Hoofdcommentaar

Bijles voor de natie

Ook in de war over uw identiteit, over uw Nederlanderschap? Zoekt u naar uw roots, uw familie of de betekenis van het inwoner zijn van de Lage Landen? Geen wonder, want u bent het zicht op de geschiedenis kwijt. U kunt uw Willems en uw Florissen niet meer uit elkaar houden. U weet bij God niet meer wat de Vrede van Rijswijk was of wie de Slag op de Doggersbank uitvochten, wat die Hoeken en Kabeljauwen bezighield, en al helemaal niet wie Van Lennep was, of Justus van Effen, of Elegast, of Karel.

De geletterde elite wil u nu graag helpen. De boekenweek hebben zij gewijd aan de geschiedenis, de Nederlandse geschiedenis, sommigen zeggen zelfs de vaderlandse geschiedenis. Her en der worden u handzame bijspijkerboekjes en mooi geïllustreerde koffietafelwerken aangereikt. Feiten worden in rijtjes geordend, veronachtzaamde boeken aan het stof ontrukt, nieuwe canons van onmisbare werken en gebeurtenissen voorgesteld.

«Wie kort geleden het woord ‹canon› in de mond nam, werd niet serieus genomen», aldus Paul Scheffer onlangs in een artikel onder de kop Ik wil een motie van treurnis indienen: Nederland lijdt aan een cultureel tekort. De geschiedenis, zegt Scheffer de VVD-parlementariër Ayaan Hirsi Ali na, moet ons helpen bij de actuele problemen die de aanwezigheid van de radicale islam in Nederland oproept. Scheffer bepleit daarom «een cultuuroverdracht in het onderwijs en de media die bijdraagt tot een zelfstandig en kritisch burgerschap».

Voilà, de geschiedenis als antwoord op uw identiteitsprobleem. Maar zo’n praktische toepassing is wel ahistorisch. De geschiedenis tovert namelijk antwoorden te voorschijn die door de tijd gekleurde vragen oproepen. Sociologen als Bourdieu en De Swaan waarschuwden er in anti-autoritaire tijden al voor: de elite is geneigd haar versie van de historie, haar canon als machtsmiddel tegenover de massa te gebruiken.

Die waarschuwing was niet aan dovemansoren gericht. Nederland kende de laatste 25 jaar een hardnekkige aversie tegen kennisoverdracht op basis van autoriteit. In het internettijdperk kreeg die nog eens een extra dimensie onder het motto: als je maar zoeken leert, kun je de feiten nog even overslaan. En helaas groeide met de aversie tegen de autoriteitsoverdracht ook een laconieke attitude, een lauwwarme ideologische salade van luiheid, middelmaat, desinteresse en weerzin tegen alles wat riekte naar «van boven opgelegd» en «indoctrinatie».

Die houding was een van de factoren waardoor de kennis van de Nederlandse cultuur op de scholen en daarbuiten drastisch erodeerde.

Geschiedenis en literatuur van de Nederlanden zijn ingedampt tot een soort smeltjus, een glanzend vals product dat naar believen over de aardappels en gehaktballen van het entertainment kan worden uitgegoten, maar dat geen enkele voedingswaarde bezit.

Daar ligt de kern van Scheffers zorg over het cultureel tekort: door het gebrek aan culturele vitamines en mineralen heeft het volk zijn weerstand tegen sociaal-maatschappelijke koortsaanvallen verloren.

Of het de moord op Theo Van Gogh in november had voorkomen, zullen we nooit weten, maar meer Nederlandse literatuur, meer geschiedenis op school en op tv, wie zal het niet onderschrijven? En een literaire canon is een bruikbaar instrument in een tijd waarin hoge en lage cultuur schijnbaar moeiteloos in elkaar overlopen, literatuur meer dan ooit ook handelswaar is geworden, het aanbod eindeloos stijgt en steeds beter beschikbaar wordt. Al die tijdsverschijnselen maken de behoefte aan hiërarchie in de omvangrijke verzameling kennis groot. Misschien is het een goed idee die luie pubervarkentjes van havo en vwo met hun Gameboys als vanouds vast te klinken aan Vijftig Boeken en De Graven van Holland.

Maar de vraag blijft of die herziene hiërarchie nuttig kan zijn voor het oplossen van een maatschappelijk identiteitsprobleem, en of de oplossingen die grasduinend in de geschiedenis omhoog worden gehaald ook de beste zijn. Hadden Karel ende Elegast Mohammed B. kunnen weerhouden van zijn daad?

De herintroductie van het eigen verleden en het met canons aanbrengen van hiërarchieën kunnen drie dingen betekenen. Als een canon de grootheden uit het verleden aan de vergetelheid ontrukt en de discussie over wat wel en niet waardevol is stimuleert: zoveel te beter. Als het goedwillende docenten een hart onder de riem kan steken in de strijd tegen kaalslag, oppervlakkigheid, lauwheid en nihilisme, dan verdient dat alle steun.

Maar pas als het debat over de inhoud van nieuwe canons de geletterde elite zo ver krijgt dat zij stopt met cultuurpessimistisch gemekker, met gebedel om een gesponsorde aalmoes uit Den Haag en met lijdzaam toekijken hoe politici de geschiedenis naar eigen goed dunken gebruiken – pas als zij een eigen discussie begint over welke culturele waarden wel en niet belangrijk zijn, dan wordt er misschien wel echt iets groots verricht.

Dan is de Nederlandse cultuurgeschiedenis geen praktisch middel voor maatschappelijke en politieke doeleinden. Dan draait het om, zoals het hoort. Dan worden de politieke doelen een afgeleide van de culturele waarden.

(Zie in Dichters & Denkers, pagina 37 en verder)