Ger Groot

Huiskamer

De cultuurminister sprak mooie woorden over multiculturaliteit en wees met brede gebaren naar de foto’s aan de muur. Daarop was een ruime staalkaart aan woonkamer interieurs te zien, elk met zijn eigen etnische en sociale kleur – Belgisch, Bhutaans, Marokkaans, Turks, Nederlands, Albanees, Nigeriaans – en allemaal te vinden in het zelfde Brussel. Geopend werd de tentoonstelling Living in de expositieruimte van De Markten, het Vlaamse cultuurcentrum van die stad.

De fotografe Karin Borghouts zorgde voor de beelden, de kinderen die in die livings dagelijks verkeerden zorgden voor het commentaar: niet op de woonruimte, maar op de dingen des levens – de dood, vriendschap, vreemdelingen. Zinsneden uit de dagboeken die ze voor dat project een weeklang hadden bijgehouden, hingen hier en daar aan de muur.

De minister hoopte dat al die verschillende bevolkingsgroepen hun eigenheid niet zouden verliezen in een opgelegde monocultuur: een opmerkelijk geluid voor een nationalistische politicus, zelfs van de weldenkende variant. Ik hoorde en zag hem, maar bevreemdender was nog de achtergrond waartegen hij sprak. Precies achter zijn rug hing een levensgrote foto van mijn eigen woonkamer, plotseling onwezenlijk vreemd.

Het statige interieur dat zich als in een kijkdoosje publiekelijk tentoonstelde was waarschijnlijk het meest bourgeois van alle.

Net als een zelfportret is zo’n foto een oefening in afstandelijkheid en tegelijk de onthulling van een waarheid die niet altijd geruststellend is. «Het is volstrekt mogelijk dat het vermeend eigene als vreemd wordt ervaren en het vermeend vreemde als eigen», schrijft de filosoof Dieter Lesage in het bij het project horende boek Living (red. Jan Knops, Mens & Cultuur Uitgevers, Gent), dat nóg meer foto’s en kindercommentaren biedt. Gelukkig heeft de fotocriticus Johan de Vos in hetzelfde boek dan al opgemerkt: «Laten we foto’s niet overschatten. Ze tonen slechts de buitenkant.»

Tussen die twee vaststellingen in liet mijn onrust zich niet helemaal bezweren. Want de huiskamer mag dan wel buitenkant zijn, deze vormde wel mijn buitenkant. Hij zei, meer dan ik in de alledaagse bewoning ervan besefte, wat er van mij geworden was: vanuit de arbeidersstand opgeklommen tot het intellectuelendom dat zich toonde als een lege woonkamer tjokvol Goede Smaak.

Vanwaar die gêne, die toch warempel niets beschamends betrof? Voelden ook de andere bewoners zoiets over hun respectieve huiskamers: bijna allemaal even netjes en – zoals de cultuurminister nog eens benadrukte – eigenlijk helemaal niet zo erg verschillend van elkaar? Zagen ook zij zich ontmaskerd voor een misdaad waarvan ze zelf de aard niet kenden, in de ogen van kijkers die – zo schrijft De Vos – vanzelf gluurders worden?

Gegluurd heb ook ik: naar de theatrale gordijnen in de Turkse livings, het klassieke modernisme van de kamer met, ironisch, een poster van Tati, de aandoenlijk ouderwetse radio naast een blitse mountainbike bij een half-Nigeriaanse familie, en natuurlijk de titels van de boeken die hier en daar in de huiskamerkasten staan. Overzichtsfoto en detail (van iedere living koos Borghouts één van elk) contrasteren soms fel: een kleurloze Russische zolder-woonkamer met de diepwarme pracht van deurstijl, vloerkleed en nog een reepje fauteuil die zich elders in die ruimte moet ophouden. Het herenhuisinterieur van een Belgische familie, met ergens op het dressoir legoblokken, een kindertekening en een Noord-Afrikaanse schaal.

Zit het verschil in die details? Ze vertellen evenveel als ze misleiden. Een Marokkaanse waterpijp, schrijft Lesage, kan zowel een teken zijn van «het eigene» (herinnering aan thuis) als van «het vreemde» (meegenomen van vakantie).

De kindercommentaren in het boek blijken al even universeel. «Vandaag is mijn broek gescheurd», noteert de elfjarige Titi-Lola van de mountainbike. «Ik wil nooit doodgaan», schrijft Ichrak El Rhaba. «Ik voel mij ergens thuis als het huis proper is, alles op zijn plaats staat en de mensen die er wonen blij zijn dat je er bent», bedacht Gershon Annoh uit Ghana.