Hybris de angst van de koetsier

Thomas Hurlimann, De satellietstad. Vertaling Gerda Meijerink, Uitgeverij De Geus, 155 blz., f34,90
Op een dag werd de Zwitserse auteur Thomas Hurlimann (1950) uitgenodigd bij een deftige dame die met de schrijver over het leven en de kunst wou discussieren. Het gaat er allemaal heel netjes en discreet aan toe, tot op het moment dat een merkwaardige metamorfose plaatsvindt: de voorname dame laat zich plompverloren in een televisiefauteuil vallen en zapt zo voortvarend door de kanalen dat het de schrijver de adem beneemt.

Hurlimann ervaart dit ‘als een programmahutspot die (…) als onleesbare boodschap uit de verte van het komende millennium de oude salon binnengeflakkerd kwam. Zo ontstond het idee voor een nieuw stuk. Het moest in goed onderhouden tuinen beginnen en zich dan verheffen tot het beeldgestamel van onze zaptijd, zogezegd een vlucht uit de dramaturgie van de negentiende naar die van de eenentwintigste eeuw.’ Maar zo'n theaterstuk brengt Hurlimann niet tot stand, al blijft de schrijver zich afvragen op welke manier hij de kapotgezapte werkelijkheid literair kan uitbeelden. Uiteindelijk schrijft hij voor een aantal Zwitserse kranten en weekbladen korte verhaaltjes: 'Ik schreef losse stukjes, vloog onbevangen van thema naar thema, en opeens kreeg ik het inzicht dat al die splinters toch een geheel konden opleveren.’
Het resultaat mag er zijn. De verhalen uit De satellietstad bewijzen dat Thomas Hurlimanns prachtige novelle Het tuinhuis (uitgeverij De Geus, 1991) geen eendagsvlieg is geweest. Doorgaans zijn die soms heel korte verhalen die de schrijver in De satellietstad heeft gebundeld wrang, komisch en ontluisterend.
Vanuit het perspectief van de verteller, een Einzelganger, is de mens in de postindustriele samenleving een meelijwekkend wezen, dat zijn verbondenheid met het universum heeft opgegeven voor de artificiele wereld van de 'verkabeling’. Het is een wereld van in elkaar verstrengelde snoeren: 'Iedereen is een koetsier, en het zapding is zijn teugel, en de verre stations in het heelal waaraan onze slaapsatelliet hangt, trekken ons snel en steeds maar sneller de ruimte in, naar de kleurrijke afgronden van de nacht.’ De schrijver noemt zich in dit verband een 'Verhangnis-onderzoeker’, iemand die speurt naar de onvoorspelbare en gevaarlijke krachten die de moderne mens uit zijn blikveld en zijn gevoelswereld heeft verbannen: 'Het woord “Verhangnis” (noodlot) stamt uit vroege tijden en heeft te maken met de angst van de koetsier voor het op hol slaan van zijn gespan. Stormt het de afgrond tegemoet, dan trekt het de koets mee die achter de paarden hangt.’
Ondanks het fragmentarische van de verhalen die Hurlimann ons presenteert, vertonen ze toch een grote samenhang, zodat elementen die in het ene verhaal buiten het bereik van een duidelijke interpretatie lijken te liggen, in de context van een ander verhaal bijna helemaal worden opgehelderd.
Daardoor lijkt het of deze verhalen organisch in elkaar groeien, ze krijgen iets cyclisch, als manen in hun verschillende kwartieren. Het zou me niet verbazen als dit de bedoeling van de schrijver was, want De satellietstad gaat toch in de eerste plaats over het verlies van de vertrouwenwekkende cyclische tijd, die door de hollende digitale tijd is uitgebannen: 'Ik wees met mijn hoofd naar de draaiende grammofoonplaat en merkte op dat de industrie probeerde om deze schoonste aller melancholietekens, de grammofoonplaat, de wereld uit te helpen en door digitale rotzooi, die de schijf in het verborgene liet draaien, te vervangen.’
Neem nu de oude Ludi, de eeuwige slaper uit het langere verhaal 'De satellietstad’: hij heeft het landschap gekend dat inmiddels met het beton van de slaapstad is volgestort. Schijnbaar is Ludi de grote afwezige in dit verhaal dat wordt beheerst door supermarkten, automerken en digitale klokken, want in de pizzeria die de stamgasten frequenteren brengt Ludi zijn tijd slapend door. We kunnen alleen maar vermoeden dat die slaap een grotere kwaliteit heeft dan het doorwaakte leven dat door de mensen in de satellietstad wordt geleid. De slaap als een vorm van weerstand en verzet?
Daarop krijgen we een duidelijker antwoord in het essayachtige miniverhaal 'Nachtmonoloog van een paar’. Het betreft een korte cultuurhistorische schets waarin wordt verteld op welke manier de mens er in zijn verwaandheid in geslaagd meent te zijn de duistere krachten uit zijn bestaan te bannen, onder meer door zich als de kroon van de schepping op te werpen. Een poging die als een illusie wordt ontmaskerd: 'Tegen de ochtend werd ik wakker. Ik bekeek het slapende gezicht van mijn geliefde. Het had iets doms, iets week naiefs. Geen wonder, ze droomde, en dromen zijn de laatste fenomenen. Als meteoren storten ze uit het heelal neer om in onze zielen met kosmische kracht en intelligentie in te slaan. Zo demonstreert het droombeeld ons de oeroude orde in al zijn hevigheid. Wij goden, wij dieren, wij dingen - zegt het - wij staan boven jullie mensen.’
Hurlimanns verhalen gaan kortom over de hybris van de mens, die in de waan verkeert dat hij de noodlotselementen heeft bedwongen, maar wiens groteske hulpeloosheid aan het daglicht treedt zodra dat noodlot toeslaat. Met bijtende spot beschrijft Hurlimann het jubeljaar van het eedgenootschap. Een trein met alleen maar restauratiewagens raast door het Zwitserse landschap, en de feestwijn stroomt rijkelijk voor de notabelen die op een gegeven ogenblik moeten vaststellen dat de restauratiewagens geen toilet hebben. Het loopt helemaal uit de hand, tot iemand het initiatief neemt om de trein tot stilstand te brengen: 'Alle deuren vlogen open en de vooraanstaande heren en dames van het land tuimelden in feestkleding uit de wagons.
Een lerares van een brugklas, die met haar leerlingen de voorbijrijdende extra trein had willen toejuichen, wist niet wat ze zag. De dames renden in galop naar de toiletten, terwijl alle mannen over de losse steenslag struikelend het taluud afstormden. De brugklaslerares kneep in haar wang. Toen gaf ze de kinderen de opdracht het volkslied te zingen, maar wel met gesloten ogen.’