Tacitus

Hypocriete schoften

Wie gelooft in de vooruitgang moet de boeken van Tacitus niet lezen. In een onderkoelde stijl en met vlijmscherp cynisme vertelt hij de verschrikkelijke geschiedenis van misdadige machthebbers.

Tacitus, Het leven van Agricola: De Germanen

Vertaald door Vincent Hunink, uitg. Athenaeum-Polak & Van Gennep, 108 blz., ƒ40,-

Tacitus, Claudius en Nero: Annalen XI-XVI

Vertaald, ingeleid en van aantekeningen voorzien door M.A. Wes, uitg. Voltaire, 350 blz., ƒ79,-

Veel meer dan loos gesputter horen we nog niet, maar het zal niet lang meer duren tot onze natie wordt verscheurd door de vraag of de vader van Máxima voor de koninklijke bruiloft van zijn dochter moet worden uitgenodigd. Is iemand die onder een dictatoriaal bewind probeert er het beste van te maken per definitie een schurk? In dat geval dient de helft van het Argentijnse volk voortaan uit ons politiek correcte vaderland geweerd te worden. Maar Zorreguieta was niet zomaar iemand: hij maakte carrière onder Videla, hetgeen hem geen windeieren legde, en dacht er niet over zich van de tirannie te distantiëren. Fout dus? Of mogen de Argentijnen blij zijn dat zich onder de machthebbers ook integere figuren bevonden die door hun positie in staat waren het dagelijks leven van de burgers aangenamer te maken?

Het zijn vragen als deze waarvan de Romeinse historiograaf Tacitus wakker lag. Geboren tijdens het bewind van Nero, maakte hij glansrijk carrière onder keizer Domitianus (81-96), een door en door misdadige vorst die de dood van talloze senatoren op zijn geweten had. Toen Tacitus twee jaar na de moord op Domitianus met schrijven begon, was hij nog lang niet met zijn geweten in het reine. Hij besloot zijn frustraties van zich af te schrijven in een compact boekje over zijn in het jaar 93 overleden schoonvader Agricola. Het is, zoals Vincent Hunink in zijn inleiding bij de vertaling uitlegt, een hybride werk, omdat het zowel de lofprijzing van een dierbare overledene als een geschiedkundig werk is, waarin hoogst persoonlijke passages worden afgewisseld door beschrijvingen van veldslagen en etnografische uitweidingen

Na een geruisloze loopbaan onder Nero en Vespasianus werd Agricola in 78 gouverneur van Brittannië, een zeer eervolle functie, vooral omdat een groot deel van het eiland nog niet was onderworpen. Het was dus niet meer dan vanzelfsprekend — Tacitus laat daarover geen twijfel bestaan — dat Agricola zou proberen ook de rest van de Britse barbaren op de knieën te dwingen. De Romeinse veldheer weet wat zijn plicht is en gaat voortvarend aan het werk. «Persoonlijk koos hij plaatsen uit voor een kamp, persoonlijk verkende hij delta’s en wouden, en tegelijk liet hij de vijand nergens met rust: telkens plotselinge plunderacties. Zodra de schrik er dan goed in zat , toonde hij weer genade en daarmee de aantrekkelijke kanten van de vrede.» Wanneer tijdens het laatste jaar van zijn mandaat zijn zoontje overlijdt, draagt hij zijn lot «niet opzichtig onaangedaan zoals dappere mannen zo vaak doen, en evenmin met gejammer en getreur van een vrouw. Voor zijn verdriet was oorlog een remedie.»

Terug in Rome deed Agricola er alles aan om zo min mogelijk op te vallen, omdat keizer Domitianus jaloers was op zijn roem. Hij toonde «geen koppigheid, geen ijdel vertoon van onafhankelijkheid, waarmee hij roem én doem over zich zou kunnen afroepen. Laat dit duidelijk zijn voor de bewonderaars van verboden daden», zegt Tacitus, «zelfs onder slechte keizers kunnen grote mannen leven. Met gehoorzaamheid en bescheidenheid, mits gepaard aan ijver en energie, kan men tot grote hoogte stijgen, evengoed als de velen die de gevaren hebben opgezocht en bekend zijn geworden door een opzienbarende dood: een gebaar zonder nut voor de gemeenschap.» In 93 sterft hij, 53 jaar oud, onder nooit opgehelderde omstandigheden.

In het jaar waarin Tacitus zijn biografische schets publiceerde, schreef hij ook een curieus en vrij slecht boek over de Germanen, een verzamelnaam voor allerlei stammen waarvan hij hoegenaamd niets wist. Wat er in die luttele pagina’s over de Chatten, Friezen, Quaden en Zweden wordt uitgekraamd, is weliswaar vermakelijk maar allemaal onjuist. Het werk is echter tekenend voor de ambivalentie waarmee Tacitus zijn eigen cultuur bezag. Natuurlijk zijn Germanen barbaren, en daarom dom en minderwaardig. Daar staat echter tegenover dat ze nog niet aangetast zijn door luxe en decadentie, zoals het Rome waarin Tacitus leefde. De Germanen zijn eerlijk en dapper, maar drinken in vredestijd te veel bier en zien er geen been in tijdens het dobbelen hun vrouwen, ja zelfs hun vrijheid op het spel te zetten. «Wanneer men niet in oorlog is verwikkeld, brengt men de tijd door met een beetje jagen en vooral met nietsdoen. Men geeft zich dan over aan slapen en eten. Juist de dapperste en oorlogszuchtigste mannen voeren niets uit. De zorg voor huis, huisgoden en akkers laten ze over aan vrouwen, ouderen en zwakkeren uit de familie. Zelf hangen ze maar wat rond — een opmerkelijke tegenstrijdigheid van karakter: dezelfde mannen houden van luieren én haten rust.»

Tacitus’ laatste en misschien nooit voltooide werk is bekend geworden onder de titel Annalen. Van de eerste zes boeken, waarin de regering van Tiberius wordt beschreven, is vorig jaar de vertaling van Marinus Wes verschenen. De boeken VII tot en met X zijn verloren gegaan. Wes heeft nu ook de laatste zes boeken (XI-xvi) vertaald. Waar de tekst begint zitten we ongeveer halverwege het bewind van Claudius, de drankzuchtige stotteraar die vooral door de boeken van Robert Graves — en de verfilming daarvan — de lievelingskeizer van velen is geworden. Niet van Tacitus zelf, want in zijn ogen was Claudius al net zo'n doortrapte schurk als Tiberius, met dit verschil dat hij ook nog lui was en onder de plak van zijn seksueel agressieve vrouwen zat. In het jaar 54 wordt Claudius door zijn vierde echtgenote, zijn nichtje Agrippina, vergiftigd, waarna — aan het eind van boek XII — haar zoon Nero, zeventien jaar oud, de troon bestijgt.

Wat dan volgt, vormt het weergaloze hoogtepunt van de Romeinse historiografie. In een vreemde, onderkoelde stijl en met vlijmscherp cynisme vertelt Tacitus het verschrikkelijke verhaal van Nero’s opkomst en verwording. In deze geschiedenis komen alleen nog maar hypocriete schoften voor, niemand, maar dan ook niemand laat het achterste van zijn tong zien, zelfs de meest beschaafde filosoof is bereid over lijken te gaan, desnoods dat van hemzelf. Tacitus lijkt alle vertrouwen in de mensheid verloren te hebben. Wie gelooft in de vooruitgang moet dit boek maar niet lezen.

Letterlijk huiveringwekkend is het verhaal over de zieke verhouding tussen Nero en zijn ongeveer twintig jaar oudere moeder. Wanneer Agrippina bemerkt dat ze de greep op haar zoon verliest, probeert ze hem eerst te intimideren door te dreigen Nero’s stiefbroer Britannicus op de troon te zetten, waarop Nero de onschuldige veertienjarige jongen laat vergiftigen. Agrippina gooit het over een andere boeg en doet pogingen haar zoon te verleiden. Een van Tacitus’ bronnen beweert dat Agrippina «er zelfs niet voor teruggedeinsd is om zich bij herhaling midden op de dag, tegen de tijd dat Nero verhit begon te raken van de wijn en het eten, volledig opgemaakt en tot incest bereid aan hem in zijn beschonken toestand aan te bieden, en toen mensen in hun naaste omgeving rapporteerden dat ze hem wellustig zoende en dat haar vrijages erop wezen dat het ergste te gebeuren stond, zou Seneca tegen haar vrouwelijke verleidingskunsten de hulp ingeroepen hebben van een andere vrouw». Nero wordt erop gewezen dat dit echt niet kan. Hij besluit zijn moeder om het leven te brengen

Het relaas van de moord op Agrippina is zo weerzinwekkend dat het bijna hilarisch wordt. Nero laat een cruiseschip bouwen dat met een paar eenvoudige handelingen tot zinken gebracht kan worden en nodigt zijn moeder voor een boottochtje uit. De aanslag mislukt doordat de constructie kennelijk nogal knullig is uitgevoerd, bovendien is het een prachtige, windstille nacht, zodat Agrippina rustig naar het strand kan zwemmen. Ze beseft dat haar zoon het brein achter de schipbreuk is en stuurt hem een bode om hem mee te delen «dat ze dankzij de welwillendheid van de goden en zijn goede gesternte was ontsnapt aan een ernstig ongeluk en dat ze hem verzocht, hoe ontdaan hij ook mocht zijn over het gevaar waarin zijn moeder had verkeerd, haar voorlopig niet op te zoeken: voor het ogenblik had ze rust nodig». Nero begrijpt dat Agrippina begrijpt hoe de vork in de steel zit. Drie zware jongens krijgen de opdracht haar alsnog dood te slaan.

Alleen al deze eerste tien bladzijden van het veertiende boek zijn sterk genoeg om onmiddellijke aankoop van de vertaling van Wes te rechtvaardigen. Aardige lectuur om ons voor te bereiden op het huwelijk van onze toekomstige vorst.