Hunkeren naar betekenis

David is géén personage om een hechte band mee te krijgen © Coetzee / Uitgeverij Cossee

Zijn omgeving beweert dat hij zich geen zorgen hoeft te maken, hij is jong en gezond, artsen houden hem dagelijks in de gaten, zijn ziekte wordt door niemand als levensbedreigend gezien, geen paniek. Maar zelf weet David zeker wat er zal gebeuren. Hij gaat dood. Hij voelt het al zodra hij onverwachts in het ziekenhuis belandt, en daarna kwijnt hij steeds verder weg: zijn spieren slinken, hij krimpt op een Benjamin Button-achtige wijze, ‘alsof hij weer zes is. Zijn gezicht is bleek en vermoeid. In zijn blik ligt een hulpeloze smeekbede.’

Hoewel het even duurt voor het zover is, sterft David inderdaad – en dit is, voor de goede orde, géén spoiler. Niet alleen wegens de titel van dit slotdeel van Coetzee’s Jezus-trilogie, maar vooral omdat de roman zo duidelijk niet op plot of effect is geschreven: ‘spoiler’ lijkt me een term waar Coetzee zijn neus voor ophaalt. In zijn kenmerkend secure, sobere, soms haast gevoelloze stijl schetst hij in deze compacte roman – de kortste van de trilogie – de laatste levensperiode van zijn inmiddels tienjarige hoofdpersoon, die deze roman begint als ongrijpbaar straatvoetballertje en eindigt als ongrijpbare herinnering waarvan iedereen een eigen verhaal maakt. Coetzee beschrijft het allemaal alsof de jongen door een camera wordt waargenomen, van buitenaf dus, registrerend. Voortdurend wordt het enigmatische van Davids karakter benadrukt: ook al draait alles om hem, net als in de twee vorige Jezus-boeken, hem helemaal doorgronden of begrijpen is nog steeds niet de bedoeling. De jongen is ‘kwikzilverachtig’, hij kijkt met ‘een wezenloze uitdrukking’, hij slaat dingen ‘onaangedaan gade’, enzovoorts.

Ofwel: dit is géén hoofdpersonage om een hechte band mee te krijgen, zelfs niet op zijn sterfbed. Aan alles voel je dat het Coetzee om iets groters draait, een verhaal met allegorische betekenis. Maar welke betekenis precies?

De dood van Jezus valt goed als losstaand werk te lezen, maar ligt thematisch duidelijk in het verlengde van zijn twee voorgangers. Wat ze gemeen hebben, los van de hoofdpersonages, is het inherente gebrek aan uitleg en duiding. De kinderjaren van Jezus (2013) beschrijft hoe David, zonder enige weet van zijn geschiedenis en aanvankelijk zelfs zonder naam, als klein jochie na een lange zeereis aankomt in onbekend land – hij wordt in huis genomen door een man genaamd Simón en een vrouw genaamd Inés. Staat zij symbool voor Maria, is David een moderne Jezus? De schooldagen van Jezus (2016) draait om zijn noodgedwongen verhuizing naar een abstract nieuw thuis en de groeiende kloof tussen zoon en pleegvader, waarbij David voortdurend opmerkt dat Simón niet zijn echte vader is. Hier gaat hij in De dood van Jezus onvermoeibaar mee verder, en wie bij een slotstuk van een trilogie nagekomen antwoorden verwacht, een glimp van verklaringen voor het voorgaande, komt bij Coetzee bedrogen uit: hij houdt zijn opsmukloze, niets toelichtende verteltoon vol.

Zo beheerst, zo toonvast, zo zonder tegemoetkoming, dat kan alleen Coetzee

Dat heeft zowel iets intimiderends als gekmakends. Meer dan eens vroeg ik af: wat ben ik eigenlijk aan het lezen? Waar draait het boek vooral om, waarom haalt David steeds Don Quichot aan en citeert hij daaruit, wat zie ik voor verbanden over het hoofd? En ook: hoe had ik dit gelezen als het niet door Coetzee was geschreven maar door een onbekende debutant?

Vermoedelijk is het antwoord op die laatste vraag dat een onbekende debutant nooit zo’n boek had kunnen (en durven) schrijven, zo beheerst, zo toonvast, zo zonder enige tegemoetkoming. Ja, natuurlijk, De dood van Jezus is een allegorisch werk, er vallen genoeg bijbelse elementen en metaforen in te ontwaren, maar dat betekent allerminst dat het hier gaat om een veredelde kruiswoordpuzzel: David lijkt in sommige opzichten weliswaar op Jezus (wiens naam overigens in de hele trilogie niet valt), maar hij gaat oneervol dood in een anoniem ziekenhuisbed, niet als volwassene maar als tienjarige, zonder grote daden op zijn naam, zonder veel volgelingen.

Toch wordt hij juist daarom niet zomaar vergeten. Na de dood van David kan Simón, en dit is een van de boeiendste stukken uit De dood van Jezus, zijn gedachten maar niet loskrijgen van zijn pleegzoon. En vooral niet van de vraag welke betekenis diens dood heeft gehad. ‘De wereld mag dan weer zijn zoals ze was’, merkt hij op, ‘ze is ook anders. Aan dat verschil moeten we ons vastklampen.’ Die hunkering naar verschil en concrete betekenis neemt toe wanneer de kinderen uit het nabijgelegen weeshuis, waar David tijdens zijn leven meer en meer naar toetrok en wel volop verhalen vertelde, met bijna devote toewijding over David blijken te spreken. ‘In diepere zin is hij nog bij ons.’ En: ‘Iedereen is ervan overtuigd dat David een boodschap voor ons had maar niemand weet wat die boodschap is.’ Wederom volgt er geen uitleg of context.

Uiteindelijk draait deze roman vooral om het verhaal dat van iemand overblijft, de uiteenlopende betekenissen die door anderen aan een bestaan worden gegeven. En zo krijgt Coetzee, zonder het expliciet te benoemen of uit te leggen hoe zijn verhaal in elkaar steekt, je toch weer waar hij je hebben wil. Bij de vragen hoe mythes en fictie vorm krijgen – en wat het betekent om te geloven.

De foto komt uit het boek De foto’s van Jongensjaren. Gemaakt door John Coetzee met zijn ‘spy camera’. De foto’s hierin dateren uit de laatste twee jaar van zijn middelbare schooltijd in de jaren vijftig, toen de familie Coetzee van Worcester naar Kaapstad verhuisde. Uitgeverij Cossee