De ‘paus van Amsterdam’ © Instituut voor Beeld en Geluid / ANP

‘Wat hebt u toch met mijn kerk gedaan, u hebt er een Oosterhuis van gemaakt’, zo zou paus Paulus VI de opperherder van de Nederlandse katholieken, kardinaal Alfrink, eind jaren zestig hebben voorgehouden. Het is een van de vele treffende anekdotes over de op Eerste Paasdag overleden voorganger, lieddichter en geloofsbevrijder Huub Oosterhuis. De paus zou in wanhoop hebben gesproken. Want de gelovigen uit de eens meest gezagsgetrouwe kerkprovincie, waarover een eerdere paus sprak als Bon Hollandais, waren compleet van de oude God, zijn roomse kerk en zijn prelaten losgeraakt. En daarvoor hield Rome één man, een voormalig priester nog wel, verantwoordelijk: Huub Oosterhuis.

Wie met de ogen van de paus naar Oosterhuis en de gebeurtenissen in de kerk van toen kijkt, kan niet anders dan concluderen dat de breuk met het oude nergens zo spectaculair was als in de gemeenschap van voorheen oppassende roomse gelovigen (in de politiek liepen alle opstanden met een sisser af, terwijl in de Nederlandse kerk de hiërarchie volledig ondermijnd werd). Onder aanvoering van een elite werd een Revolution von oben doorgevoerd, die met de roep om afschaffing van het celibaat en de instelling van een priesterhuwelijk zelfs de cover van gerenommeerde Amerikaanse bladen haalde. Het zou het begin van het einde blijken van het geloof als volks verschijnsel in Nederland, dat nog enkele tientallen jaren voortleefde in een nieuwe jas – die van de ‘wij zijn de kerk’-gemeenschap van gelovigen onder elkaar, om daarna als een nachtkaars uit te gaan.

De rol van Oosterhuis, ook wel de paus van Amsterdam genoemd, in de voorhoedebeweging is evident. Van ooit braaf zevenjarig priestertje met speelgoedaltaar veranderde hij in een activistische ‘ziener’. Geboren in 1933 groeide hij op in de hoogtijdagen van het roomse instituut. God was de kerk en de kerk was het ritueel en de onverbiddelijke regel. Zijn gewone Amsterdamse ouders hadden die kerk lief, maar leden er ook onder. Vooral zijn moeder. Ze had drie ‘weesjes van God’, oftewel vroegtijdig gestorven ongedoopte kinderen ter wereld gebracht die volgens de strenge leer voor eeuwig ergens tussen hemel en hel wegkwijnden. ‘Ik heb goed nieuws voor je, de kinderen zijn in de hemel’, zei toen nog priesterstudent Huub tegen zijn over de verloren zieltjes ijlende moeder vlak voor een zware operatie.

Van zevenjarig priestertje veranderde hij in een activistische ‘ziener’

Het is een sleutelmoment om te begrijpen wat Oosterhuis bewoog. Magie en macht waren twee handen op de ene roomse buik. De betovering moest verbroken, omwille van de bevrijding en het geluk van de gelovigen. De onttovering van de roomse sprookjeswereld vol schaduwkanten werd zijn programma. Vandaar de meer dan zevenhonderd Nederlandse liedteksten, de nieuwe gebeden, de eigen kerk, de zogeheten studentenecclesia, en vandaar misschien ook wel het huwelijk met Josefien, een verpleegster en koorlid uit de studentenekklesia, want het knellende roomse juk moest ook op persoonlijk vlak worden afgeworpen. De hiërarchische mis werd gedemocratiseerd en heette voortaan ‘dienst van het woord’. In plaats van het Latijnse abracadabra kwam zijn geloofstaal over de ‘onkenbare ene’. De catechismusles werd vervangen door een centrum (de Rode Hoed) ‘waar mensen worden verhelderd’, en er kwam een zogenoemd leerhuis, een eigen religieus vormingscentrum.

De vraag is wanneer Oosterhuis’ twijfel aan het instituut begonnen is. Zelf wees hij verscheidene keren op de gebeurtenis die nooit meer uit zijn geheugen verdween. Als jongetje zag hij tegenover zijn huis tijdens een razzia in 1943 hele joodse families opgepakt en weggesleept worden. Het deed iets, verklaarde hij achteraf, met zijn mensbeeld. Maar het moet ook iets gedaan hebben met zijn beeld van de kerk, waar tot diep in de jaren zestig werd gebeden voor vergiffenis voor de zondige joodse Christus-moordenaars en waar gehoorzaamheid tot hoogste kwaliteit was gepromoveerd. De ontvankelijkheid voor het tekort van het instituut moet bij die gebeurtenis ontstaan zijn. God, door de oude kerk nadrukkelijk boven en buiten de aarde geplaatst, moest naar de aarde, niet als albestierder, maar als steun en toeverlaat en als innerlijk kompas van zijn ronddolende gelovigen. Ze moesten, met behulp van een humane God, zelf denkende en als het even kon enigszins gewetensvolle mensen worden.

Zijn verwijdering van de kerk, door hem een ‘bitterzoet afscheid’ genoemd, moet hem moeite hebben gekost. In pak, met zwart of wit overhemd, hield hij ook altijd iets van een pastoor, wat werd versterkt door zijn gezichtsuitdrukking die het tegemoetkomende begrip uitstraalde dat de priester van vroeger eigen was en dat ook het grote weten uitdroeg dat een herder nou eenmaal voor had op zijn kudde. Tekenend voor het gevoel van geborgenheid dat de kerk van vroeger hem moet hebben geschonken, is dat hij ooit zei op zijn uitvaart het Latijnse In Paradisum te willen horen. Want een troostender tekst was er niet.

In de ogen van Oosterhuis verliet hij ook niet zozeer de kerk, maar de kerk hem. Door vast te houden aan het oude liet het instituut hem, de zaakwaarnemer van het nieuwe geloof, en daarmee de gelovigen in de steek. Zijn persoonlijke dekolonisatie van kerk, instituut en hiërarchisch apparaat werd het model voor de laatste groep gelovigen in ons land. De bevrijding bleek uiteindelijk een naspel van de geschiedenis van de katholieke kerk in Nederland. Want na de dekolonisatie was er niets meer, behalve de liedjes van Huub Oosterhuis, die hier en daar nog gezonden worden, terwijl de laatste leegstaande kerken een voor een worden gesloopt.