen Mussolini aan de macht kwam: Italiaans-Amerikanen bleken enthousiast. Eindelijk een Italiaanse leider die wereldwijd gerespecteerd werd. Dat straalde op hen af, maakte hen trots als Italianen in Amerika. Zo ontstond een interessant verschil met het thuisland: terwijl Amerikaanse Italianen Mussolini’s avonturen in Abbessinië trots volgden, zagen de Italianen thuis die onderneming vooral als een speeltje van de noorderlingen. Van zijn kant gaf Mussolini zoveel mogelijk Italiaans-Amerikanen een dubbel paspoort zodat ze konden vechten voor het Italiaanse leger – niet dat er veel vrijwilligers opdoken. Het spreekt voor zich dat de Italiaanse overheid betrokken wilde blijven bij de Italiaans-Amerikanen: ze wilden de geldstroom op gang houden. De Italiaanse regering zette organisaties op en investeerde in een cultureel centrum aan Columbia University in New York. Het beklijfde allemaal niet. Met Mussolini liep het slecht af en Italiaans-Amerikanen schaamden zich nu voor hun land. Na de oorlog droogden de overboekingen op en de Italian Clubs liepen leeg. Latere generaties zochten hun sociale contacten buiten de Italiaanse gemeenschap. Steeds meer werd Italiaan zijn een ietwat vrijblijvende keuze, ‘symbolic etnicity’ in de woorden van de socioloog Herbert Gans.

NA DE Eerste Wereldoorlog joeg populistische politiek de Amerikaanse onlustgevoelens over immigranten verder op, versterkt door de Red Scare na de Russische Revolutie. Elke immigrant was een anarchist, een communist of in elk geval een pauper die Amerika ondermijnde. President Harding probeerde het nog tegen te houden, maar in 1924 werd een immigratiestop van kracht. Alle onderzoek wijst erop dat het afkappen van de ‘nieuwe aanvoer’ leidde tot een snellere veramerikanisering van de Italiaanse Amerikanen. Maar ook weer niet zo snel. Je kunt niet zomaar een knop omzetten. Integratie, acculturatie, assimilatie, hoe je het ook wilt noemen, het zijn processen die tijd nodig hebben. Daarom zijn die onderzoeken eind jaren dertig zo interessant. Ze beschrijven een fase in de ontwikkeling van immigrantengroepen die andere groepen daarvoor en daarna evengoed hebben meegemaakt.
Leonard Covello schreef in 1944 in zijn proefschrift The Social Background of the Italo-American School Child dat onderwijzers geen hoge dunk hadden van Italiaanse kinderen. Hij had zelf decennia ervaring in het New Yorkse onderwijs. Italiaanse kinderen waren ‘grof in hun optreden, spreken en kleding’. ‘Vooral de jongens waren een permanente bron van irritatie voor de onderwijzers.’ Vaak verlieten ze de school om mee te helpen het familie-inkomen te vergroten. In de jaren dertig was dit al wat verbeterd, schreef Covello. Het ‘Italiaanse probleem’ was toen verschoven naar het voortgezet onderwijs. Veel Italiaans-Amerikaanse kinderen werden schoolverlaters: in de Italiaanse wijk had 2,8 procent een middelbareschooldiploma tegen 12,4 procent in de rest van New York City. Ouders waren er niet aan gewend dat kinderen tijd ‘verspilden’ met op school zitten. Tieners moesten aan het werk. Bovendien waren ze bang dat de school hun kinderen vervreemdde van traditionele Italiaanse normen en waarden. De Amerikaanse school maakte Amerikanen van hun kinderen en dat leverde permanente conflicten op. Het duurde lang voordat de scholen de ouders bereikten, en dan nog vooral via de moeders, zelden via de vaders. Die hadden weinig respect voor de scholen omdat ze niet streng genoeg waren, geen gezag uitstraalden. De moeders kwamen tenminste nog op de speelplaats om de meisjes op te halen, want hun eer werd in die vrije Amerikaanse samenleving natuurlijk permanent bedreigd.
Volgens socioloog Nathan Glazer vertraagde de Italiaanse houding tegenover scholing en studie hun sociale mobiliteit. In hun traditie was onderwijs niet bedoeld voor arme boertjes. Je moest het niet te hoog in je bol krijgen. Glazer citeert een Italiaanse zegswijze: ‘Maak je kind niet beter dan jij bent.’ De familie zorgt wel voor je. Dit komt mooi terug in The Godfather, de film waarin veel van deze Italiaanse ervaringen liggen opgesloten. Jongste zoon Michael moet zo nodig een opleiding volgen en keurig het leger in gaan. Zijn broer Sonny maakt dat steeds belachelijk, noemt hem ‘Joe College’. Michaels vrouw, niet Italiaans, slaagt er nooit in om haar man los te weken van de Italiaanse mores. Als de familie roept, kiest Michael – uiteraard – voor zijn familieverplichtingen.
Richard Gambino was meer schrijver dan socioloog. Misschien dat daarom zijn herinneringen Blood of My Blood: The Dilemma of the Italian-Americans nog wel het meest herkenbaar zijn. Want de Italianen hielden hun gewoontes, hun manier van leven, hun problemen – ook al realiseerde elke nieuwkomer zich direct dat Italiaans-Amerikanen duidelijk geen Italianen waren. En die nieuwkomer veranderde ook onmiddellijk. De nieuwe samenleving zoog hem op, het was onvermijdelijk. Gambino vertelt over het familiesysteem, over outsiders, het ideaal van mannelijkheid, seks, de ideale vrouw en over geloof en kerk. Herkenbare thema’s. Zo beschrijft Gambino hoe de tweede generatie het isolement dat de eerste generatie koesterde niet wilde en niet kón volhouden. De kinderen hadden geen keuze. Ze moesten wel omgaan met Amerikaanse instellingen als school, leger en werkplaats buiten de etnische wijk. De ouders keken neer op Amerikaanse waarden als individualisme, materialisme en carrièrestreven. Ze keurden die vaak luidruchtig af en adviseerden hun kinderen om de buitenwereld te wantrouwen. Maar de kinderen wisten wel beter. Ze gingen dagelijks naar school, waar ze precies dat leerden wat hen in Amerika vooruithielp. Het schiep verwarring, verzet en conflict.

NAAR DIE tweede generatie die met één been in de ene en één been in de andere cultuur stond, deed psycholoog Irving Child eind jaren dertig onderzoek. Zijn uit 1943 daterende boek Italian or American? The Second Generation in Conflict is natuurlijk gedateerd maar even zo goed heel herkenbaar. Child deed zijn onderzoek in de Italiaanse gemeenschap in New Haven, Connecticut, een industriestad van 160.000 inwoners, driekwart immigranten en hun kinderen. Bijna een kwart had een Italiaanse achtergrond, waarvan minder dan de helft zelf geïmmigreerd was – de tweede generatie groeide snel.
Over de Italiaans-Amerikanen schrijft Child dat de vrouwen ondergeschikt zijn, de vaders autoritair. Er heersen sterke familiebanden en een sterk groepsbewustzijn, veel meer dan Amerikanen gewend zijn. De seksuele gewoontes zijn traditioneel. Mannen bezoeken prostituees, jongens vrijen graag met Amerikaanse meisjes, maar hun eigen vrouwen moeten maagdelijk het huwelijk in. Thuis is Italiaans de voertaal. Soms omdat de ouders dat eisen, vaker omdat het praktisch is. Oma spreekt immers geen Engels en moeder met horten en stoten. Child noteert dat de kinderen – en zeker de derde generatie – Engels gemakkelijker hanteren dan Italiaans.
Child stelt vast dat de tweede generatie ‘in voldoende mate’ in contact komt met de rest van de samenleving. Als er een botsing is tussen de thuiscultuur en de Amerikaanse samenleving levert dat drie reacties op. Hij benoemt ze als: rebel, in group en apathic. De rebellen zetten zich af tegen hun Italiaanse afkomst en passen zich aan, ze willen echt Amerikaan worden. De rebellie zit ’m in het verzet tegen een etnische aanduiding. De kosten zijn niet gering: je moet breken met je afkomst zonder dat daar een gegarandeerde acceptatie van de Amerikanen tegenover staat.
De in group doet het omgekeerde en rekent zich nadrukkelijk tot de Italiaanse groep, daarmee de opties in Amerika beperkend. In de praktijk betekent dat een versterking van de Italiaanse identiteit en een zekere afkeer van de Amerikanen. Dat laatste rechtvaardigen ze door te stellen dat die hen toch niet als volwaardig accepteren. De apathische reactie betekent in feite tussen twee stoelen in gaan zitten, waarbij ‘apathisch’ verwijst naar uitstel van keuze, niet naar lamlendigheid. Deze kinderen proberen beide groepen te bespelen. Het vereist een permanent goochelen met loyaliteiten en normen en waarden, met het risico dat je het nooit goed doet.
Child concludeert dat de tweedegeneratieproblematiek totaal verschilt van die van de immigranten zelf. De generatie die in Amerika geboren is, leeft in alle opzichten in een andere wereld. In zijn conclusie waarschuwt hij Amerikanen dat ze beter moeten nadenken over hun weigering om afstammelingen van recente immigrantengroepen te laten delen in het gevoel van Amerikaan zijn. Hoe kun je nationale eenheid een lovenswaardig doel vinden en tegelijkertijd een vooroordeel koesteren tegen mensen met buitenlands klinkende namen? Zo loop je het risico op een groepsreactie, schrijft Child, maar vooral moet die Amerikaan gewoon eens te rade gaan bij zijn eigen geweten.
In dezelfde periode is het domein van de straat beschreven door de socioloog W.F. Whyte. In zijn klassieker Street Corner Society uit 1942 doet Whyte verslag van drie jaar participerend onderzoek in een bijna volledig Italiaanse wijk van Boston. Omdat de woningen klein en benauwd zijn, hangen de jongens vooral op straathoeken rond. De manier waarop ze zich daar gedragen verklaart hij uit ‘de Italiaanse cultuur die een sterke nadruk legt op mannelijk vertoon, op kracht en seksuele uitstraling’. Een machocultuur. Zodra de jongens trouwen en een gezin stichten, trekken ze zich terug en vormen ze geleidelijk aan groepen van getrouwde mannen. Die zitten niet thuis in hun kleine appartementen – waar de vrouwen overdag wel bij elkaar komen – maar, schrijft Whyte, in koffiehuizen: ‘Elke Italiaanse buurt wordt gekenmerkt door storefronts waarachter mannen praten, kaart spelen en koffie drinken, vrij van vreemdelingen.’
Hoe belangrijk zo’n etnische wijk is voor nieuwkomers beschrijft de historicus Humbert Nelli in 1970 in zijn Italians in Chicago, 1880-1930: A Study in Ethnic Mobility. Volgens Nelli zijn die wijken essentieel als overgangsruimte om de eerste stappen in een andere samenleving te kunnen maken. Vóór hun vertrek denken mensen helemaal niet na over hun eigen cultuur, die is een dagelijks gegeven. Door de confrontatie van de immigrant met andere groepen, zegt Nelli, wordt hij zich daar bewust van en als reactie zoekt hij steun bij andere immigranten die zijn taal en cultuur delen, uit veiligheid maar ook om te kunnen concurreren met andere groepen voor banen, huizen en politieke invloed. Zo komen de etnische groepen in de plaats van de achtergelaten dorpen. Het is een manier om zich aan te passen en zich geleidelijk te laten opnemen in de Amerikaanse samenleving. Immigrantenkolonies zijn er niet om oude gewoontes en patronen te prolongeren, althans niet primair, maar zijn juist een eerste stap in de assimilatie. Ze vergemakkelijken de overgang naar de moderniteit.

WIE DEZE onderzoeken leest, trekt vanzelf parallellen met de immigranten in Nederland. Alle immigranten en hun kinderen maken vergelijkbare processen door, ook al ligt per groep het accent net wat anders. Chinezen hadden in Amerika meer last van racisme, zelfs van racistische wetgeving. Negentiende-eeuwse Ieren kwamen meestal in gezinsverband, net als de Russische joden aan het begin van de twintigste eeuw. Ze vluchtten, ze wisten dat ze nooit meer terug zouden gaan. Weinig groepen waren halsstarriger in het opgeven van hun taal, scholen en cultuur dan de Duitsers en de Nederlanders. In de grote steden kon je etnisch isolement minder lang volhouden dan op het platteland – behalve als je geforceerd apart werd gezet, zoals de Chinezen in Chinatown. En ga zo maar door: met alle verschillen is er in de grote lijn vooral veel te herkennen.
Waarom zou je de vergelijking tussen de Italianen en ‘onze’ Marokkanen wíllen maken? Om er iets van op te steken natuurlijk. Want die Italianen van honderd jaar geleden lopen in hun ontwikkeling inmiddels een generatie of vier, vijf voor op onze immigranten. Hun etnische wijken zijn al verwaterd. Politici zijn doorgebroken. Intermarriage, trouwen met buitenstaanders, ooit een doodzonde, is nu de regel. Italiaans wordt nergens meer gesproken. En de pizza is net zo Amerikaans als de applepie.
Natuurlijk, de verschillen zijn legio. De Nederlandse verzorgingsstaat geeft enerzijds minder stimuli om jezelf te verbeteren, maar anderzijds zorgt ze ervoor dat de abjecte armoede van Amerikaanse immigranten, toen en nu, in Nederland niet aan de orde is. Het Nederlandse onderwijssysteem en de postverzuilingssamenleving, zonder klassen, bieden immigrantenkinderen meer mogelijkheden dan Italianen of wie dan ook in Amerika hadden en hebben. Kinderen van analfabetische ouders bereiken in één generatie de universiteit; dat kwam in Amerika niet voor – in Nederland veertig, vijftig jaar geleden trouwens ook niet. De etnische wijken in Nederland zijn lang niet zo geïsoleerd als die in Amerika.
Daar staat tegenover dat we in Nederland geen duidelijk omschreven beeld hebben van Nederlands burgerschap, terwijl de Italiaan in Amerika verdraaid goed wist wat het was om Amerikaan te zijn. Maar hij kon dat ook patriottisch beleven zonder dat hij zijn etniciteit hoefde te verloochenen. De streepjes-Amerikaan is een feit. De multiculturele samenleving is een feit.

MAAR, WERPEN sommigen tegen, in Nederland hebben we ‘de islam’. Los van wat nou precies het probleem is met ‘de islam’ kun je er dit over zeggen: voor Amerikanen in de negentiende en begin twintigste eeuw waren de hordes katholieken, met hun autoritaire, doctrinaire geloof, geleid door een leger priesters onder bevel van een buitenlandse potentaat, veel bedreigender voor hun samenleving, hun manier van leven en hun politiek dan moslims voor Nederland kunnen zijn. Het probleem bleek geen probleem. Als je terugkijkt.
Wat we van deze Italiaans-Amerikaanse geschiedenis kunnen meenemen is de herkenbaarheid van het geschipper van tweede- en derdegeneratiekinderen. De vijandigheid en geslotenheid van de ontvangende samenleving. Discriminatie op de arbeidsmarkt. Opstandig gedrag. Bendevorming (onze ‘kutmarokkanen’ zijn kleine jongens vergeleken met de etnische bendes in de Amerikaanse grote steden). Een tweede en prille derde generatie die zich identificeert met haar etnische afkomst. Veranderde gezinsverhoudingen, meisjes die weigeren dat paternalistische machopatroon te accepteren.
Nederlanders hebben sterk de neiging om het multiculturele drama als uniek Nederlands te zien. In elk geval menen vele politici dat zij een unieke oplossing hebben – meestal volgend jaar of in elk geval voor de volgende verkiezingen. Maar zo werkt het niet met samenlevingen. Sociale ontwikkelingen hebben hun eigen dynamiek. Daar kun je verdraaid weinig aan veranderen. In ieder geval weten we hoe het afliep met de Italianen. Met hen is het goed gekomen.

Frans Verhagen publiceerde onder meer The American Way: Wat Nederland kan leren van het meest succesvolle immigratieland, Nieuw Amsterdam, 280 blz., € 18,50