Zijn vader heeft gelijk. Wie een ‘lekker sigaretje’ rookt kan niet anders zijn dan een narcist, gedoemd tot terminale puberteit. Hij heet Arthur Bechstein, zeg maar Art. De jongen in de bibliotheek heet Arthur Lecomte. Zeg maar Arthur.
Arthur Lecomte verleidt Art Bechstein tot zijn eerste, onverwachte homoseksuele relatie. Wie had dat gedacht, na een innige verhouding met het meisje Claire? En het blijft niet bij Arthur. Art gaat ook een relatie aan met het meisje Flox. Dat heb je als je net bent afgestudeerd.
In de zomer werkt Art in een boekhandel. Maar de meeste quality time brengt hij door met zijn minnaar en minnares. HÇ, wat wil je? Dit is Amerika, eind van de jaren tachtig. Dit is De geheimen van Pittsburgh, de eerste roman van Michael Chabon, nog behoorlijk jong in die tijd.
Chabon kwam een beetje mee omhoog in de slipstream van de bratpackschrijvers Jay McInnerney, Bret Easton Ellis, Tama Janowitz en anderen. Chabon onderscheidt zich van hen door een veel minder rauwe literatuur te schrijven. Hij zoekt het niet in de verveelde rijkeluiskinderen voor wie het leven een tweedehands werkelijkheid betekent, maar liever in intellectuele jonge mensen die zoeken naar waarden en waarheden in een verwarrende tijd. Vinden ze die in seks? In liefde? Want die bestaat best bij Chabon, de liefde. Alleen dat maakt hem al anders dan zijn leeftijdgenoten-schrijvers. Hij ziet zogezegd licht waar die andere Amerikanen voornamelijk de duisternis beschrijven. Dat is een verdienste. En dat maakt dat De geheimen van Pittsburgh ook bij herlezing, tien jaar later, overeind blijft.