Icarisch verlangen

Sylvia Plath (1932-1963) wilde, als Icarus, hoog vliegen om ervaringen op te doen voor haar kunst. Heather Clark presenteert een grenzeloze Plath die intellectueel wilde uitblinken.

Sylvia Plath in de lente in Parijs, 1956 © Gordon Lameyer / Lilly Library and Elizabeth Lameyer Gilmore

Op de ochtend van maandag 11 februari 1963, ongeveer om zeven uur ’s ochtends, zette Sylvia Plath boterhammen met boter en twee zuigflesjes melk in de kamer van haar twee kinderen. Ze deed de ramen open, dekte hen toe met extra dekens en plakte de buitenranden van de deur af met tape. In de keuken stopte ze de spleten van de deuren en ramen dicht met theedoeken en kleren. Ze draaide het gas van het fornuis open en ging op de grond liggen met haar hoofd op een gevouwen doek op de klep van de oven.

Dezelfde ochtend dat Sylvia Plath zichzelf doodde, om tien uur om precies te zijn, begonnen The Beatles aan de andere kant van Regent’s Park met de opnamen van hun eerste album Please, Please Me. ‘De ochtend van 11 februari 1963 was de geboorte van de jaren zestig’, noteert Heather Clark in Rode komeet: Het korte leven en de vlammende kunst van Sylvia Plath. Acht dagen later, ook daar wijst Clark op, zou The Feminine Mystique verschijnen, waarin Betty Friedan het onbehagen van de Amerikaanse vrouw ontrafelde en dat het startschot zou zijn van de tweede feministische golf.

Sylvia Plath is inmiddels bijna zestig jaar dood en de fascinatie voor haar lijkt niet te slijten. Over geen dichteres verschenen zoveel biografieën, memoires van vrienden en bekenden, boeken over haar huwelijk met de dichter Ted Hughes, academische studies. We weten al zoveel van haar, tot in de kleinste details, met wat voor koffers ze op het station in Cambridge aankwam (witte Samsonites) en wat de kleur was van de haarband die ze droeg op het feestje waar ze Hughes ontmoette (rood), en toch is de nieuwe ambitieuze biografie van haar van Heather Clark een literaire gebeurtenis. Wat is het, dat ons in de ban houdt van de jonggestorven dichteres die een klein maar verbluffend oeuvre naliet?

Het komt in ieder geval niet alleen door de intense, grensverleggende gedichten die ze in de maanden voor haar dood schreef en The Bell Jar, haar even pijnlijke als geestige coming of age-roman; het heeft evenzeer te maken met haar stormachtige relatie met Hughes en haar tragische einde, dat van haar een mythische figuur maakte. Een abrupt afgebroken leven nodigt uit tot betekenisgeving, de leegte na de plotselinge dood moet gevuld worden met verhalen en interpretaties.

Vandaar ook de titel The Silent Woman die Janet Malcolm in 1993 gaf aan haar scherpzinnige bespiegeling over de biografieën van Sylvia Plath. ‘A person who dies at thirty in the middle of a messy separation remains forever fixed in the mess’, merkt ze daarin op. De dode dichteres kan niet meer spreken, en tegelijk heeft ze zoveel nagelaten – dagboeken, brieven, The Bell Jar, verhalen en gedichten – dat er volop verhalen over haar te vertellen zijn. Maar, stelt Malcolm, Plath sprak daarin met zoveel verschillende stemmen dat ze het hele idee van een biografisch narratief bespotte. Biografieën over haar zijn dan ook gedoemd om te mislukken: hoeveel materiaal er ook is, ze lijken om een leegte te cirkelen, op zoek naar een kern die er misschien niet is.

Een van de redenen daarvoor, oppert Malcolm, is de – noodgedwongen – partijdigheid van veel van de biografieën. Criticus Al Alvarez, een vriend van zowel Plath als Hughes, zette volgens haar de toon in zijn memoir, waarin hij de structuur oprichtte van het verhaal van Plath als de bedrogen en in de steek gelaten vrouw en Hughes als de harteloze verrader. Hughes liet de nalatenschap van Plath over aan zijn zuster Olwyn, die er als een Cerberus over waakte – een tweede verraad, in de ogen van Alvarez. Als biografen niet op Olwyns hand waren kregen ze maar beperkt toegang tot de bronnen en mochten ze er hoe dan ook niet uit citeren.

Heather Clark heeft geen last gehad van Olwyn Hughes die bemoeizuchtig over haar schouder meekeek (zij overleed in 2016), ze heeft juist gebruik kunnen maken van nog ongepubliceerde jeugddagboeken, agenda’s en literaire teksten van Sylvia Plath en kon putten uit het volledige archief van Ted Hughes. Maar ze heeft zich evengoed moeten ontworstelen aan de mythologische beelden die in de loop van de tijd aan Plath kleefden. ‘Ze zat gevangen in de spagaat tussen icoon en cliché’, schrijft Clark. Ze is neergezet als ‘een hogepriesteres van de poëzie die is geobsedeerd door de dood’, als een ‘Medea die op haar eigen vernietiging afraasde’, als ‘een literaire psychopaat’. In alle karakteriseringen, of beter: karikaturen, van Plath is haar zelfmoord een soort grootse finale.

Clark heeft tot doel Plath’s levensverhaal los te rukken van de nadruk op haar zelfmoord, van het verwrongen idee dat alles wat ze van kinds af aan deed daar onvermijdelijk toe leidde. Ze wil het hebben over Plath’s literaire en intellectuele ontwikkeling en niet zozeer over haar ondergang; ze wil haar bevrijden van de pathologie. ‘Ze zou bekend moeten zijn om haar transcendente, baanbrekende gedichten, niet om haar zelfvergassing in haar keuken’, verklaart ze. Inderdaad staat ze uitgebreid stil bij de poëzie van Plath, van haar eerste jeugdwerk tot de verzengende gedichten die vlak voor haar dood uit haar leken te stromen en die postuum zouden verschijnen in haar beroemde bundel Ariel. Ze geeft er een andere interpretatie aan, ziet er niet de gemaskeerde zelfmoordbriefjes in die veel anderen erin zagen. Bovenal benadrukt ze Plath’s niet te stuiten levensdrift.

Plath wilde echtgenote, moeder en dichter zijn – een ‘driedubbel bedreigende vrouw’, zoals ze aan een vriendin schreef

Rode komeet leest alsof je van dag tot dag met Sylvia Plath meeleeft. De grote lijnen van haar leven zijn overbekend: de grote belofte die ze al jong is; de onnodige dood van haar vader als ze acht is (hij wilde niet naar de dokter omdat hij dacht dat hij kanker had; hij bleek behandelbare suikerziekte te hebben); haar overbezorgde moeder; de hoge cijfers die ze haalt op school en haar torenhoge ambitie, vooral ook als het aankomt op de gedichten en verhalen die ze schrijft; haar onverwoestbare doorzettingsvermogen (in 1950, vlak voor ze naar college gaat, wordt haar eerste verhaal in Seventeen gepubliceerd, na meer dan vijftig afwijzingen); haar eerste zelfmoordpoging op Smith College; haar depressie en de behandeling met shocktherapie, waarna ze een tweede zelfmoordpoging doet; de Fulbright-beurs waarmee ze naar Cambridge kan; de ontmoeting met de woest aantrekkelijke dichter Ted Hughes; hun huwelijk een paar maanden later en de geboorte van hun twee kinderen; zijn affaire en haar dood in 1963, op dertigjarige leeftijd.

Je krijgt nog meer details dan je al kende: alle jongens met wie Sylvia uitging passeren de revue; de kleuren van de gordijnen en spreien van al haar studentenkamers worden genoemd; er zijn de menu’s van talloze maaltijden met roast beef, kaviaar, oesters en citroenschuimtaart – Plath’s eetlust was legendarisch. Maar voor alles legt Clark de nadruk op het ‘icarisch verlangen’ van Sylvia Plath: als Icarus wilde ze ervaringen opdoen voor haar kunst, wilde ze reizen, in het buitenland studeren, zich in liefdes storten. ‘Alles om aan het niet geleide leven, het niet geschreven gedicht, de niet bewerkstelligde liefde te ontkomen’, zoals Clark schrijft. Ze presenteert een energieke, grenzeloze Plath die intellectueel wilde uitblinken – ze was een ‘academische superster’ – en niet minder dan ‘De Dichteres van Amerika’ wilde worden.

Die mateloze ambitie had Plath echter in een tijd dat studeren voor vrouwen een aardige vooropleiding voor het huwelijk was. Clark stipt regelmatig het razend makende seksisme in het Amerika van Eisenhower aan; in Engeland was het niet beter. Van vrouwen werd conformisme verwacht; ambitie werd bij hen al snel als ‘neurotisch perfectionisme’ bestempeld – een oordeel dat in heel wat eerdere biografieën resoneert. Clark haalt een populair Smith-deuntje aan uit de tijd dat Plath er studeerde en dat eindigt met: ‘But a man wants a kiss, kid,/ He doesn’t want a Quiz Kid,/ Oh, you can’t get a man with your brains.’ ‘Dat ik als vrouw geboren ben is mijn grootste tragedie’, noteerde Plath in haar dagboek.

Sylvia Plath legde zich niet bij de beperkingen neer, integendeel, ze deed nog een schepje boven op haar eerzucht. Ze was niet van plan ongetrouwd en kinderloos te blijven, zoals de dichteressen Marianne Moore en Elizabeth Bishop. Ze wilde echtgenote, moeder en dichter zijn – een ‘driedubbel bedreigende vrouw’, zoals ze aan een vriendin schreef. Dat zorgde wel voor verscheurdheid, een verscheurdheid die ook door haar moeder werd aangewakkerd, omdat die haar voortdurend een dubbele boodschap voorhield: blink uit en pas je aan.

Plath’s moeder Aurelia speelt in veel biografieën een negatieve hoofdrol als de conformistische bemoeial die Sylvia met haar niet-aflatende kritiek de depressies in joeg. Aurelia was net als Sylvia een intelligente, ontwikkelde vrouw; na haar huwelijk moest ze haar maatschappelijke aspiraties echter opgeven. Ze was de vleesgeworden zelfopoffering, een houding die haar naar zelfexpansie hunkerende dochter verafschuwde. Clark onderkent dit, maar verzet zich tegelijkertijd tegen het te eenzijdige beeld dat van Aurelia is ontstaan. Ze schetst een genuanceerd portret van haar en benadrukt de symbiotische relatie tussen moeder en dochter, die zowel werd gekenmerkt door liefdevolle zorgzaamheid als door verstikking.

Dezelfde ‘nuchtere herwaardering’ verdient Ted Hughes in haar ogen. Na Plath’s dood werd hij, mede door het opkomende feminisme, als haar moordenaar betiteld; Plath-fans beschadigen nog steeds de naam Hughes op haar grafsteen in Yorkshire. Hoewel ook Clark uitgebreid stilstaat bij de bittere breuk tussen hem en Plath belicht zij vooral de ‘poëtische folie à deux’ die er tussen hen bestond en die hen beiden tot grote hoogte opstuwde. Hughes nam Plath volkomen serieus als dichter, hij zag haar buitengewone talent en spoorde haar aan de voorzichtigheid die haar vroege, vormvaste poëzie kenmerkte te laten varen. ‘Wij schrijven, lezen, praten recht voor zijn raap en scheppen vanuit de vezels van ons hart en onze botten’, schreef Plath. Maar ze wist ook dat er ‘voor dit soort de-vrouw-zijn-van’ nog geen regels bestonden.

Rode komeet ontkomt aan het cirkelen om de leegte dat Janet Malcolm in eerdere Plath-biografieën constateerde. Clark probeert niet tot één, simpel biografisch narratief te komen, zoals zo veel voorgangers deden die partij leken te kiezen voor Plath of Hughes en vaak te eenduidig betekenis gaven aan haar zelfmoord. Clark geeft aan hoeveel toeval er daarbij ook in het spel was: de slechte psychiatrische hulp die Plath kreeg, het trauma van haar eerdere shockbehandelingen die haar deden terugschrikken voor steun, de desastreuze pillencombinatie die ze aan het eind van haar leven slikte.

Heather Clark laat bovenal zien hoe Plath aan het eind van haar leven haar indringende stem vond, waarvan woede en verwoesting net zo goed de kern vormen als wedergeboorte en het verlangen naar hernieuwing. Ze plaatst Plath overtuigend in haar tijd, die voor vrouwen zo beknellend was. Het zijn Plath’s levensverhaal en haar poëzie in juist die tijd die de fascinatie voor haar laten voortduren. Als Plath ergens het symbool van is, dan voor het verlangen naar de zon te vliegen op een moment dat vrouwen nog net met alle macht op de grond werden gehouden. Ze stierf op de dag dat de jaren zestig werden geboren; niet dat alles meteen daarna anders was voor vrouwen, maar er begon wel ruimte te ontstaan om te vliegen.

In The Bell Jar laat Sylvia Plath de moeder van het vriendje van haar hoofdpersoon zeggen: ‘De man, dat is een pijl de toekomst in, en de vrouw dat is de plek vanwaar de pijl word afgeschoten.’ In Ariel schrijft Plath: ‘En ik/ Ben de pijl’.