I am still alive

Eind juni overleed de Japanse kunstenaar On Kawara. Achtenveertig jaar lang maakte hij dagelijks een schilderij met daarop de datum van die dag, in witte letters tegen een monochrome achtergrond. Wanneer hij een schilderij niet vóór twaalf uur ’s nachts af kreeg, vernietigde hij het.

Zo verkregen die doeken een hoge graad van objectiviteit: ze gaan niet alleen over die ene datum, maar zíjn die ook. Misschien bestaat er geen helderder samenvatting van de gebeurtenissen op 9/11, de massamoord op Utoya, het eeuwig voortslepende geweld tussen de Israëlische regering en Hamas, dan de doeken van On Kawara.

Ik weet niet of Kawara een poging deed de voorttikkende tijd te vangen of juist probeerde zich ervan los te weken. Ook is het moeilijk te zeggen of zijn werk gezien moet worden als zingeving, of juist als een illustratie van volmaakte zinloosheid. Zeker is wel dat zijn discipline en volhardendheid – hij moet ruim 17.000 van zulke schilderijen hebben gemaakt – ontzagwekkend te noemen zijn.

Ik moest aan Kawara denken toen ik een paar weken geleden arriveerde bij een potdicht pakhuis aan het IJ. Op een houten bankje voor het gebouw zat een man met een te groot en wat verfrommeld Ralph Lauren-hemd en een Albert Heijn-tas. Omdat er buiten hem niemand anders was, en omdat hij zo’n beetje overeind kwam toen ik op hem af liep, begreep ik dat dit mijn interviewer was.

We hadden nog tien minuten voordat we de radiostudio in moesten, ergens boven in het verlaten gebouw, en dus bleven we buiten wat staan praten. De interviewer moest vreselijk vaak gapen en had de intrigerende gewoonte tijdens de tweede helft van zijn zinnen achterom te kijken, alsof daar iemand zat die ons in de gaten hield. Het gapen kwam, lichtte hij toe, doordat hij te laat in mijn boek was begonnen en het toch per se uit had willen lezen. ‘Ik hoorde dat niet alle interviewers dat doen’, zei hij, ‘het boek helemaal uit lezen.’ Ik zei dat het tot nu toe gelukkig wel het geval was geweest.

Eenmaal in de ether vond er een ongelooflijke transformatie plaats. De interviewer praatte geanimeerd in zijn microfoon, stelde interessante vragen en keek niet meer weg. Tijdens de plaatjes tussendoor vertelde hij over zijn werk als analist van hersenscans, een baan die interessant klonk maar verschrikkelijk saai was. Het liefst zou hij altijd radio maken, maar hij had een gezin te onderhouden, dus het was een hobby gebleven. De studio huurde hij zelf, stadsradio Amsterdam zond zijn programma wekelijks uit. De gasten vond hij meestal via Facebook en Twitter, en andere radioprogramma’s. Hij had Theo van Gogh nog eens in de studio gehad, een paar maanden voordat die werd neergestoken. Toen iemand eens niet was komen opdagen, had hij zichzelf geïnterviewd.

Na afloop vroeg ik hem of ons gesprek online terug te luisteren was. Hij haalde zijn schouders op. ‘Er is wel een link’, zei hij, ‘maar op de meeste computers werkt die niet.’ Hij gaf me een te vlugge en te stevige hand, stapte op een fiets met twee kinderzitjes, en verdween in het verkeer.

In de jaren zeventig verstuurde On Kawara met enige regelmaat telegrammen naar vrienden en collega’s over de hele wereld. ‘I AM STILL ALIVE’, stond erop, verder niets. Misschien hadden wij zojuist eenzelfde soort telegram de wereld in gestuurd, tegen beter weten in hopend zin te geven aan de chaos waaruit onze levens zijn opgebouwd.