Ian paisley

‘Gods bullebak’ wordt hij genoemd. Dominee Ian Paisley, voorganger van zijn eigen Vrije Presbyteriaanse Kerk, stijfhoofdig verdediger van de protestantse belangen in Noord-Ierland, maar sinds de wapenstilstand tussen de IRA en Engeland een eenzame strijder in een verloren achterhoedegevecht.

VOLGENS EEN IERS grapje raden piloten, alvorens te landen op het vliegveld van Belfast, de passagiers aan hun horloge gelijk te zetten met de plaatselijke tijd: het jaar 1690. In dat jaar versloegen protestantse troepen onder aanvoering van Willem III van Oranje, sinds enige tijd koning van Engeland, een leger van Ierse katholieken bij het riviertje de Boyne. Het was de opmaat voor een godsdienstoorlog die pas met de Ierse onafhankelijkheid van 1921 zou eindigen - behalve in Noord-Ierland, waar de kinderen nog altijd zingen: ‘To hell with the future and long live the past/ May God in his mercy look down on Belfast.’
Geen Europese stad zit zo jammerlijk gevangen in het verleden als Belfast, en geen inwoner van Belfast belijdt zo hardnekkig de wraak der vaderen als Ian Paisley, de orangistische dominee in duffelse jas en Trilby-hoed, die al veertig jaar fulmineert tegen al wat niet in Gods kraam te pas komt: Rome, de duivel, de Ierse republiek, overspel, de IRA, sodomie, de Europese Unie en abortus.
Paisley is de voorman van een gestaag slinkende minderheid die meent dat Ulster geheel aan de protestanten toebehoort. Zijn grote voorbeeld is de legendarische Edward Carson, een protestantse advocaat die in 1913 met behulp van Duitse wapens een orangistisch priveleger opbouwde en de katholieke inwoners van Ulster aan een schrikbewind onderwierp. Hoewel Paisley altijd een veilige afstand heeft bewaard tot de diverse protestantse milities in Ulster, deinst hij er niet voor terug om op te roepen tot geweld, in de wetenschap dat er altijd wel een paar labiele volgelingen zijn die de dreiging ten uitvoer brengen. Het leverde hem de bijnaam 'Adolf Paisley’ op, maar hij weet zich gesteund door een machtige bondgenoot: 'Niets kan mij gebeuren buiten Gods wil om. Ik geloof dat ik onsterfelijk ben tot mijn werk is volbracht.’
DAT WERK IS de vestiging van een onafhankelijk, protestants Ulster onder zijn persoonlijke leiding. Daarbij beschouwt hij de katholieke minderheid, haar militante partij Sinn Fein en zelfs de IRA als tegenstanders van het tweede garnituur: 'Ik heb niets tegen de katholieken, ik heb alleen iets tegen hun instituut.’ Zijn ware vijand is Rome, het hedendaagse Babylon waar de grote grasmaaier huist: 'De christenen van vandaag zijn als grassprietjes die opgroeien in de zon, maar er komt een grote grasmaaier op hen af - en hij zingt psalmen. Het is de rooms-katholieke kerk.’
Voor collega-politici heeft hij geen goed woord over. Schelden is zijn tweede natuur en hij laat geen gelegenheid voorbijgaan om het te bewijzen. John Major noemde hij een 'karakterloze hielenlikker van de IRA’. Majors voorganger Margaret Thatcher, die het waagde om het roomse Dublin enige invloed in Noordierse aangelegenheden te gunnen, maakte hij tot voorwerp van zijn wraaklustige gebeden: 'O Heer, in Uw toorn, neem wraak op deze slechte, verraderlijke leugenares.’ Het vooruitzicht op een definitieve vrede in Ulster stuit bij hem op graniet. Terwijl de wapens van de IRA voor het eerst in vijfentwintig jaar zwijgen en Major en zijn Ierse collega Reynolds een uitweg uit de Noordierse impasse proberen te vinden, spuwt Paisley pek en zwavel: 'Ulster wordt opgehangen, geradbraakt en gevierendeeld door meneer Reynolds, meneer Major en hun handlangers in de IRA.’
Zijn leven lang heeft Ian Richard Kyle Paisley niet anders gedaan dan verdeeldheid zaaien en ervan profiteren. Hij werd op 6 april 1926 als jongste van twee zonen geboren in Ballymena, in het Noordierse graafschap Antrim. Zijn vader was een baptistische predikant die zich van de moederkerk had afgescheiden en een eigen gemeente had opgericht. De jonge Ian kreeg de schismatieke geest met de paplepel ingegoten. Omdat vader Paisley geen universitaire opleiding kon bekostigen, moest Ian na zijn schooltijd op het land gaan werken, alwaar hij spoedig een 'onmiskenbare roeping’ ervoer. Hij meldde zich aan bij een theologische opleiding van de Hervormde Presbyterianen, een afsplitsing - alweer - van de Schotse moederkerk, en werd na voltooiing van zijn opleiding in 1946 als predikant in Ulster beroepen. Daar werd hij door zijn eigen vader - uiteraard volgens een afwijkende rite - in het ambt ingewijd.
Reeds in 1951 scheidde hij zich met een groep volgelingen af en stichtte de Vrije Presbyteriaanse Kerk. Vanuit een minuscuul kerkgebouwtje bewerkte hij de protestantse arbeiders, die zich in die tijd geleidelijk losmaakten van hun aristocratische leiders in het Noordierse parlement en zeer ontvankelijk bleken voor het agressieve orangisme waarin Paisley uitblonk. Zijn optredens ontaardden steevast in rellen en vechtpartijen met katholieken en de politie. In 1956 trad zijn hang naar het extreme nog duidelijker aan de dag. Een katholiek meisje had te kennen gegeven dat zij zich wilde bekeren tot het protestantisme. Om haar aan de wellustige kaken van het roomse addergebroed te ontrukken werd zij door voortvarende ouderlingen ontvoerd en naar Engeland overgebracht, een ballingschap waarvan zij korte tijd later hevig ontdaan en katholieker dan ooit terugkeerde. Paisley’s aandeel in de affaire is nooit opgehelderd, maar hij verdedigde de ontvoering met verve en verwierf zich op slag groot aanzien in de loyalistische gelederen.
IN 1963 organiseerde Paisley zijn eerste verboden protestmars, sindsdien een vertrouwd verschijnsel in de straten van Belfast. Hij liep zelf voorop, wat hem op een boete van tien pond kwam te staan. Paisley weigerde te betalen - 'Duizendmaal liever laat ik me in elkaar slaan’ - maar een anonieme aanhanger voldeed de boete voor hem. Het weerhield hem er niet van om twee jaar later een groter oproer te veroorzaken, toen de zachtaardige Noordierse premier Terence O'Neill zijn Ierse collega Sean Lemass ontving. Een knieval voor Rome! Paisley leidde een mars van duizend unionisten naar de plaats waar de ontmoeting plaatsvond. Ze droegen borden mee met de tekst 'No Mass, No Lemass’ en scholden O'Neill uit voor verrader.
In 1966 riep hij op tot vorming van de Ulster Volunteer Force (UVF), een militie die 'in de geest van Carson’ de protestantse belangen gewapenderhand moest verdedigen. De oproep vond massaal gehoor onder de gedisciplineerde protestantse arbeiders, die destijds volop profiteerden van hun bevoordeling bij huisvesting, onderwijs en werkgelegenheid ten koste van de katholieken. De UVF pleegde diverse moorden en bomaanslagen, maar kleedde die op zodanige wijze in dat de IRA de schuld kreeg. Na de moord op een katholieke barman werden drie daders gegrepen, van wie er een zich tijdens de rechtszaak liet ontvallen: 'Ik heb vreselijke spijt dat ik ooit van die kerel Paisley heb gehoord en besloten heb om hem te volgen.’
Door het uitbreken van de Ierse Troebelen aan het eind van de jaren zestig versplinterde de unionistische beweging en uiteraard was Paisley er als de kippen bij om zijn eigen partij op te richten: de Vrije Unionistische Partij. Sinds 1970 was hij lid van het Britse parlement, waar hij zich dank zij het gewelddadig klimaat in Ulster gedurende een tiental jaren kon opwerpen als enige vertegenwoordiger van het Noordierse unionisme. Niettegenstaande zijn onverminderde donderpreken slonk zijn achterban echter vanaf het begin van de jaren tachtig, toen werkloosheid en uitzichtloosheid de protestantse arbeiders geleidelijk deden beseffen dat het gematigde unionisme van James Molineaux, Paisley’s grote concurrent, de toekomst had. Sindsdien strijdt Paisley in wezen een achterhoedegevecht.
IN 1988 HAALDE HIJ nog eenmaal de pers door het bezoek van de paus aan het Europees parlement te verstoren. Nauwelijks had de heilige vader zijn eerste woorden gesproken of Paisley brulde vanuit de zaal: 'Ik verwerp U als de anti-Christ!’ Omstuwd door haastig toegesnelde boden, die hem ternauwernood voor een rechtse hoek van de woedende Jean-Marie le Pen wisten te behoeden, werd de tierende predikant afgevoerd, om buiten op de stoep nog eens zijn ziekelijke hang naar het martelaarschap uit te schreeuwen: 'Ze hebben me geschopt en geslagen! Als ze me op de brandstapel konden zetten, zouden ze het zeker doen!’
Het rechtzinnige, provinciale Antrim blijft zijn politieke uitvalsbasis; hij vertegenwoordigt het graafschap nu al achtentwintig jaar achtereen in het Britse parlement. Zijn preken trekken nog altijd grote belangstelling en om zijn slinkende invloed in Ulster te compenseren, richt hij aan de lopende band Vrije Presbyteriaanse kerken op in Canada, de Verenigde Staten en Engeland. Zijn zoon Ian vergezelt hem tegenwoordig op zijn politieke strooptochten. Overal waar Paisley senior preekt staat Paisley junior, stijf van zondebesef en groene zeep, aan de voet van de kansel. Een fluistering van Paisley is nog altijd genoeg om de ruiten te doen rinkelen en als de 'big fellar’ zijn hart lucht, gebruikt hij elke vezel van zijn massieve gestalte als klankbord. Zijn vrouw Eileen verpleegt zijn gezwollen stembanden des avonds met een mengsel van warm water, honing en wijnazijn. Maar de 'beer van Ulster’ is hard bezig zichzelf overbodig te maken door aan overleefde eisen vast te houden. Zo sluit hij deelname aan een toekomstig gemengd bestuur van Noord-Ierland bij voorbaat uit.
Hoezeer zijn politieke invloed is getaand bleek vorige week, toen John Major tijdens een onderhoud met Paisley eenvoudig opstapte omdat de predikant hem niet op zijn woord wilde geloven. Welbeschouwd kreeg Paisley een koekje van eigen deeg, want weglopen - zo spotte een Britse dagbladcommentator - is in Paisley’s kringen de gangbare wijze van debatteren.