Ger Groot

Dorp

Engels heb ik geleerd door ernaar te luisteren: op band, de enige zelfopneembare geluidsdrager van de jaren zestig. Het ene glansstuk in mijn collectie bestond uit Dylan Thomas’ hoorspel Under Milk Wood, het andere uit de soundtracks van de tv-serie The Prisoner. Ik heb ze tientallen keren afgedraaid, tot mijn Engels een mengsel geworden was van Welse woordenrijkdom en de metalige stembuigingen van prisoner Nr. 6 Patrick McGoohan.

Onlangs vond ik ze terug: Under Milk Wood op een cd van de BBC Radio Collection, de verzamelde Prisoner op een dvd-box van de Franse televisiezender TF1. Ze maken nog steeds indruk, zo verschillend als ze zijn. Bijeengehouden worden ze alleen door mijn eigen biografie en hun plaats van handeling: een kustdorp in Wales. In Under Milk Wood is dat het door Thomas verzonnen Llaregyb, romantisch-nationaal opgebouwd uit archetypische Welse volkseigenaardigheden. In The Prisoner vormt het bestaande, maar even kunstmatige dorpje Portmeirion de opnamelocatie voor een plek die – als The Village – juist zo veel mogelijk van iedere specificiteit werd beroofd.

In dat anonieme dorp functioneert een maatschappij die bedrieglijk veel op de onze lijkt, als de burgers niet stuk voor stuk door een geheimzinnige staatsmacht waren ontvoerd en in afzondering gehouden. In dit schijnliberale Guantánamo avant la lettre heeft iedere bewoner minstens één geheim dat hem door psychologische verwarring, medische experimenten of foltering moet worden ontfutseld. Wie breekt en in leven blijft, verandert ongemerkt in bewaker. In The Village weet niemand precies wie of wat de ander is.

De inwoners van Llaregyb weten dat maar al te goed. Zo koud en abstract als The Village is, zo karaktervol is Thomas’ dorp, waarin iedere persoon een onverwisselbaar type is. Zij bestaan in een taal die niets onbenoemd laat en overloopt van adjectieven. Het exuberante Engels van het stuk maakt iedereen meedogenloos tot wat hij is – en blijft, zelfs tot na zijn dood. In de woorden en gedachten van de levenden dwalen de overledenen rond alsof zij nog van vlees en bloed waren.

In The Prisoner zijn de meesten al lang vóór hun dood van hun zelf beroofd en is de taal al even kaal en afgebeten: Where am I? – In the village. – Who are you? – I am Nr. 2. – Who is Nr. 1? – You are Nr. 6. Moeiteloos komt het dorp zo model te staan voor de universele dytopie van de moderniteit, schrijven Patrick Ducher en Jean-Michel Philibert in hun boek Le prisonnier: une énigme télévisuelle (Ed. Yris) dat bijna veertig jaar na dato van de beklijvende kracht van de serie getuigt.

Of verbeeldt The Prisoner veeleer de strijd van een man tegen zijn eigen demonen? zo opperen de auteurs in één moeite door. De raadselachtige slotaflevering van de reeks, waarin prisoner Nr. 6 eindelijk de kans krijgt Nr. 1 te ontmaskeren, zinspeelt daarop. Achter het mombakkes van de Leider worden – heel even – McGoohans eigen trekken zichtbaar.

Wellicht is de ene vervreemding slechts het spiegelbeeld van de andere, elk even kenmerkend voor een ontwortelde samenleving. Bij Thomas bevreemdt juist de heelheid van een mini-maatschappij waarin leven en taal, individu en gemeenschap nog niet gescheiden zijn. Zij sluimeren in een pastorale onschuld waarin het woord alles adequaat kan vullen en de horror vacui van Thomas’ taal-universum naadloos aansluit bij de Sturm und Drang van zijn poëzie.

Beide zijn onherroepelijk verleden tijd geworden, contrasterend met een Prisoner die misschien de toekomst of zelfs al het heden is. Maar intussen lispel ik nog altijd moeiteloos de woorden mee die uit mijn autospeakers klinken aan welker bezwerende nostalgie ik mij maar niet onttrekken kan: Hush the babies are sleeping, the farmers, the fishers, the tradesmen and pensioners, cobbler, schoolteacher, postman and publican <…> drunkard, dressmaker, preacher, policeman, the webfoot cocklewomen and the tidy wives.