Illegaliteit: Niet terug, maar ook niet blijven

‘I can do nothing’

Een van de uitgeprocedeerde asielzoekers in de Vluchtkerk is Mohammed Ali Warsame. In Nederland lijkt zijn toekomst niet te liggen; zelfs zijn advocaten hebben de hoop opgegeven. Waarom vluchtte Mohammed Ali? En vooral: waarom gaat hij niet terug?

‘Ik open de deur, duw mijn tas naar binnen en ga zitten. Hij kijkt mij even aan door de achteruitkijkspiegel en start de motor. Hij groet mij niet. Zwijgend rijden we naar het vliegveld van de Keniaanse hoofdstad Nairobi, een rit van bijna een uur. Ik kijk naar zijn achterhoofd en realiseer me dat ik niets weet van hem weet, niet eens zijn naam. Kan ik hem wel vertrouwen? En hoeveel heb ik eigenlijk gekost? Mijn tante heeft hem betaald; niet uit eigen zak, maar van geld dat een oom in Ethiopië haar stuurde. Het bedrag dat we kregen voor de verkoop van onze boerderij was al op. Mijn moeder en broertje gebruikten alles voor hun vlucht, een maand geleden, die dertigduizend dollar kostte.

Op het vliegveld moet ik dicht bij hem blijven. Soms geeft hij een kort bevel, een snauw. Doe wat hij zegt en hou verder je mond, zei mijn tante. Als ik in zijn ogen kijk, weet ik dat ik ook maar beter geen vragen kan stellen. Hij zal tegen de dertig zijn, een korte, gespierde gestalte met een getrimd baardje en een snor. In het bijzijn van het personeel doet hij geforceerd amicaal. Acteert hij dat hij mijn vader is? Vlak voor de douane drukt hij me een vals paspoort in handen. Ik geef het aan de soldaat, die er een blik op werpt en gebaart dat ik door mag lopen.

Pas in het vliegtuig vertelt hij me waar we naartoe gaan. Nederland? Ik weet niks van Nederland, behalve dat een Somalische kennis me heeft verteld dat mijn moeder en broertje daar ook zouden zijn beland. Dat is op een vage manier geruststellend, al heb ik geen flauw idee hoe groot Nederland is en hoe ik, eenmaal daar, met hen in contact zou moeten komen. Het doet er nauwelijks toe. Nederland, dat is Europa. In het vliegtuig heb ik visioenen van een groen en paradijselijk continent. Ik denk aan de Amerikaanse films die ik in Nairobi zag. King Kong. Zo ongeveer moet Europa ook zijn: vol glimmende gebouwen, snelwegen en gelukkige mensen.’

Het is zes jaar later. Met een glimlach op zijn lippen laat Mohammed Ali Warsame, nu naar eigen zeggen 23 jaar oud, zijn geïmproviseerde bed zien in een van de gipsplaten kamertjes in de Vluchtkerk in Amsterdam-West. Hij heeft een gemiddeld postuur en een vriendelijke uitstraling. Een vlassig baardje bedekt zijn kaaklijn. Zijn donkerblauwe met dons gevoerde jas doet hij nooit uit, ook niet als hij zich in een warme kamer bevindt. Hij praat makkelijk – zijn Engels is uitstekend – maar tijdens de lange gesprekken waarin hij ons zijn verhaal vertelt, toont hij niet snel het achterste van zijn tong. Hij hoest. Het is koud en vochtig in deze betonnen kolos, waar ongeveer vijftig uitgeprocedeerde Somalische asielzoekers verblijven, samen met nog zo’n vijftig vluchtelingen uit andere Afrikaanse landen.

Toen hij in april 2007 aankwam in Nederland had hij niets om te laten zien aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (ind): de smokkelaar had hem, aldus Mohammed Ali, zijn paspoort en vliegticket afgepakt en hem op de trein naar Ter Apel gezet. Dat had hij niet moeten laten gebeuren. ‘Als je geen documenten kunt laten zien, wat bijna geen enkele vluchteling kan, sta je al één-nul achter’, zegt asieladvocate Thelma Pondaag, een autoriteit op dit gebied. Ze heeft al honderden asielzoekers met soortgelijke verhalen vertegenwoordigd. ‘Veel vluchtelingen komen uit landen zonder functionerende overheid. Maar het komt ook voor dat ze de documenten zelf weggooien. Als je geen papieren bij je hebt, geldt dat voor de ind als een officiële reden om je verhaal al bij voorbaat te wantrouwen.’ Bij de ind, zegt Pondaag, ben je schuldig tot je onschuld is bewezen.

‘Ik ben geboren op 6 mei 1989 in Mogadishu, waar mijn ouders een huis bezaten dat ze gebruikten als de oogst moest worden verkocht. Die oogst kwam van onze akkers in Goobweyn, een dorpje in het zuiden. Eens, op de terugweg van Mogadishu naar Goobweyn, werden we overvallen door milities van de Sa’d- en Air-stammen. Zij hoorden bij de Hawiye-clan, die begin jaren negentig in opstand kwam tegen het schrikbewind van de socialistische leider Siad Barre. Daarmee begon de chaos, de tijd van de krijgsheren, het bloedvergieten. Ik heb Somalië niet anders gekend.

De overvallers plaatsten ons in een werkkamp in de buurt van Afgoye, een stad niet ver van Mogadishu. Daar woonden duizenden mensen in hutten van plastic en riet. Het gebied was omheind met prikkeldraad. In de uitgestrekte zandheuvels daaromheen patrouilleerden mannen op witte pickups met mitrailleurs. Iedereen die oud genoeg was werd gedwongen om op het land te werken en de opbrengst af te staan. Zelf kregen we bijna niets. Ik was nog te klein om te werken. Ik herinner me de madrassa, de tent waar de leraar met een lange stok in het midden stond en waar we koranverzen uit ons hoofd moesten voordragen. Ik spijbelde vaak, ging liever voetballen. Er was één plek waar we nooit kwamen. Dat was de tent waar de martelingen plaatsvonden. Gruwelijke verhalen hoorde je daarover.

Mijn vader was al die tijd verdwenen. Op een dag, vlak voor we het kamp verlieten, stond hij opeens voor de deur. Hij bleef een tijdje – lang genoeg om mijn moeder zwanger te maken van mijn broertje Ahmed. Sindsdien heb ik hem nooit meer gezien. Toen ik negen was, kregen de Sa’d en de Air ruzie. Het hing al een tijd in de lucht en mijn moeder had zich voorbereid. Zodra het schieten in de verte begon, bond ze mij op haar rug en stuurde mijn oudere broer met wat huisraad vooruit. Zo zijn we ontsnapt. Langs het prikkeldraad, de open vlakte in. Uit angst kneep ik mijn ogen dicht.’

In Ter Apel krijgt Mohammed Ali direct zijn eerste verhoor. Twee dagen later volgt er nog een, nu uitgebreider. De ind vraagt naar allerlei feiten: zijn vluchtverhaal, waar hij vandaan komt, waarom hij vluchtte. Mohammed Ali’s antwoorden weten de ind niet te overtuigen. Enkele gegevens uit zijn verhaal blijken niet overeen te stemmen met wat zijn moeder een maand eerder heeft verteld. Zo verschilt zijn geboortedatum een jaar – zijn moeder zegt dat hij in 1988 is geboren.

Om te controleren of Mohammed Ali wel echt uit Zuid-Somalië komt, laat de ind een taalanalyse doen. Een linguïst van Bureau Land en Taal (blt) van de ind stuurt een opgenomen interview naar het bedrijf Sprakab in Zweden. Daar buigt een freelancer, een Somaliër die in het dossier bekend staat onder zijn code ‘exp 271’, zich over de tape. Deze man was vijftien toen hij Somalië verliet en is er sinds 1982 niet meer geweest. De conclusie van exp 271 is niettemin stellig: Mohammed Ali komt uit het noorden, ergens tussen Somalië, Ethiopië en het Franstalige Djibouti in, en zeker niet uit Mogadishu of daar ten zuiden van. Hij komt dus uit Somaliland, een gebied waar het veilig is. Als dat waar is, kan Mohammed Ali gewoon worden teruggestuurd.

Er is een mogelijkheid om een second opinion te laten doen, een zogenaamde contra-expertise (zie kader). Mohammed Ali’s advocaat stuurt de tape op naar het onafhankelijke bureau Taalstudio. Maar ook deze taalanalyse valt voor Mohammed Ali niet gunstig uit. Een man uit Djibouti, die jaren heeft rondgereisd in Somalië en in Parijs is gepromoveerd op Somalische dialecten, concludeert dat Mohammed Ali zeker niet uit Djibouti komt en waarschijnlijk uit het noorden van Somalië. Het zou mogelijk kunnen zijn dat Mohammed Ali uit Mogadishu komt maar dit is niet waarschijnlijk. Hij schrijft in zijn rapport: ‘Met uitzondering van één keer beantwoordt de asielzoeker de vragen constant in het Noord-Somalisch. Terwijl de vragen in het Zuid-Somalisch worden gesteld.’

De contra-expert heeft ook zo zijn twijfels bij Mohammed Ali’s verhaal. ‘Hij weet erg weinig over zijn vader en zijn afkomst. Is er een Somaliër die niet weet waar zijn clan vandaan komt? Zijn verhaal is vaag, hij lijkt onwillig om te praten, misschien omdat hij niet weet waarover hij spreekt. Hij zegt dat hij nooit naar de zee is geweest, terwijl Goobweyn aan de kust ligt.’ Volgens Mohammed Ali is hij verkeerd begrepen: ze gingen nooit zwémmen in de zee, had hij bedoeld te zeggen. Dat deden ze in de rivier.

‘In Goobweyn was ik gelukkig. Ik opende de gordijnen, zonlicht viel mijn kamer binnen. Vanuit mijn raam keek ik uit op glooiend land met akkertjes vol maïs en koren. We woonden aan de weg naar Kismayo, een stad tien kilometer verderop. Mijn moeder huurde mensen om op het land te werken. Een van hen had ooit in Amerika gewoond en was als een tweede vader voor me. Van hem heb ik Engels geleerd. Bij de bocht in de rivier was een strandje, waar ik ’s ochtends ging zwemmen. Stroomopwaarts hing een touwbrug naar de overkant. Men zei dat nog weer verder naar het noorden, voorbij de lus in de rivier, een krokodil zwom, maar die heb ik nooit gezien. Verderop naar het zuiden mondt de rivier de Jubba uit in de oceaan. Een magnifiek gezicht. Groen op blauw, de kleuren mengen niet. Ik nam een duik in de rivier, at een mango en liep weer terug naar huis. Zo begonnen mijn dagen.’

De advocaat besluit de contra-expertise niet op te sturen naar de rechter, omdat dit de zaak alleen maar kanslozer zou maken. Op 28 januari 2009 komt het vonnis: asielaanvraag afgewezen. Mohammed Ali legt zich er niet bij neer. Hij wil een andere advocaat, hij heeft het gevoel bedrogen te zijn. Er wordt een nieuwe advocaat aan hem toegewezen, van hetzelfde kantoor als de eerste, LEXX advocaten in Leeuwarden, maar een hoger beroep haalt niets uit. Op 5 augustus 2010 krijgt Mohammed Ali, die op dat moment in een azc in Dronten verblijft, te horen dat de afwijzing onherroepelijk is. Belangrijkste reden: zijn herkomst kan niet worden vastgesteld.

Na een kort verblijf in een azc in ’s Gravendeel trekt Mohammed Ali bij zijn moeder Xawoo Musse (44) en zijn broertje Ahmed (bijna achttien) in. Die krijgen, na een tijdelijke verblijfsvergunning, al bijna een permanente status. Ze wonen in Hoeksche Waard, waar zijn moeder als verpleegster in een verzorgingstehuis werkt. Mohammed Ali is de wanhoop nabij: waarom kregen zij wél een status, en hij niet? Is het een kwestie van domme pech? Of gelooft de ind gewoon niet dat zij familie zijn?

Om dat te bewijzen laat Mohammed Ali een dna-test doen bij Servicelabs in Helmond. Die stelt met 99,99 procent zekerheid vast dat hij inderdaad de zoon is van Xawoo Musse. Mohammed Ali doet een nieuwe aanvraag, maar zonder succes. Weliswaar wordt de dna-test als een novum geaccepteerd, een nieuw feit dat opzienbarend genoeg is om het dossier te heropenen, maar op andere gedachten brengt het de ind niet. Mohammed Ali’s verzoek is niet afgewezen omdat de familieband niet duidelijk is, zo laat de ind op 4 augustus 2011 weten, maar omdat zijn herkomst niet kan worden vastgesteld. Case closed.

‘Ik herinner me hoe we in Goobweyn hyena’s verjoegen door lange, buigzame takken als een zweep op de grond te laten knallen. Of hoe we ’s avonds een kring vormden en joelden terwijl de oudere jongeren dansten: een jongen ging in het midden staan en nodigde een meisje uit om met hem te dansen. Hij zong een geïmproviseerd gedicht om haar aandacht vast te houden, als een Afrikaanse Scheherazade. Stokte hij, of waren zijn woorden niet gloedvol genoeg, dan liep zij weer weg. Wie het langst met een meisje danste won.’

Mohammed Ali is boos. Op de ind natuurlijk, maar nog meer op zijn advocaat. Die maakt gemene zaak met de ind, denkt Mohammed Ali, en heeft niet genoeg zijn best voor hem gedaan. Niet voor niets is hij van hetzelfde kantoor, het is doorgestoken kaart. Hij neemt zelf een nieuwe advocaat in de arm, van Meeuwis Stoel Advocaten in Dronten. Die ziet geen enkele hoop voor Mohammed Ali, stopt het dossier in zijn ladekast en onderneemt niets.

Een jaar gaat voorbij. Mohammed Ali zegt ook zijn derde advocaat de wacht aan en is al weer in gesprek met een vierde, maar hij lijkt er zelf ook niet echt meer in te geloven. Soms flirt hij met de gedachte om terug te gaan. Wat moet hij in Nederland, waar hij niet mag werken en teert op de goedheid van anderen? Maar als hij terug zou gaan, heeft hij al die jaren voor niets gewacht. Alleen een status kan deze verloren jaren een zin geven. Het is de tragiek van de wachtrij: hoe langer je erin staat, hoe moeilijker het is om weg te gaan, want dan heb je er al die tijd voor niks gestaan. ‘En wat vertel ik de mensen in Somalië als ik terugkom? Ik heb niets. Ik heb niet eens wat geleerd.’

Angst lijkt vreemd genoeg nauwelijks een rol te spelen in zijn onwil om terug te gaan, terwijl de huidige politieke situatie rondom Kismayo niet direct geruststellend lijkt. Na zijn vlucht kwam de streng islamitische beweging Al Shabaab aan de macht. Zij veroverden het grootste gedeelte van Somalië inclusief de hoofdstad Mogadishu en voerden de sharia in, inclusief handafhakkingen en stenigingen. In 2011 brokkelde hun macht af doordat Kenia Somalië binnenviel en doorstootte tot Kismayo. Troepen van de Afrikaanse Unie verdreven Al-Shabaab ook uit Mogadishu. Goed nieuws, zou je denken. Maar de clan van Mohammed Ali steunde Al-Shabaab juist, zoals bijna alle clans rond Kismayo deden. Ze waren de wetteloosheid zat en Al-Shabaab bracht orde. Nu is de macht weer aan de clans die tegen Al Shabaab vochten. Erg blij met vluchtelingen als Mohammed Ali zullen die vast niet zijn.

‘Voor de deur stond een man. Hij wilde met mijn tante trouwen, zei hij met barse stem. Maar trouwen voor hem was niet echt trouwen. Hij wilde haar bezitten. Vrouwen betekenen niets voor de mannen van de Marahen-clan, die Kismayo en de gebieden eromheen hadden ingenomen en ons nu terroriseerden. ‘Heb je met haar gesproken’, vroeg mijn moeder. Hij knikte. Maar volgens mijn tante, die ook in ons huis woonde, had de man haar alleen vluchtig, in het voorbijgaan, aangesproken op straat. Ze kende hem niet. Later kwam de militieman nog een keer; weer weigerde mijn tante. De derde keer nam hij anderen van de militie mee. Het was ochtend, ik herinner mij alles nog haarscherp. Mijn oudere broer Abdulaziz opende de deur. Hij kreeg direct een geweerkolf tegen zijn hoofd, zo hard dat je zijn schedel hoorde kraken…’

Eigenlijk doet de vraag of Mohammed Ali uit Noord- of Zuid-Somalië komt er niet meer toe. Op 17 december 2012 laat staatssecretaris Teeven (Veiligheid en Justitie) weten dat Mogadishu veilig genoeg is om naar terug te keren en dat het categoriaal beschermingsbeleid voor die stad wordt opgeheven. Hij schrijft: ‘De beleidswijziging heeft als gevolg dat de belemmeringen voor gedwongen terugkeer naar alle delen van Somalië zijn weggenomen.’ Door Teevens besluit is de uitspraak van de Raad van State, die deze zomer nog oordeelde dat er geen mensen naar Zuid-Somalië terug mogen, irrelevant geworden. Er is nieuw beleid. Elke hoop op asiel voor Mohammed Ali lijkt vervlogen.

Teeven baseerde zijn beleidswijziging op een nieuw ambtsbericht, van 30 november 2012. Zulke berichten worden geschreven in Nederland, in nauwe samenwerking met de ambassade in Nairobi. Maar er is niemand vanuit Nederland gaan kijken in Mogadishu; de situatie is te gevaarlijk voor Nederlandse ambtenaren. De informatie over Mogadishu is voor een groot deel gebaseerd op krantenartikelen en rapporten. Advocaat Marq Wijngaarden is dan ook sceptisch over Teevens advies. ‘Naar Europees recht kun je mensen pas terugsturen als er sprake is van een “ingrijpende en duurzame verbetering” van de veiligheidssituatie in hun thuisland. Hoe ingrijpend en duurzaam is de verbetering in Mogadishu? Dat moeten we nog maar afwachten.’

Simona Opitz is optimistischer. Zij is gestationeerd in Nairobi voor iom, de Internationale Organisatie voor Migratie, en volgt de situatie in buurland Somalië op de voet. Zij klinkt haast lyrisch: ‘Je kunt je niet voorstellen hoeveel verschil er is met nog maar een half jaar geleden. Mogadishu is booming. Ik zie heel veel vluchtelingen uit Nairobi teruggaan. Natuurlijk, we weten niet of de situatie zo blijft. Maar als Somalië ooit gaat veranderen, dan nu. Er is een ongekende window of opportunity. Nu is de tijd om terug te keren.’

De Somalische Reuters-verslaggever Abdi Ghuled bevestigt dat de situatie in Mogadishu ‘drastisch verbeterd’ is en dat veel Somaliërs terugkeren. ‘Er is een vorm van stabiliteit in Mogadishu, maar de situatie is verre van vredig. Mensen worden nog steeds vermoord.’ Alleen Somiland in het noorden is echt veilig, aldus Ghuled. De rest van het land is nog niet stabiel. Van een duurzame verbetering lijkt vooralsnog geen sprake.

Toch moeten Somaliërs het Nederland het er maar op wagen, meent Ingrid Schippers van de Werkgroep Opvang Uitgeprocedeerden (wou) van de Raad van Kerken Amsterdam. ‘Wij helpen nu al zo’n 25 jaar uitgeprocedeerde asielzoekers in Nederland en krijgen veel te maken met Somaliërs. En ik kan je zeggen: voor de grote moot uit Mogadishu en omstreken is het gewoon klaar hier. Diep in hun hart weten ze dat best. En ze kunnen ook terug, want Mogadishu is veel veiliger geworden. Natuurlijk zijn er nog aanslagen, maar ik zou zeggen, waar zijn die niet?’

Ze zucht. ‘Maar ja, de meeste mensen komen om te blijven, niet om te gaan.’

‘Mijn broer lag op de grond. Zijn hoofd bloedde. Hij leefde nog wel maar er zat een gat in zijn schedel, waar een dokter later gemalen geitenbotten in heeft gestopt. Daarna vluchtte hij naar Engeland, waar hij in een psychiatrische instelling is opgenomen. De mannen doorzochten het huis maar konden mijn tante niet vinden; die was door de achterdeur gevlucht. Onverrichterzake vertrokken ze, maar niet voordat ze buiten op straat hun AK-47’s hadden leeggeschoten op het huis.

Dat was het moment waarop mijn moeder besloot te vluchten. Ze bracht mijn broer en mijn tante ’s avonds naar een vriendin. Wij bleven thuis om spullen te pakken. De volgende dag vertrokken we met z’n vieren naar Kismayo, waar we enige tijd bleven, omdat mijn moeder de boerderij wilde verkopen. Daarna namen we de bus naar de Kenia. Vlak voor de grens stapten we uit. Via achterafweggetjes liepen we Kenia in. Aan de andere kant pikte de bus ons weer op en reden we naar de hoofdstad Nairobi. Zo’n drie maanden woonden we in de wijk Eastleigh, waar alle Somaliërs naartoe gaan. We lagen in een zaal vol vluchtelingen. Die zaal was nog veel groter dan de Vluchtkerk.’

Stel dat Mohammed Ali terug zou willen, hoe zou hij dat dan moeten aanpakken? Zelf denkt hij dat het in de praktijk niet eens kan: de ambassade zou hem geen paspoort geven en via iom lukt het ook niet, heeft hij gehoord. Geresigneerd zegt hij: ‘I can do nothing.’ Maar bij de ambassade van de nieuwe Somalische regering in Brussel zeggen ze wel degelijk paspoorten uit te geven. Cijfers kunnen ze alleen niet geven. Bij iom hoeft Mohammed Ali in ieder geval niet aan te kloppen. ‘Wij helpen niet bij vrijwillige terugkeer naar Somalië omdat de situatie niet veilig genoeg is’, zegt Marian Lenshoek van iom Nederland. Want hoewel haar collega in Nairobi, Simona Opitz, veel verbeteringen ziet in buurland Somalië heeft iom haar ‘no-returns policy’ voor Somalië nog niet herzien. Dat beleid is gebaseerd op richtlijnen van de unhcr, de vluchtelingenorganisatie van de Verenigde Naties, die de situatie in Mogadishu en omstreken nog steeds als onveilig beoordeelt. ‘Wij vinden het te vroeg om Somalische asielzoekers, bijvoorbeeld in Nederland, terug te sturen’, zegt Andy Needham, de Somalië-woordvoerder van de unhcr.

Naar Somaliland in het noorden, waar Mohammed Ali volgens de ind vandaan komt, kan hij hoe dan ook niet terug. Het ‘Ministry of Resettlement’ in Hargeisa laat alleen mensen toe die met documenten kunnen bewijzen uit Somaliland te komen. Geen optie dus voor Mohammed Ali.

Hij kan natuurlijk altijd proberen te gaan zoals hij kwam: op een niet-reguliere manier. Maar hoe? Via Schiphol lukt dat niet en voor een mensensmokkelaar heeft hij geen geld. Toch lukte het sommige andere Somaliërs de afgelopen jaren wel om zonder geld en papieren terug te keren, aldus advocate Thelma Pondaag. ‘Ik hoor soms van zulke gevallen. Bewijzen kan ik het niet. En vraag me niet hoe ze het voor elkaar kregen.’

Wil Mohammed Ali het toch via de legale kanalen doen, dan rest hem de Dienst Terugkeer en Vertrek (dt) van de ind. En daar kan hij, anders dan bij iom, wél terecht, aldus Charlotte Menten, woordvoerster van het ministerie van Veiligheid en Justitie. dt begeleidt mensen die vrijwillig terug willen naar Somalië, zegt ze. Sinds 2010 zijn er volgens Menten tenminste 25 mensen teruggegaan naar Somaliland, Puntland en óók Zuid-Somalië. Hoeveel er van die 25 naar het zuiden gingen, wordt volgens haar niet bijgehouden. Ook wil ze niet zeggen hoeveel mensen er op dit moment worden klaargestoomd voor vrijwillige terugkeer. ‘Het zijn dagkoersen. Een paar weken geleden nog besloot iemand op de trap naar het vliegtuig toch níet terug te willen.’

Een paspoort of laissez-passer van de ambassade is geen voorwaarde, zegt Menten. Mohammed Ali zou wel een poging moeten wagen, maar als hij er geen krijgt, kan dt bij de Nederlandse overheid een EU-staat aanvragen. Dit is geen wettelijk maar toch door de Raad van State toegestaan reisdocument waarmee je Nederland kunt verlaten. De overheid verstrekt die als er aanwijzingen zijn ‘op grond waarvan de nationaliteit en identiteit van de betrokken vreemdeling kan worden aangenomen’ én er een ‘redelijke kans’ bestaat dat het land van herkomst die vreemdeling accepteert. Met zo’n EU-pas zou Mohammed Ali, mits hij ervoor in aanmerking komt, al binnen enkele weken dan wel maanden terug kunnen zijn in Somalië, aldus Menten. Zeker is dat niet. Formeel is geen enkel land namelijk verplicht om mensen met dit document te ontvangen, dus of Mohammed Ali er daadwerkelijk de Somalische grens mee over komt, moet hij nog maar afwachten.

Helemaal met lege handen hoeft hij in ieder geval niet thuis te komen, zegt Menten: ‘We willen de mensen iets meegeven. Een korte cursus bijvoorbeeld, of geld. De persoon moet thuis een bestaan kunnen opbouwen.’ Gemiddeld krijgen mensen die vrijwillig vertrekken zo’n 840 euro mee. Zou dat genoeg zijn voor Mohammed Ali om een bestaan in Somalië te kunnen opbouwen? En om de schaamte van de terugkeer te overwinnen? Voorlopig verkiest hij de lange, uitzichtloze wachtrij van de illegaliteit.

‘Het is zo ver. Ik omhels mijn tante, pak mijn tas met daarin de weinige spullen die ik meeneem op een reis waarvan ik de bestemming niet ken. Ik ben bang en opgewonden tegelijk. Buiten staat iemand in een zwarte auto op mij te wachten. Ik open de deur, duw mijn tas naar binnen en ga zitten. Hij kijkt mij even aan door de achteruitkijkspiegel en start de motor. Hij groet mij niet.’

Onafhankelijke deskundigen

De Adviescommisie voor Vreemdelingenzaken, een onafhankelijk adviesorgaan voor vreemdelingenbeleid, zet grote vraagtekens bij de manier waarop de IND met deskundigenadvisering omgaat. In een rapport uit 2010, Expertise getoetst, trekt de commissie ook de betrouwbaarheid van Bureau Land en Taal in twijfel. Het is kritiek die een fundamentele zwakte blootlegt in het immigratiebeleid: het gebrek aan onafhankelijke deskundigen, of in ieder geval het gebrek aan een structuur die het wantrouwen over die onafhankelijkheid zou kunnen wegnemen.

Het oordeel of een land veilig genoeg is om naar terug te keren wordt gebaseerd op ambtsberichten, die door medewerkers van het ministerie worden opgesteld. Medisch onderzoek bij asielzoekers en documentenonderzoek vallen direct onder aansturing van de IND, net als de taalanalyse. In al deze gevallen, concludeert de adviescommissie, ontbreekt ‘een bewaking van de kwaliteit van de deskundigen door onafhankelijke externen’. Op het rapport is vanuit de overheid nog niet gereageerd.

Ook directeur Maaike Verrips van Taalstudio is ontevreden over de taalanalyses van de IND. In meer dan de helft van de gevallen trekt Taalstudio een andere conclusie dan het bureau van de IND. Toch volgt de rechtbank meestal de analyse van BLT, aldus Verrips. ‘De rechtbank erkent beide bureaus als deskundig maar volgt het oordeel van de meest stellige. En dat is altijd de IND.’