Ach Europa (4)

Hypocriete strijd

Op het Luxemburgplein voor het Europees Parlement in Brussel staat een metershoge afbeelding van een fort met daaronder de tekst: ‘How open should our borders be?’ Het is onderdeel van een EU-campagne om te gaan stemmen bij de aanstaande parlementsverkiezingen. Wat vooral opvallend is aan deze campagnetekst over de externe EU-grenzen is de term open. Want in de realiteit zijn de externe EU-grenzen juist steeds verder gesloten. In minder dan tien jaar tijd is aan de buitengrenzen van de EU-27 een welhaast militair landschap ontstaan van hoge grenshekken, bewapende patrouilleboten en biometrische controles op luchthavens. De grenswachten worden geïnstrueerd om te waken voor de komst van ongewenste reizigers. En om te bepalen wie (on)gewenst is, werkt de EU met een positieve en een negatieve lijst. Mensen geboren in de landen van de negatieve lijst – reizigers uit armere Afrikaanse en Zuid-Amerikaanse landen en moslimlanden, dat wil zeggen: bijna driekwart van de wereld – zijn zonder visum niet welkom tenzij via een economische uitzonderingsregel of als erkend asielzoeker.
De goeddeels gesloten grenzen gaan tegelijkertijd gepaard met een zoektocht naar economisch ‘waardevolle’ mensen, voor wie een EU-variant van de Amerikaanse Green Card is geconstrueerd: een Blue Card. Als de EU al te duiden is, dan is het eerder een gated community dan een fort. Zij die geboren zijn in landen met de verkeerde God en/of een zwakke munt zijn in principe niet welkom. Daarmee wordt aan de grens van de EU gediscrimineerd op afkomst, wat in de meeste lidstaten grondwettelijk verboden is.
Het is gissen waarom dit abjecte waardebepalingsysteem van mensen, deze mondiale apartheid, is geconstrueerd. Ook is niet duidelijk hoe landen op de negatieve lijst terechtkomen en hoe ze daar af kunnen geraken. Het gevolg is dat voor veel mensen op de negatieve lijst de asielprocedure het enige legale kanaal is om in de EU te komen, waardoor deze volledig overbelast is geraakt. De Europese lidstaten produceren als in een vicieuze cirkel hun eigen problematiek. Bij niet afnemende mondiale migratie betekent een verkleining van legale migratiemogelijkheden namelijk een toename van de als illegaal gecategoriseerde migratie en daarmee van de subhumane, buitenwettelijke onderwereld. Dit leidt dan vaak weer tot meer vrees, discriminatie en een retoriek van last en overlast, wat weer resulteert in verdere repressie en versmalling van de legale migratiekanalen. En zo wordt in stand gehouden waartegen juist bescherming wordt gezocht: vrees, controleverlies en illegaliteit.
De buitengrens van de EU is inmiddels letterlijk een deadline geworden. In hun pogingen om toch binnen te komen zijn er sinds de invoering van het strenge grensregime waarschijnlijk acht- tot negenduizend mensen gestorven. Des te gruwelijker is dat de sterfgevallen en de migrantengevangenissen impliciet worden gezien als collateral damage van de noodzakelijk geachte ‘strijd’ tegen ‘illegalen’. De EU voert volgens sommigen drie oorlogen: een War on Terror, een War on Drugs en een War on Illegal Migrants.
Het is een hypocriete strijd gevoed door valse vrees. Of zoals J.M. Coetzee in zijn wonderschone roman Wachten op de barbaren schrijft: ‘Toon me een barbarenleger en ik zal ze geloven.’ Eerder al schreef de Griekse dichter Kavafis (1904) in een gedicht met dezelfde titel over een vermeende invasie van barbaren. Hij sloot veelbetekenend af met: ‘And what shall become of us without any barbarians. Those people where a kind of solution to us.’ Onwelkom dus, maar noodzakelijk. Er zijn dan ook geen onschuldige partijen in de constructie van halfwettelijke en buitenwettelijke migranten. De overheid die definieert wat illegaliteit is; de extreem-rechtse populisten die een zondebok maken van eldersgeborenen in tijden van beroering over nationale identiteit of economische crisis; de mensen die zonder de gewenste papieren grenzen oversteken; de consumenten die goedkope semi-legaal geproduceerde goederen kopen; de huishoudens en bedrijven die semi-legale arbeid inhuren – ze hebben allemaal een eigenbelang in het laten voortbestaan ervan.
Het alternatief, een liberaal grensbeleid, staat ondanks de economische vraag ernaar voor velen gelijk aan controleloosheid en anarchie. Achter die conclusie gaat de onterechte maakbaarheidsgedachte schuil dat het aanbod van en de vraag naar migranten door de overheid volledig op elkaar zouden kunnen worden afgestemd. Maar een overheid zou geen makelaar in mensen moeten zijn. Zeker niet als dat ook nog eens tot gevolg heeft dat de illegaliteit en ongelijkwaardigheid niet afnemen maar juist toenemen. Het campagnebord voor het Europees Parlement stelt kortom de verkeerde vraag. De vraag is niet hoe open onze grenzen moeten zijn, maar hoeveel geslotenheid nationaal verantwoord en mondiaal rechtvaardig is.
Henk van Houtum is verbonden aan het Nijmegen Centre for Border Research van de Radboud Universiteit Nijmegen