Hygienisch woningtoezicht

‘VROEGER HEETTEN we Volkslogementen. Dat was zo'n veertig, vijftig jaar geleden. We controleerden woningen op wandluizen. De dienst kreeg ook veel klachten over stank en vervuiling. Dat is alleen maar toegenomen. Normvervaging, denk ik dan. Dus van lieverlede zijn wij van Hygi‰nisch Woningtoezicht ontstaan. Toen ik net begon kwam ik veel bij oudjes die heel sober en arm leefden, niet echt vervuild. Maar ze zaten wÇl onder de vlooien. Dan stuurden we de wijkzuster om ze te wassen.

Onze dienst werkt eigenlijk voor de omwonenden. We ontvangen klachten uit de buurt en dan gaan we erop af. We checken ongeveer zeshonderd klachten in heel Amsterdam. Dat levert zo'n veertig gedwongen ontruimingen op. Negentig procent van de telefoontjes komt van mensen die klagen over stankoverlast. Maar ook de politie, huisartsen en de woningbouwverenigingen roepen onze hulp in. Vooral ’s zomers is het druk. Hoe warmer, hoe meer stank. Dan gaat het broeien. En er komt meer ongedierte, meer vliegen.’
‘ALS DE POLITIE me belt, zeggen ze: “Henk, die woning stinkt zo verschrikkelijk, die moet effe geplenterd worden.” Da’s van m'n achternaam, Plenter. Ze weten precies wie ik ben, de dienders. Laatst, toen de koningin hier was, stonden een stuk of twaalf agenten in gala-uniform te wachten bij het Amstel Hotel. Ik rij langs in mijn busje, knijpen ze alle twaalf tegelijk hun neus dicht.
Het is echt een kick als je binnenkomt terwijl iemand je eigenlijk niet binnen wil hebben. Van die ouwe wijfies die staan te gluren achter de gordijnen. Soms heb ik hele conversaties door de deur heen. Laten ze me dan n¢g niet binnen, tsja, dan komt het breekijzer eraan te pas. Maar meestal lukt het met praten.
Vaak zie je het al aan de buitenkant. Plastic zakken voor de ramen, gore gordijnen. Ik zou niet weten wat ik op het gebied van vervuiling nog niet heb meegemaakt. Tachtig kuub vuil uit een woning halen, het is normaal voor me geworden. Een enkele keer denk ik: hoe krijgen ze het voor elkaar? Zo'n bende, zo'n stank. Pannen vol met stront.
Ik ben niet zo formeel. Als ik binnenkom is het meestal van: Hai. Ik ben van de GGD. Hoe maakt u het? Tijdje niet opgeruimd, hŠ. En dan langzaam maar zeker komen de ellendige verhalen. Ik heb ze zo'n beetje gescheiden in verschillende categorie‰n. Drank, drugs, gestoorden en dierenliefhebbers.
Een tijd geleden iemand in de Bijlmer. Die had slangen. Voerde hij met ratten. Die hield-ie op het balkon, hokken vol. De rattenpis liep langs de muren naar beneden. En een stank… Die sloeg je op de gang al tegemoet. Veertig katten op een appartement, zestien herdershonden in een driekamerwoning. Grote gekkigheid.’
'IK KWAM EEN keer bij een gestoorde vrouw, zwaar vervuild. Die zat piano te spelen onder de douche. Werd direct opgenomen. Soms denk je dat ze enigszins voor rede vatbaar zijn, totdat ze in herhalingen vervallen. Zeggen ze twintig keer hetzelfde. Dan kun je weer van voren af aan beginnen. Gister had ik er een die steeds de schuld legde bij de woningbouwvereniging. En ik maar roepen dat die er niets aan kan doen dat zijn wc vol met stront zit. Niet doorheen te breken.
Als ik merk dat iemand psychische hulp nodig heeft, dan geef ik dat door. Iedereen wordt hulp aangeboden, maar hoe iemand daarmee omgaat bepaalt hij zelf. Veel mensen vallen in herhaling. Komen ze terug op hun opgefriste woninkje, moet ik na een paar maanden alweer opdraven. Het wordt echt een probleem als iemand die hulp weigert een gevaar voor zijn omgeving is. Verleden week nog eentje: de ene gaspit vol aan, de andere ook, maar die brandde niet. We hadden het geluk dat de deur open stond toen we aankwamen. Die persoon is een poosje bij de psychiater achter het luikje gegaan. Dat kon Çcht niet meer.
Recidiviste met stip was een oud vrouwtje dat haar woning telkens weer volstouwde met ouwe troep. “Ik moet wel”, zei ze steeds. “Ik heb een winkeltje, ik moet spulletjes verkopen.” Ze verkocht natuurlijk niets en was zwaar psychiatrisch pati‰nt. Maar ze had iets vertederends. Steeds opnieuw wond ze de hulpverleners om haar vinger. Ik heb haar zeven keer ontruimd en ik ben haar op vijf verschillende adressen tegengekomen.
Ik help mensen graag, maar vaak word je in de maling genomen. Junks en alcoholisten zeggen altijd dat ze van de middelen zullen afblijven en hun leven gaan beteren. Maar meestal kom ik ze later weer tegen. Vervuild als nooit tevoren. Het zal best moeilijk zijn, dat afkicken, maar ik heb er geen zin in om dat soort mensen constant achterna te zitten. Gelukkig zijn daar experts voor. Ieder zijn pakkie-an. Wij regelen de troep, de psychiaters gaan over de mensen.
Soms komt het goed. Ooit kwam ik bij een alcoholist, d¡e was smerig. Tijdens de schoonmaak hoorde je af en toe het geluid van de schoonmaakjongens die stonden over te geven. Die man heeft de hulp aangepakt. Hij was mishandeld, aan de drank geraakt en in de rotzooi terechtgekomen. Nu ziet hij zijn familie weer. Het gaat hartstikke goed met hem. Schitterend!
Er zijn dingen die je niet meer vergeet. Ooit hadden we een oud vrouwtje zo ver gekregen dat ze zich liet verzorgen en in een bejaardenhuis ging wonen. Gaat ze daar na een week al dood! Dat vond ik ontzettend cynisch. Telkens weer vroeg ik me af: Zou ze het hebben opgegeven omdat ze niet meer in haar eigen vuil kon leven?’
'ER ZIJN MEER mensen dan je denkt die kiezen voor de eenzaamheid. Als zo iemand dan dood wordt gevonden, zegt iedereen: “Waarom zocht niemand hem eens op?” Maar vaak doen ze de deur niet open als iemand aanbelt. Vereenzaming ligt lang niet altijd aan de samenleving. Vaak zit het hem in die mensen zÇlf. Ze kiezen ervoor. Meestal vindt de politie ze. Soms bellen ze ons op als het voor hen te smerig is. Vaak zijn ze dan al weken dood. Af en toe vinden we zelf een dode als we een stankklachtje checken. In de dertig jaar dat ik hier werk, heb ik zeker meer dan honderd lijken aangetroffen. Ik lig er niet wakker van. Niet dat ik er onverschillig onder blijf, maar niemand schiet er wat mee op als je die ellende mee naar huis neemt. Je hebt er alleen jezelf mee.
Je eerste dode vergeet je niet. Dat was een oud mannetje. Hartaanval gekregen toen hij naar bed wilde gaan. Dun pyjamaa*…amatje…tje aan. Hij was al een beetje gemummificeerd. Hij zat op zijn bed stijf voor zich uit te kijken. Het heeft weken geduurd voordat hij werd gevonden.
De politie belt zo nu en dan bij een zelfmoord of een moord. Vaak komt de familie dan naar de plek toe. Vragen ze mij of ik het een beetje toonbaar kan maken. Dan halen we met zijn allen het lichaam weg en ik zorg voor de ruimte. Ik ben wel eens bij iemand geweest die zichzelf voor de kop had geschoten. Met zo'n geweer met afgezaagde loop, in een heel klein kamertje. Overal botsplinters. Vreselijk. Maar als je er niet tegen kunt, moet je wat anders gaan doen. In ons werk kun je hier nu eenmaal niet omheen.
Ik heb wel beschermende kleding. Maar ik krijg altijd op m'n sodemieter omdat ik die niet veel gebruik. In de Bijlmer viel ik een beetje door de mand. Daar was ik met een collega bij een dode man. Zijn huis was ÇÇn grote bende. We konden onze kont niet keren. Die man moest uit het pand weg, maar ik had even geen handschoenen bij me. Toen zag ik een paar ouwe sokken van mijnheer liggen. Dus die draai ik om zijn enkels als bescherming. Staat mijn maat me met grote ogen aan te kijken. Die h†d het niet meer. “Pakt-ie een paar gore sokken. Vuile viezerik!” Maar zeg nou eerlijk, zou jij voor zo'n klus helemaal vanaf de negende verdieping teruggaan naar de parkeergarage om je handschoenen uit de auto te halen?’
'SOMMIGEN DENKEN dat ik niet goed bij mijn hoofd ben als ik zeg dat ik mijn werk met plezier doe. Ik kan er niets aan doen, maar ik vind het Çcht leuk. Ik hou wel van een beetje sensatie. En die gorigheid trekt me wel, moet ik eerlijk zeggen. We komen in aanraking met situaties waar andere mensen niet eens over durven na te denken. Dat is heel apart.
Elke keer is het weer een avontuur. Wat zou er achter die deur zitten? Wat tref je aan achter die gordijnen, waar die stank vandaan komt? Een mooie vervuiling? Een lijk? Spannend, man. En je bent met mensen bezig, hŠ. Da’s altijd boeiend. Maar het mooiste is dat je steeds denkt: nu heb ik het ergste wel gehad, en dat het dan nog vÇÇl smeriger blijkt te kunnen. Ik denk nooit: jezus, wat stinkt dat, laat maar zitten. Ik m¢et weten wat daar ligt. Vreemde afwijking. Best handig in mijn geval.’