SCHAF KINDERJURY’S MAAR AF

Hurken in plaats van reiken

Er wordt te veel waarde gehecht aan de boekbekroningen van de Kinder- en Jonge jury. Auteurs en uitgeverijen ruiken geld en kopiëren veelvuldig succesformules. En het literatuuronderwijs is verworden tot les in behoud van leesplezier. Moet je kinderen wel laten jureren?

‘Kinderen lezen kritiekloos en hun smaak is nog niet ontwikkeld. Ze lezen uit behoefte naar bepaalde emoties. Op verschillende leeftijden zijn de emoties anders. Iedere schrijver die dóór heeft welke emoties dat zijn, kan een bevredigend kinderboek schrijven, slecht, lelijk en inhoudsloos, maar bevredigend. En iedere uitgever, die inziet dat het bevredigend is, kan het boek uitgeven. Zo werkt het commerciële hand in hand met goedkoop talent en onontwikkelde smaak van de jeugd. Wat is ertegen te doen?’

Annie M.G. Schmidt, die deze woorden schreef, wist het wel: ‘U en ik en wij allemaal kunnen ons gaan bemoeien met de lectuur van onze kinderen’, antwoordde zij kloek in haar essay Van Schuitje varen tot Van Schendel. ‘Wij kunnen met hen samen zoeken. We kunnen met hen samen kiezen en kopen. We kunnen hen voorlezen en vertellen.’

Maar dat was in 1954. Vóór de culturele revolutie van de jaren zestig en zeventig. Vóór het tijdperk van de antiautoritaire opvoeding en de alles-moet-kunnen-en-dus-mag-alles-gelezen-worden-mentaliteit. Toen er nog sprake was van sturing en gezag. Toen er nog voorvechters waren van het literaire vooruitgangsgeloof. Toen literatuuronderwijs nog bedoeld was om leerlingen te verheffen (tegenwoordig uit den boze). Toen ouderen zich nog gewoon met de jeugd mochten bemoeien en kinderen nog gewoon een onontwikkelde smaak hadden.

Maar is er wat te doen tegen het tussen uitgevers, auteurs en smaak ontberende kinderen gesloten commerciële duivelspact anno 2007? Het antiautoritaire opvoedingsideaal (volwassenen moeten kinderen serieus nemen, respecteren en hun rechten erkennen) is verworden tot een gelijkheidsideaal dat zó dwangmatig democratisch burgerschap, eigen verantwoordelijkheid, zelfstandigheid en mondigheid van de jeugd bepleit dat voorbij wordt gegaan aan de noodzaak van sturing en kennisoverdracht om dat doel te bereiken. Gevolg is dat niet alleen het gezinsleven, maar ook het (literatuur)onderwijs afhankelijk is gemaakt van de nog beperkte levenservaring en daaruit voortkomende wensen van jongeren en kinderen.

Ze hebben bijna overal inspraak in en krijgen – onder meer dankzij de (multi)media waarin alles en iedereen voortdurend hun mening peilt – veel ruimte om van alles en nog wat te vinden. Zomaar. Vaak zonder inhoudelijke volwassen tegenspraak. Want, wordt er onder het mom van recht op vrijheid van meningsuiting gezegd, een mening is persoonlijk. En zo hebben volwassenen zich van hun plicht ontdaan kinderen te vertellen wat ze óók zouden kunnen of eigenlijk zouden moeten vinden (en lezen) en waarom. Veel ouders en leerkrachten ‘hurken’ in plaats van dat ze kinderen laten ‘reiken’: het is de mening van de jeugd die zich anno 2007 van de macht bedient, waardoor de hele maatschappij – het onderwijs voorop – infantiliseert.

Lesboeken zijn ten koste van overzichtelijk gestructureerde informatiebronnen opgeleukt tot kleurige, fleurige prentenboeken. Werkwoorden heten in het basisonderwijs tegenwoordig ‘doewoorden’ en voorzetsels ‘kastwoorden’ – niet te verwarren met kastdeuren, -laden en -planken – die je in, op, voor, onder en achter de kast plaatst. En literatuuronderwijs heeft plaatsgemaakt voor les in behoud van leesplezier.

Laatstgenoemde komt (onder meer) doordat er veel te veel waarde wordt gehecht aan de waardeloze boekbekroningen van de Nederlandse Kinder- en Jonge jury, die respectievelijk in 1988 en 1998 vanuit de Stichting cpnb (Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek) van start gingen. Doel was en is tegenwicht te bieden aan de soms wat pretentieuze literaire bekroningen van de volwassen Griffeljury door zo veel mogelijk kinderen (6 tot en met 12) en jongeren (13 tot en met 16) kennis te laten nemen van nieuwe kinder- en adolescentenboeken en hen aan te zetten tot meer én kritisch lezen zodat een eigen boekmening ontwikkeld wordt.

Prachtig: er wordt door volwassen vakjury’s té weinig rekening gehouden met de literaire mogelijkheden van kinderen, de bekroonde boeken schieten hun doel voorbij en dus (hurkgedrag) mag het kind van zich laten horen. En dat doet het dan ook. Natuurlijk. Massaal omarmen ze publieksfavorieten als Carry Slee, Francine Oomen, Paul van Loon en recentelijk Maren Stoffels. Stuk voor stuk auteurs van toegankelijke, voorspelbare en vaak taalarme boeken die helemaal niets met kritisch lezen en het ontwikkelen van een eigen mening te maken hebben, maar alles met het gemakkelijk bevredigen van kinderemoties zoals door Schmidt geformuleerd. Prima dat kinderen op een bepaalde leeftijd dat soort boeken lezen. En helemaal prima is het dat die boeken ook een leesbevorderende functie hebben en zelfs niet-lezers aan het lezen krijgen. Maar daarmee is alles gezegd en voldoende aandacht aan deze triviaalliteratuur gegeven.

Goed beschouwd zijn de prijzen van de Nederlandse Kinderjury en Jonge jury dus een soort publieksprijzen. En publieksprijzen zijn in onze ‘moderne’ 21ste eeuw waarin iedereen vindt dat hij iets te zeggen heeft nauwelijks nog weg te denken. Toch is dat geen argument om de twee jeugdjury’s te handhaven. Wanneer je de discrepantie tussen het leesbevorderend én lees_verdiepend_ doel van de jury’s en hun bekroonde resultaten beschouwt, is het zelfs helemaal geen gek idee om de Kinder- en Jonge jury af te schaffen.

Nu werkt de Kinderjury zo dat alle Nederlandse kinderen van zes tot en met twaalf jaar mogen stemmen op hun favoriete boek voor het eerst verschenen in het voorafgaande jaar. Een lijst van 25 leestips, waarvan de meeste waardeloos, is alles wat er aan sturende volwassen invloed is. Vervolgens kiest een senaat van twaalf kinderen (pas sinds 2006 ingesteld) uit de boeken die tot dan de meeste stemmen hebben gekregen. Doel van de nieuwe senaat is kinderen meer bewust te maken van beoordelingscriteria zodat ze tot een afgewogen oordeel komen.

De Jonge jury kent geen senaat. Alle jongeren mogen stemmen en bepalen samen wie de winnaar is. Om ze op weg te helpen rouleert een lijst van vijftien kerntitels – een aardige mix van slecht tot ruim voldoende – waartoe ze zich (natuurlijk) niet hoeven te beperken. Voor eventuele ‘oordeelsvorming’ is het voortgezet onderwijs verantwoordelijk.

Maar wat behelzen dat hele jureren en die meningsvorming wanneer het aanbod van boeken en de keus daaruit zó vrijblijvend en willekeurig is? En wat heb je eraan om kinderen bewust te maken van beoordelingscriteria wanneer er tijdens de eerste stemronde nauwelijks tot geen leesbegeleiding van deskundigen is waardoor goede boeken niet op de senaatstafel terechtkomen en dus geen kans hebben?

Niets. Die beoogde ‘oordeelsvorming’ is schijn zolang je kinderen en jongeren – en daar laat het onderwijs verstek gaan – niet verplicht ook kennis te nemen van al die goede kinder- en jeugdromans die veelvuldig verschijnen (vanzelfsprekend onder bezielende begeleiding).

Dus schaf ze inderdaad maar af, die jeugdjury’s. Ze leiden tot publieksprijzen die suggereren meer te zijn dan ze zijn. Daardoor is hun invloed te groot. Auteurs en uitgeverijen ruiken geld (begrijpelijk) en kopiëren veelvuldig succesformules. En binnen het onderwijs is te veel begrip voor het schijnbaar bewust zelfgekozen leesplezier van de jeugd. Slee, Oomen, Maren Stoffels… ‘Ze’ mogen van heel wat juffen en meesters allemaal ‘gewoon’ (op school) gelezen worden uit angst dat leerlingen anders hun leesplezier verliezen.

Niet dat we terug moeten naar orde, tucht en alleen de verplichte klassieke canon. Leesplezier is uiteindelijk van onschatbare waarde. Daar begint het immers mee: de reis van Schuitje varen naar Van Schendel, de reis van Paul van Loon en Carrie Slee naar Tonke Dragt, Toon Tellegen en Multatuli. Maar laten we onze 21ste-eeuwse jeugd alsjeblieft toch zo serieus nemen dat we ze wél op reis sturen. En laten we er dan op toezien dat ze die reis kunnen volbrengen door ze met de goede uitrusting op pad te laten gaan: passend bij de leeftijd. Niet te zwaar. Maar zeker ook niet te licht. Zodat ze leren doorzetten.

Onderwijzers en docenten Nederlands en moderne talen moeten de jonge reizigers vervolgens gidsen. Niet door ze voortdurend te vragen naar hun mening over een boek – want veel meer variatie dan saai, spannend, grappig en ik-leef-zo-lekker-mee-met-de-hoofdpersoon kennen ze niet – maar door ze gevoel voor kwaliteit bij te brengen en ze zo inzicht te geven in wat literatuur is en kan doen. Met jezelf en de samenleving. Wijs ze in het literaire landschap op de kracht van poëzie. Wijs ze op dubbelzinnigheid. Op speels taalgebruik in een bepaalde passage. Op de levensechtheid van sommige personages. Op een oorspronkelijk begin en een verrassend einde. Op humor. En allesomvattende spanning. En laat ze daarna voorzichtig kennismaken met literatuur uit heden en verleden.

Als literatuuronderwijs in Nederland in deze vorm (nog) zou bestaan, zouden jeugdjury’s best bestaansrecht kunnen hebben. Mits de jury’s zich compromisloos zouden richten op leesverdieping en het verbeteren van de leescultuur en het leesklimaat. En mits ze georganiseerd zouden zijn als bij onze zuiderburen. Voor de Vlaamse Kinder- en Jeugdjury kiezen kinderen in leesgroepjes, onder begeleiding van volwassenen, hun favoriete boek uit een vooraf opgestelde nominatielijst. En de Gouden Uil Prijs van de Jonge Lezer wordt toegekend aan een van de boeken van de door de volwassen vakjury samengestelde shortlist.

Daar begrijpen ze dat je kinderen en jongeren eerst een referentiekader moet bieden alvorens ze naar hun mening te vragen. Daar begrijpen ze dat een beetje sturing geen kwaad kan. Daar begrijpen ze de woorden van Annie M.G. Schmidt beter dan hier: ‘U en ik en wij allemaal kunnen ons gaan bemoeien met de lectuur van onze kinderen.’ Wat let ons? Laten wij inderdaad, volwassenen, ouders en docenten, kinderen weer ónze mening geven en minder naar die van hen luisteren.