Hup de tolerantie!

KOERSEN WE AF op een samenleving waarin tolerantie de laatste tiran is, zoals Alain Finkielkraut in De Groene Amsterdammer van 2 december jongstleden beweert? Waarin multiculturalisme en de erkenning van identiteit uitmonden in een gesegmenteerde maatschappij die zo gepreoccupeerd is met erkenning van identiteit dat er geen ruimte meer is voor discussie met andere overtuigingen? Waarin nietzscheaans ressentiment het wint van bewondering voor de enkeling, de grote Filosoof of Schrijver? Waarin het intellectuele landschap is opgedeeld in allerlei studies, van vrouwenstudies tot Afrikaans-Amerikaanse studies, en waarin de science-war tussen relativisten en postmodernisten die ‘anything goes’ prediken aan de ene kant, en brave, serieuze wetenschappers die de waarheid proberen te redden aan de andere kant, in het voordeel van eerstgenoemden is beslist?

Het laatste voorbeeld noemt Finkielkraut niet, maar hij had het wel kunnen meenemen in zijn cultuurkritische filippica. Finkielkraut is een filosoof van het grote gebaar. Hij is een meester in het op de spits drijven van tendenzen die inderdaad aanwezig zijn. Maar zijn ze ook zo dominant als hij beweert? Is tolerantie de laatste tiran waarachter een nieuwe vorm van gewelddadigheid schuilgaat, die erin bestaat dat geen enkele vorm van debat of kritiek meer mogelijk is? Is de term ‘westers’ zo in diskrediet geraakt door postkoloniale critici en hun meelopers dat mensen deze term alleen nog met het schaamrood op de kaken durven te gebruiken? Al Finkielkrauts uitspraken lenen zich voor nuancering, maar voor je het weet schrijf je een het-valt-wel-mee-verhaal waarbij de lezer in slaap valt. Ik wil tolerantie verdedigen. Maar niet elke vorm van tolerantie. Niet het tolereren van onzin. In intellectuele zaken is tolerantie de dood in de pot. Tolerantie is ook geen kwestie van smaak. In de waardering van kunst, films, boeken en andere culturele producten is tolerantie misplaatst. In het persoonlijk leven kan ik mij echter wel een bepaalde vorm van tolerantie voorstellen. In een pluriforme samenleving kan het geen kwaad het oordeel over de ander af en toe even op te schorten. De kans is immers groot dat we met mensen te maken hebben die niet uit onze eigen gemeenschap komen. Maar verdraagzaamheid in de persoonlijke omgang met anderen is niet hetzelfde als tolerantie in het publieke leven. De tolerantie die ik wil verdedigen is een publieke of politieke deugd: het is de kunst van het samenleven met mensen met wie je het niet eens bent, wier religieuze opvattingen je abject of belachelijk vindt, in wier gemeenschap je je absoluut niet thuis voelt. Tolerantie is het organiseren van verschil, en het kan dus nooit een mechaniek zijn om bestaande verschillen op de spits te drijven. OP DIT PUNT ben ik het eens met Finkielkraut: tolerantie wordt tegenwoordig in één adem genoemd met multiculturalisme en erkenning van identiteit. De door de filosoof Charles Taylor bepleite erkenningspolitiek betekent inderdaad de nekslag, niet alleen voor de politiek van de vriendschap die men kan stimuleren door zich te verdiepen in de teksten van (grote) denkers zoals Finkielkraut bepleit, maar ook voor de politiek in het algemeen. Mijn stelling is: waar politiek onder het dictaat komt te staan van de erkenning van identiteit, creëer je een onpolitieke samenleving waarin tolerantie in theorie misschien hoog aangeschreven staat maar in de praktijk hooguit nog in de vorm van onverschilligheid kan gedijen, omdat niemand meer de moeite neemt om de opvattingen van anderen serieus te nemen. Het ernstige spel van samenleven wordt dan verzuurd door afgunst, kunstmatige etnische of culturele barrières en gebrek aan inlevingsvermogen. Net als tolerantie moet erkenning van identiteit niet de afgod worden op het altaar van onze democratie, maar moeten we ons bewust blijven van het politieke karakter ervan: erkenning van identiteit is alleen functioneel binnen het kader van het instandhouden van onze politieke orde, nationaal én internationaal. Wie tolerantie als politieke waarde overboord gooit, ondermijnt het precaire weefsel van onze samenleving. Wie tolerantie en erkenning van identiteit echter tot universele waarde uitroept, gaat ook de mist in. In ons persoonlijke leven, in onze vriendschappen en liefdesrelaties, in onze verenigingen en culturele activiteiten - steeds speelt erkenning van identiteit een belangrijke, maar voor de politiek irrelevante rol. Als we erin slagen om tolerantie een duidelijke, en wat mij betreft dus politieke plaats te geven, en tegelijk in staat zijn om verschillende vormen van erkenning - politieke en niet-politieke in de eerste plaats - uit elkaar te houden, dan hoeven we ook niet terug te vallen op het toch wel wat afgekloven botje van Nietzsches ressentimentstheorie, waar Finkielkraut aan het eind van zijn essay zijn tanden inzet. De meeste mensen worden niet vernederd door die imposante geniale vijftig boeken die volgens Kundera (door Finkielkraut aangehaald) bij Europeanen een onverdraaglijk gevoel van vernedering teweegbrengen. Zo'n overschatting van het boek kom je alleen nog tegen bij intellectuelen die een gesprek met Aristoteles op één lijn stellen met een gesprek met de buren. Nee, mensen worden vernederd door klein en groot onrecht, door instanties die niet goed werken, door 'zinloos’ geweld en vooral door uitsluiting. Precies hier ligt ook het politieke belang van erkenning van identiteit. Volgens Finkielkraut leidt de gedachte dat alle groepen en identiteiten gelijkwaardig moeten kunnen samenleven tot het ontstaan van een gewelddadig klimaat. Overtuigingen kun je beargumenteren, maar identiteiten kun je alleen bevestigen of ontkennen: of jij erkent mij, of jij bent onmenselijk. Finkielkraut gaat hier wat kort door de bocht. Natuurlijk kan over de erkenning van identiteit geargumenteerd worden. Het probleem is echter dat de behoefte van mensen aan erkenning in principe onbeperkt is en vele aspecten van hun leven beslaan. Natuurlijk wil ik erkend worden in mijn aanspraken op vriendschap, maar ik wil niet met iedereen bevriend zijn. Ik zoek naar erkenning in mijn liefdesrelatie, in mijn familierelaties en in de activiteiten die ik in mijn werk en daarbuiten in verenigingen onderneem. Erkenning van mijn identiteit zoek ik in diverse kringen die elkaar deels overlappen, maar deels ook niet. Mijn identiteit is geen vast punt, geen zwarte doos die in al die kringen dezelfde blijft. Het is veeleer het product van al die kringen, waardoor het ook mogelijk is dat verschillende aspecten van mijn identiteit op gespannen voet met elkaar staan. Daar valt binnen zekere grenzen heel goed mee te leven, al was het maar omdat mensen zich voortdurend ontwikkelen. Al die betrekkingen hebben met elkaar gemeen dat ik er steeds bij betrokken ben, maar dat betekent niet dat die 'ik’ altijd dezelfde is. Ik ben niet meer de persoon van tien jaar geleden, noch ruimtelijk gezien als je kijkt naar de spreiding van al die kringen, noch in de tijd gezien. Het belangrijkste punt is evenwel dat de meeste aspecten van mijn identiteit politiek beschouwd irrelevant zijn. De politiek is geen vereniging van vrienden of geliefden, geen gemeenschap van gelijkgezinden. De politiek is juist 'uitgevonden’ om te voorzien in al die situaties waarin vriendschap, liefde en andere vormen van gemeenschappelijkheid zoals religieuze overtuiging of etnische achtergrond onvoldoende aanwezig zijn of helemaal ontbreken. Het startpunt of 'nulpunt’ van de politiek is pluralisme; het organiseren van pluralisme is waar het in de politiek om draait. DE VRAAG MOET dus zijn: welke aspecten van de identiteit van mensen zijn politiek relevant? In de zeventiende eeuw was katholiek zijn politiek relevant omdat het publieke domein geen ruimte liet voor katholieken. Nu is dat niet het geval omdat in onze grondwet vrijheid van religie is opgenomen. Gender is tegenwoordig relevant, voor zover het belemmeringen oplevert voor het functioneren in het publieke domein. Natuurlijk blijft dit een vage omschrijving, en ook met verwijzingen naar het recht ben je er niet want de praktijk blijkt vaak weerbarstig te zijn. Tussen de goede bedoelingen die in onze grondrechten gevat zijn en de weerbarstige praktijk van alledag zal wel altijd een kloof blijven bestaan. De vraag welke aspecten van onze identiteit politiek relevant zijn, valt alleen negatief te beantwoorden: het gaat om die aspecten waardoor mensen effectief worden buitengesloten - niet buiten vriendschappen, verenigingen of gemeenschappen, maar buiten de politieke orde. Ook historisch beschouwd is politieke uitsluiting de meest effectieve producent van identiteit geweest. Een groep die buiten de politieke orde staat, kan een eenduidige identiteit krijgen die kan worden samengebald tot een politieke hefboom. Maar eenmaal binnen die politieke orde wordt deze identiteit vanzelf pluriformer. Een zwarte in het door Tom Wolfe in A Man in Full beschreven Atlanta, waar bijvoorbeeld een zwarte burgemeester is en een zwarte bovenlaag tot het establishment is doorgedrongen, heeft veel meer mogelijkheden tot identificatie met diverse vormen van zwarte identiteit dan bijvoorbeeld Oom Tom uit de bekende roman van Harriet Beecher Stowe. Wat binnen en wat buiten de politieke orde valt, ligt niet bij voorbaat vast, zal altijd onderwerp van politiek beraad en strijd zijn. Daarom is de keuze ook niet, zoals Finkielkraut het voorstelt, tussen wel of geen erkenning van identiteit. De afweging welke aspecten van identiteit politiek relevant zijn zal beargumenteerd moeten worden, en die argumentatie zal betrekking moeten hebben op genoemde uitsluitingsmechanismen. Een simpel beroep op identiteit volstaat dus niet, net zomin als een argument aan kracht wint door te zeggen dat ik dat toevallig vind. Voor zover multiculturalisme doorslaat naar zo'n kale vorm van identiteitspolitiek heeft Finkielkraut gelijk: de keuze is dan erkennen of afwijzen. Hij is bang voor een gewelddadig klimaat, maar ik ben eigenlijk meer bevreesd voor de verpletterende stilte die ontstaat tussen groepen in de samenleving, voor de onwil en soms ook het onvermogen om op elkaars argumenten in te gaan, en voor de stereotypering van de ander waarmee die stilte wordt gecamoufleerd. Dat was in ieder geval de situatie in verzuild Nederland, en dat is in multicultureel Nederland ook ons voorland als we identiteiten met argumenten verwarren. NEDERLAND is wat dit betreft een interessant land. Wat Finkielkraut schetst als de nachtmerrie van het multiculturalisme, kennen wij uit ons recente verzuilde verleden. We zeggen heel gemakkelijk dat Nederland een multiculturele samenleving wordt. De term 'multicultureel’ begint ook door te dringen in ambtelijke notities. Maar wat betekent het eigenlijk? Als 'multicultureel’ iets meer moet betekenen dan dat het in cultureel en etnisch opzicht een divers zootje aan het worden is, kunnen we beter spreken van 'pluriform’ en de term 'multicultureel’ reserveren voor situaties waarin meerdere culturen naast en deels apart van elkaar leven. Zo'n situatie hebben we in Nederland intussen achter ons gelaten: verzuild Nederland was multicultureel, zij het dat 'cultureel’ toentertijd vooral betrekking had op de verschillende religieuze denominaties, en op de seculiere socialistische en liberale reacties daarop. Deze verzuilde, multiculturele samenleving werd gekenmerkt door een vorm van tolerantie die ik in mijn boek Het verlangen naar gemeenschap; Over moraal en politiek in Nederland na de verzuiling (Van Gennep 1997) 'negatieve tolerantie’ heb genoemd. Deze vorm van tolerantie gaat terug op wat John Locke over 'toleration’ te berde heeft gebracht. Tolerantie was voor Locke geen karaktereigenschap van mensen, en evenmin een principiële kwestie van vrijheid van geweten of godsdienst. Tolerantie was voor hem een politieke kwestie, gebaseerd op het principe van terughoudendheid van de kant van de heerser. Deze mag zich niet bemoeien met het religieuze leven van zijn onderdanen, simpelweg omdat zijn macht en verantwoordelijkheid niet zo ver reiken. Negatieve tolerantie mondt uit in het naast elkaar plaatsen van groepen van mensen met verschillende identiteit, in verzuiling, apartheid en multiculturalisme. Tegenover deze negatieve tolerantie is in Nederland een onder meer door John Stuart Mill geïnspireerde vorm van tolerantie tot ontwikkeling gekomen. Deze 'positieve tolerantie’ beschermt geen groepen maar individuen tegen allerlei vormen van groepsterreur en discriminatie. Individuen moeten - binnen de grenzen die Mill met zijn 'harm’-principe heeft afgebakend - de ruimte krijgen om uitdrukking te geven aan waar ze ook maar uitdrukking aan willen geven. Deze positieve tolerantie is neergeslagen in vrijheidsrechten en politieke rechten. De zo vaak geprezen Nederlandse tolerantie draagt de sporen van beide typen van tolerantie. De principiële liberale, positieve tolerantie die stelt dat mensen recht op vrijheid en bescherming tegen discriminatie hebben, is in kleine stapjes vanaf de Bataafse Republiek in de grondwet vastgelegd. Deze vrijheid van het individu was echter ingebed in een maatschappelijke orde die gekenmerkt werd door een 'tactische’ (de term is van J.A.A. van Doorn) vorm van isolatie en segregatie van religieuze groepen. Deze tactiek mondde uit in een corporatistisch stelsel, wat verklaart dat ondanks de omarming van de belangrijke liberale vrijheidsrechten, Nederland slechts in beperkte mate een liberaal land genoemd kan worden. Hier zien we ook dat de twee elementen van de Nederlandse tolerantie gedeeltelijk elkaars werking opheffen: de regel van non-discriminatie legt vast dat mensen vrij zijn hun eigen levenspad uit te stippelen. Het gaat om het loskomen uit knellende sociale structuren en identificaties die een belemmering vormen voor individuen. De tactische kant daarentegen werkte isolatie en segregatie van groepen juist in de hand. Tolerantie werd in verzuild Nederland vooral gekenmerkt door het op afstand houden van groepen met verschillende identiteiten. Deze institutionele achtergrond verklaart waarom tolerantie en intolerantie in Nederland altijd hand in hand zijn gegaan. Wie in Nederland de institutionele organisatie van de omgang met culturele, politieke, religieuze minderheden in ogenschouw neemt, moet tot de conclusie komen dat Nederland tolerant is, maar deze tolerantie is geen eigenschap van Nederlanders. De institutionele tolerantie die in de verzuilde politieke orde is ingebouwd, ging hand in hand met een publieke opinie en meningsvorming die bepaald intolerante trekjes vertoonde. Institutionele tolerantie ging gepaard met levensbeschouwelijke, moralistisch getoonzette intolerantie die gevoed werd vanuit de verschillende gemeenschappen die Nederland rijk was. De prijs die voor deze specifieke politieke organisatie van verschil werd betaald, was een verregaande vorm van stereotypering. Daarnaast heeft het een intellectueel klimaat in de hand gewerkt waarin het passief tolereren van de beginselen van andere groepen gepaard ging met een in veel opzichten gefrustreerd discussie-klimaat. De prijs van tolerantie in verzuild Nederland was een zekere weerstand om de ander intellectueel serieus te nemen. Bovendien werden de groepen die niet binnen de grote zuilen vertegenwoordigd waren, object van welzijnsbeleid. Hun politieke aanspraken werden met welzijnszorg afgekocht. DE VERZUILING ligt intussen grotendeels achter ons. Wat de politieke organisatie van verschil betreft staat Nederland nu op een kruispunt. De 'consociatie’ die verzuild Nederland vormde, ontwikkelt zich in de richting van een typische 'natiestaat’ als Frankrijk. Daarin beheerst een dominante groep het publieke leven; haar geschiedenis en cultuur heeft het primaat. In Frankrijk staan het onderwijs, en de symbolen en ceremoniën van het publieke leven sterk in het teken van deze dominante groep. Minderheden moeten zich voegen naar de dominante Franse cultuur of kiezen voor de marge. In Nederland is de laatste tijd een sterke druk ontstaan op minderheden om zich aan te passen aan 'de Nederlandse cultuur’. En in ruimer verband, mede onder invloed van Europa, is een debat ontstaan over het karakter van Nederland als natiestaat. Ook zijn er tekenen die erop wijzen dat Nederland zich ontwikkelt in de richting van een immigratie-samenleving zoals de VS. In zulke samenlevingen kunnen etnische en religieuze groepen alleen bestaan als vrijwillige associaties. De staat beschouwt haar burgers primair als individuen, niet als leden van groepen. Wat getolereerd moet worden, zijn individuele keuzen en geen collectieve identiteiten; mannen en vrouwen worden aangemoedigd elkaar als individuen te tolereren. Het Nederlandse minderhedenbeleid draagt op dit moment de sporen van de verschillende integratie-modellen die met deze politieke organisatievormen samenhangen. In het landelijke beleid heeft men afstand genomen van het oude beleid van integratie met behoud van identiteit. In plaats van integratie via bicultureel onderwijs en andere manieren om de culturele identiteit van minderheden te ondersteunen, ligt het accent nu op inburgeringsprojecten die zich vooral bezighouden met individuele nieuwkomers. Deze projecten zijn erop gericht nieuwkomers de Nederlandse samenleving en cultuur binnen te loodsen. Op plaatselijk niveau echter werkt nog steeds het oude model van integratie met behoud van identiteit door. In steden als Amsterdam en Maastricht wordt veel energie besteed aan het creëren van een draagvlak onder allochtonen door allochtone organisaties een plek te geven in de uitvoering van wat nog steeds welzijnsbeleid is. Wat dit betekent, is onlangs door Hans Werdmölder in de NRC beschreven: 'Inmiddels is een deel van de Marokkaanse generatie afhankelijk geworden van de Nederlandse en Marokkaanse welzijnsmarkt. Op haar beurt is de Amsterdamse overheid volledig ingepalmd en speelbal geworden van de Stedelijke Marokkaanse Raad (SMR), het officiële adviesorgaan. Ten overstaan van het Crisis Onderzoek Team, dat de rellen van april vorig jaar nader onderzocht, slaakte wethouder J. van der Aa de verzuchting: “De SMR staat als een groot scherm om je heen. Het is moeilijk om met andere organisaties in contact te komen.” Kennelijk zoekt de wethouder, zich nog steeds vastklampend aan het participatiemodel, de oplossing van de problemen in het contact met de organisaties.’ Werdmölder concludeert dat de verschillende overheden meer bezig zijn met legitimatie dan met succesvolle implementatie van hun beleid. En hij vraagt zich af of wat minder beleid misschien ook zou helpen. In ieder geval worden de Marokkaanse probleemgezinnen voor wie dit beleid werd ontworpen niet bereikt. Langzaam begint ook het besef door te breken dat Nederland een immigratieland geworden is, maar voorlopig beperkt de discussie hierover zich tot de problemen rond de opvang van asielzoekers. Als deze tendens doorzet, zal er minder ruimte zijn voor doelgroepenbeleid. Etnische en religieuze groepen kunnen dan alleen bestaan als vrijwillige associaties, en de nadruk zal meer komen te liggen op de integratie van individuen in de Nederlandse samenleving. In welke richting Nederland zich ook ontwikkelt - naar een natiestaat waarin vreemdelingen zich moeten voegen naar 'de’ Nederlandse cultuur, wat dat ook wezen mag, of naar een immigratieland waarin geen plaats is voor politieke erkenning van groepslidmaatschap - in beide gevallen komt het voor Nederland zo kenmerkende corporatisme steeds meer onder druk te staan. Het poldermodel mag dan succesvol zijn in sociaal-economische kwesties, maar corporatisme werkt minder goed ten aanzien van de integratie van vreemdelingen en minderheden in een samenleving die steeds pluriformer wordt. In zo'n samenleving is erkenning van identiteit alleen in die gevallen politiek relevant waarin mensen worden buitengesloten op grond van aspecten van hun identiteit, hun etnische of culturele achtergrond of hun gender of seksuele geaardheid. Dus (E.M. Forster parafraserend): tweewerf hoera voor tolerantie! Maar niet voor de 'culturalistische’ variant die leidt tot culturele assimilatie in één homogene cultuur of tot multiculturalisme waardoor - in Nederland althans - de klok wordt teruggezet. Zolang erkenning van (culturele) identiteit in het teken staat van politieke integratie, hoeft tolerantie geen tirannieke vormen aan te nemen. Alleen zo blijft er ruimte voor discussie over identiteit.