Hutkoffer met dubbele bodems

Voor het eerst verschijnt een bundeling vertellingen van de Amerikaanse schrijfster Edith Wharton in het Nederlands. Een daad van literaire rechtvaardigheid. En nee, Wharton schreef niet alleen over de rijken van New York.

Medium romeinse koorts

Op 26 oktober 1900 schreef Henry James (1843-1916) aan zijn collega en bewonderaarster Edith Wharton (1862-1937) een brief vol aanbevelingen. Hij spoorde haar aan het rijke Amerikaanse leven te bestuderen dat haar rond Fifth Avenue in New York omgaf. Ze moest er, zo formuleerde hij het, op afgaan en erin opgaan omdat het een onontgonnen terrein zou zijn. Twee jaar later, vlak voordat ze elkaar daadwerkelijk ontmoetten, deed James er nog een schepje bovenop. Het ‘Amerikaanse Thema’ was overal om Wharton heen. Ze mocht er niet aan voorbijgaan. En ondanks een paar verontschuldigende woorden over zijn bemoeizucht kwam hij er nog een keer nadrukkelijk op terug, omdat zij immers op de eerste rij zat: ‘All the same DO NEW YORK!’ Tegen anderen merkte James enigszins jaloers op dat die steenrijke en ‘verwende prinses’ niet echt tot de kern, ‘the real thing’ van het leven, zou kunnen doordringen.

Maar Edith Wharton schreef al vanaf haar debuut over New York. Daar had ze James’ advies niet voor nodig. Langzaam maar zeker kwam Wharton onder de grote slagschaduw van James vandaan en veroverde ze, zeker na de Tweede Wereldoorlog en nog meer na de feministische jaren zeventig, een zeer eigen plek in de Amerikaanse literatuurgeschiedenis. In 1890 debuteerde ze met ‘Mrs. Manstey’s View’, het verhaal waarmee de beroemde bundel The New York Stories of Edith Wharton opent, een mooie uitgave uit 2007 van The New York Review of Books. De oude mevrouw Manstey, die leeft van het uitzicht uit haar raam, wordt het slachtoffer van de New Yorkse, naar de hemel gerichte bouwzucht, die haar uitzicht dreigt te belemmeren: ‘Mrs. Manstey was een kunstenaar; onder alle omstandigheden was ze gevoelig voor de vele kleurveranderingen die het gewone oog ontging…’

In 1892 rondde ze Bunner Sisters af, maar die novelle – over twee zussen met een naaiatelier in het arme deel van New York die het slachtoffer worden van een opiumverslaafde – verscheen pas in het sterfjaar van Henry James, in Xingu and Other Stories. En ook haar debuutbundel The Greater Inclination (1899) richt zich deels op de negentiende-eeuwse New Yorkers die niets anders hoefden te doen dan te teren op hun gigantische vermogen. Wharton, geboren als Jones, wist alles af van de puissant rijken in Manhattan, met hun imposante landhuizen buiten de stad, want ze hoorde er vanaf 1882 zelf bij dankzij een paar erfenissen die samen meer dan 150.000 dollar bedroegen (vertaald naar nu vele miljoenen). Ze reisde naar Europa en Noord-Afrika, ze kocht huizen in Amerika en bij Parijs, ze publiceerde over mode en interieurs en trouwde met de aardige en behoorlijk gestoorde losbol ‘Teddy’ Wharton, die ze pas in 1913 definitief van zich af durfde te schudden toen onder andere bleek dat hij een halve ton van haar vermogen had verduisterd. De bekendste Wharton-roman is haar bestseller The House of Mirth (1905) en de societysatire The Age of Innocence (1920, Pulitzer Prize 1921).

Deze inleiding op het grandioze werk van Edith Wharton schrijf ik omdat die ontbreekt in de verhalenbloemlezing Romeinse koorts. Daarin zijn zonder enige inhoudelijke verantwoording twaalf verhalen van Wharton bijeengebracht. Maar waar The New York Stories of Edith Wharton heel bewust afsluit met de late vertelling ‘Romeinse koorts’, opent Romeinse koorts ermee. De volgorde van de verhalen in deze bundel trekt zich niets aan van de publicatiechronologie. Een uitleg ontbreekt, ook van de verhalenkeuze (is die van de vertaalster?).

Niet dat die keuze dubieus is, hoewel ik me afvraag waarom een luchtig en enigszins triviaal verhaal over een onnozele damesleesclub in de bundel is terechtgekomen – en ook nog als slotvertelling – en niet bijvoorbeeld ‘A Cup of Cold Water’. Die vertelling weerspiegelt namelijk een belangrijk en steeds terugkerend Wharton-thema, dat ik zou willen omschrijven als: uit iets kwaads kan wel degelijk iets goeds voortkomen. In dit geval gaat het over een New Yorkse bankbediende die geld uit de kas heeft ‘geleend’ dat hij niet kan terugbetalen: de lening wordt diefstal en hij zit in een morele val. Vlak voordat hij ter verantwoording wordt geroepen betrekt hij voor één nacht een goedkoop hotel omdat hij de stad wil ontvluchten. Daar weet hij bij toeval een jonge vrouw, die er door familie- en huwelijksproblemen nog erger aan toe is dan hij, te weerhouden van zelfmoord, waarna hij zijn eigen leven heel anders beziet en relativeert. Dan is weglopen geen alternatief. ‘Steunde niet alle moraliteit op een conventie? De strengste zedenleer was niet meer dan een hutkoffer met een reeks dubbele bodems.’

Dat betekent niet dat Romeinse koorts een gemiste kans is. Feit is dat voor het eerst een bundeling Wharton-vertellingen in het Nederlands verschijnt. Dat is hoe dan ook een literaire gebeurtenis. Romeinse koorts concentreert zich op drie facetten van Whartons veelzijdige schrijverschap: haar horrorverhalen, haar exotische woestijnvertellingen (in Marokko en elders) maar bovenal haar New Yorkse societyverhalen vol strenge gedragsregels die botsen op onderhuids verlangen.

Whartons islam-versus-christendom-verhaal ‘De kiem van het geloof’ (1919) lijkt aanvankelijk een tobbende vertelling te worden over christelijke zendelingen die geen oog hebben voor de Marokkaanse islamiet en diens geloof, maar gaandeweg blijkt dat Wharton als een ware visionaire schrijfster de in de koran gedesinteresseerde blanke zendeling te kijk zet. Islamieten zijn geen heidenen en het zieltjes winnen is een potsierlijke vertoning, een zinloze bezigheid. De islamiet is geen ‘onwetende arme ziel, bijna een dier’. En wat weten de Amerikaanse baptisten ‘nu eigenlijk van deze mensen, van hun voorouders, de oorsprong van hun geloof en bijgeloof, de betekenis van hun gebruiken, manies en bezweringen?’ De zoektocht naar de Marokkaanse ziel eindigt onherroepelijk in belediging en vernietiging.

Het spookverhaal ‘Allerzielen’ doet in de verte denken aan James’ fameuze ‘The Turn of the Screw’, en ook wel aan Brontë’s gothic novel Jane Eyre. In deze vertelling – de laatste die ze schreef – dwaalt een oude, aan haar voet gewonde vrouw moeizaam en moederziel alleen door haar grote landhuis. De bedienden zijn opeens weggegaan en dat moet te maken hebben met de plotseling bij haar huis opgedoken onbekende vrouw. Beleeft de oude vrouw een koortsdroom of is het ‘echt’ wat ze meemaakt als ze door de vele kamers van haar landhuis schuifelt? Iemand of iets wil haar van de buitenwereld afsluiten, maar waarom? De doden lijken het even voor het zeggen te hebben, waarna de levenden weer terugkeren.

Wat Whartons personages écht denken, wordt zelden uitgesproken. Vrij? Gebonden!

Dood en leven spelen ook een hoofdrol in de verhalen waar Wharton het meest bekend om is, over de New Yorkers die een zogenaamd keurig cultureel en ethisch netjes randje hebben, maar waaronder steevast de wellust woekert en de hypocrisie huishoudt. Een vrouw zou dan wel vrij moeten zijn, zoals de jurist en steenrijke snob Newland Archer (niet toevallig met dezelfde achternaam als Isabelle Archer in James’ The Portrait of a Lady) in The Age of Innocence beweert, maar dat blijkt een vrijblijvende opmerking als hij zelf verliefd wordt op een vrouw die zojuist uit Europa is weggevlucht vanwege haar problematische man. Moet ze gaan scheiden, zoals ze zelf wil? Nee, zegt Archer, die zijn eigen theorie over de vrijheid van vrouwen niet trouw is. Hij kiest uiteindelijk voor een burgerlijk huwelijk met een ander. Wat Whartons personages écht denken, wordt zelden uitgesproken. Vrij? Gebonden! Onafhankelijkheid is juist een gevaar. De pretentie eerlijk en onschuldig te zijn – dé houding van de New Yorkse society in het fin de siècle van de negentiende eeuw – levert louter eenzaamheid op.

In het verhaal ‘Atrofie’ beseft de pas gescheiden vrouw Nora Frenway, reizend door Europa met haar nieuwe minnaar (een schrijver), dat het onzin was dat ‘de strenge ouderwetse normen hadden plaatsgemaakt voor tolerantie, nonchalance en spontaniteit!’ Ze voelt zich nog steeds ingedamd en gevangen, ondanks het feit dat ze van haar man weg is. In het hotel verzwijgt ze dat de schrijver niet haar man maar haar minnaar is. Die gevangenschap in huwelijk, moraal, familie, dwingende etiquette en strenge gedragsregels is de symbolische en onzichtbare plek waar Wharton steeds weer naar terugkeert.

Medium roedith wharton in the mount library 1905

In ‘Autre temps…’ (andere tijden, andere zeden?) beseft een oudere Amerikaanse, die tientallen jaren in Italië heeft gewoond, dat ze terzijde wordt geschoven, door haar eigen dochter, niet zomaar, maar door een botsing van belangen. De vrije Amerikaanse zeden? ‘Wij gewone stervelingen zitten allemaal gevangen, uiteraard, wij zijn geen vrije geesten. Maar we hebben ons aan onze verschillende cellen aangepast, en als we dan ineens naar onze nieuwe cellen worden overgebracht is de kans groot dat we een stenen muur aantreffen waar we niets dan lucht hadden verwacht, en dat we ons hiertegen te pletter lopen.’ En veel Wharton-personages lopen dan ook te pletter omdat ze niet tegen de maatschappelijke terreur en de sociale dwang kunnen en daarom de weg van de minste weerstand (Newland Archer in The Age of Innocence) kiezen en ontrouw aan zichzelf blijven.

De twee oudere rijke dames in een Romeins hotel, allebei weduwe, die in ‘Romeinse koorts’ al breiend hun twee dochters uitzwaaien die met een paar Italianen naar het Colosseum gaan, lijken zich te hebben neergelegd bij de leegheid van hun bestaan. Maar hun deels gedeelde verleden ligt op de loer in deze hommage aan Henry James’ novelle Daisy Miller, geschreven in 1878. Zonder de verrassende plot te verklappen kan ik wel zeggen dat Daisy Millers sterven aan de Romeinse koorts (een soort malaria), na een flirt met een Italiaan in het tochtige en vochtige Colosseum, in Whartons verhaal een extra lading krijgt: de koorts in haar verhaal heeft alles te maken met een oude erotische aantrekkingskracht die alle conventies tartte. De dochters van beide vrouwen zijn niet wie ze lijken, de moeders hebben een hopeloos vertekend beeld van de zeden in hun eigen verleden. Betekende Rome voor elke Amerikaanse generatie iets anders? ‘Voor onze moeders was het Romeinse koorts, voor onze moeders waren het liefdesperikelen – zo streng als we altijd in de gaten werden gehouden! – en voor onze dochters is het er niet gevaarlijker dan de gemiddelde winkelstraat.’ Aan het slot van ‘Romeinse koorts’ worden deze woorden in één kort zinnetje geloochenstraft.

In ‘De tragiek van de muze’ (Romeinse koorts) geeft Wharton indirect commentaar op de Magie van het Schrijverschap en de door grenzeloze bewondering ontstane biografische verdwazing: het leven van de auteur op een voetstuk gezet ten nadele van zijn literatuur. Liever leven en letteren wat meer gescheiden houden, wil Wharton zeggen, net als The Tragic Muse-auteur James in zijn Aspern Papers (1886). Want was dat leven wel het echte leven of was er sprake van verdoezeling, mythologisering, vervalsing? Was de muze de muze wel echt? Of schiep de schrijver op papier een muze die in het echte leven een heel ander bestaan leidde en tot wie een heel andere verhouding bestond?

De muze in ‘De tragiek van de muze’ brengt een essayist – die met haar, de muze van de schrijver die hij bewondert, wil trouwen – de beginselen bij van de problematische verhouding tussen leven en letteren. Gingen de Laura-sonnetten van Petrarca over de ‘echte’ Laura of over een hevig verbeelde jongedame? De vraag die ze aan de essayist stelt luidt: ‘Maar is u dan op geen enkel moment opgevallen dat ik u nooit lastigval met zinloze feitjes over hem?’ Het antwoord dat ze op haar eigen vraag geeft is ontluisterend voor de man die zoveel sonnetten op en over haar, de Vrouw, heeft geschreven.

Ondanks de paar bedenkingen bij de wijze waarop Romeinse koorts is uitgegeven, zie ik de publicatie ervan als daad van literaire rechtvaardigheid. Deze bundel nuanceert ook het wat eenzijdige beeld dat we in Nederland hebben van Edith Wharton. Ze schreef niet alleen over de steenrijken, en ze was veel meer dan een verwende prinses die blind bleef voor de kern van het bestaan. In de Eerste Wereldoorlog werd ze zelfs een Florence Nightingale. Het wordt tijd dat een uitgever zich waagt aan een heruitgave, in één band, van haar allermooiste werk – Ethan Frome, Summer en Bunner Sisters – zodat iedereen kan lezen dat zij geen tweederangs Henry James is, maar een eersterangs Amerikaanse schrijfster.


_

Medium romeinse koorts

_

_ Edith Wharton -_ Romeinse koorts_. Van Oorschot, 315 blz., € 22,50. Vertaald door Lisette Graswinckel_


Beeld: Dood en leven spelen een hoofdrol in de verhalen van Edith Wharton, 1905 (Kevin Sprague/Edith Wharton’s Home).