Hurkwiskunde

Hans Magnus Enzensberger, De telduivel. Vertaald door Piet Meeuse, uitg. De Bezige Bij, 242 blz., 39,90 ..LE Hans Magnus Enzensberger, cultuurfilosoof en goeroe van de linkse intelligentsia uit de jaren zeventig, schreef een kinderboek over wiskunde, met als satanische titel De telduivel. Boeken over voetbal, Mondriaan, de Industri‰le Revolutie of de uitstervende sabeltandtijger, allemaal belanden ze op mijn bureau, zolang ze tenminste voor kinderen bedoeld zijn. Als kinderboekenrecensent leer je om elk onderwerp als het jouwe te beschouwen. Toch moet ik vaststellen dat het ontzag voor de auteur en meer nog voor zijn onderwerp mij hier parten speelt, ondanks de bemoedigende ondertitel Een hoofdkussenboek voor iedereen die bang voor wiskunde is.

Het boek ziet er schitterend uit dank zij de geestige en verhelderende tekeningen van Rotraut Susanne Berner. Naast deze uitnodigende plaatjesstortvloed bedacht Enzensberger ter opvrolijking van de geleerde inhoud een verhaaltje dat die naam nauwelijks verdient. De stof is in twaalf hoofdstukken verdeeld, waaronder priemgetallen, decimaal stelsel, kwadrateren, worteltrekken, driehoeksgetallen, oneindigheid en beroemde wiskundigen. Met onverhulde gemakzucht voert de auteur een jongen op die twaalf nachten lang mathematische nachtmerries heeft. Overdag is hij dan ook het type mens dat grote afkeer vertoont van probleemstellingen als ‘Wanneer twee bakkers in zes uur 444 krakelingen bakken, hoe lang hebben vijf bakkers dan nodig om 88 krakelingen te bakken?’
Terugkerend droompersonage is de telduivel, 'een tamelijk oud en klein heertje, ongeveer zo groot als een sprinkhaan’. Hij is afkomstig uit het getallenparadijs - voor velen de getallenhel - waar hij maar een onbetekenende bolleboos is. De 'echte chefs’ zitten in kamertjes formules te mompelen en hebben wel wat beters te doen dan leerlingen te bezoeken. De telduivel daarentegen is een gedreven docent. Wat hij in opdracht van zijn schepper vooral uitdraagt is de fascinatie voor de schoonheid van wiskundige formules en reeksen. Onvermoeibaar weet hij verrassende patronen, regelmaat en orde zichtbaar te maken. Dat vormt ook de grond voor zijn bezetenheid: 'In het gewone leven lukt er nooit iets, maar in de wiskunde lukt alles.’ En uiteindelijk gaat het niet om alle spectaculaire trucjes van de wiskunde, maar om de regels die erachter schuil gaan, om de bewijzen.
De zwakte van het boek is het hoge 'opa vertelt’-gehalte en de daarmee samenhangende graad van oubolligheid. De alwetende volwassene die een leergierig kind bij de hand neemt, is al zo oud als het informatieve kinderboek. Oom Jan leerde zijn neefje schaken en dammen en de ongrijpbare Albert Knox voerde Sofie door de wereld van de filosofie. Dus vooruit: een telduivel. Maar waarom moet er steeds worden vastgesteld dat je 'je moeder nu eenmaal niet alles uit kunt leggen’ en vooral: waarom moeten namen en begrippen vertaald worden op hurkniveau? Kwadrateren heet huppen, worteltrekken radijstrekken en Bertrand Russell is Lord Raadsel geworden, terwijl de bij ons vroeger als Piet Hazegras bekend staande Pythagoras zijn eigen naam mocht houden. Hier ligt het zoveelste bewijs dat zelfs de grootste geesten het verschil tussen kinderachtig en kinderlijk uit het oog verliezen wanneer zij zich bewust tot jonge lezers richten.