Icarus

De ober is intimiderend knap. Tenminste vanaf de plaats op het terras waar ik hem kan zien, en dat is wel een meter of twintig denk ik. Vanaf die afstand roept hij het me min of meer toe. Wat ik gehad had willen hebben. Dat leid ik af aan zijn mimiek.

‘Deux demi!’ roep ik terug, in mijn beste Frans.

Beginnersfout.

‘Wát?’ schreeuwt hij.

Jezus man, kom wat dichterbij staan denk ik. En ik denk: is dit nu de beruchte onzichtbaarheid waar iedere vrouw zo bang voor is. Nee, dat is het niet, hij ziet me want hij schreeuwt naar me. Het is iets anders, maar wát?

Ik maak een vaag gebaar richting de straat. Iemand wees me er laatst op dat als ik zo’n gebaar maak, het is alsof ik een attaque aan het krijgen ben.

‘Hij komt er zo aan’, roep ik in iets minder goed Frans. Dat hij niet denkt dat ik aan één biertje tegelijk niet genoeg heb.

Op mijn telefoon kijk ik welke internetverbindingen in de buurt zijn. We hebben dit café erop uitgekozen omdat het langs de weg adverteerde met wifi. Ah, ik zie het: Tony-Box.

Ik krijg één biertje voorgezet. Van dichtbij is hij nog steeds knap, maar op een boze manier. Hij doet me denken aan een familielid dat vanuit verongelijktheid de wereld beschouwde en met wie het tamelijk rottig is afgelopen.

‘Mot de passe?’ vraag ik, en houd mijn telefoon op in het geval mijn Frans niet toereikend is. Een hond is aan mijn benen komen snuffelen, een zwart gevaarte is het, het lijkt me instinctief het best mijn onderlichaam zo onbeweeglijk mogelijk te houden.

De ober grijnst. Het is zo’n grijns die alles kan betekenen, maar niet heel veel leuks. Nu ben ik niet echt een goed verstaander. Als ik niet weet wat ik kan verwachten, maak ik het zelf wel kloppend. De hond drukt zijn snuit in mijn knieholte. Waarom? Ik ben wel eens een winkel in gegaan om van een hond af te komen. De man achter de toonbank vroeg of mijn hond soms een beetje water wilde.

Ik denk dat het iets Engels is wat hij zegt. Fransen die Engels praten, ik ben er op zich dol op.

‘Wát?’ vraag ik.

Hij zegt het nog een keer, met agressieve trots.

Ik herhaal het, tikje ongelovig: Corsica is not Friends?

Ja, hij zegt het nog een keer, en nog een keer, eigenlijk kan hij er geen genoeg van krijgen.

Ik denk: ze zitten hier natuurlijk avond aan avond met dronken Amerikanen, die denken dat ze de plaats ownen. Die denken dat ze hier in hun eigen sitcom zijn beland.

En ik denk, inmiddels met lichte kramp in mijn benen van het onbeweeglijk blijven: ik zoek het zelf wel uit met wel of geen hoofdletters.

Nadat ik alle varianten zo’n beetje heb gehad, zonder resultaat, en de hond zijn kop op mijn schoot te rusten heeft gelegd, kijk ik op van mijn telefoon, of Tony me in de deuropening van zijn café staat uit te lachen. Opeens valt me de graffiti op de pui op. En de alomtegenwoordigheid van het eilandsymbool, daterend van de tijd dat een terrorist nog voor een vrijheidsstrijder kon doorgaan. Je kunt er kaarten mee kopen, bekers, sleutelhangers. Zou er nu echt nog iemand voor te porren zijn om op een badhanddoek te liggen met daarop het hoofd van een man die een bandana om het voorhoofd heeft geknoopt met kennelijke bedoelingen? Eigenlijk kan ik die kop van Che Guevara al niet meer aan. Die hier ook overal hangt.

‘Vrienden gemaakt?’ vraagt mijn reisgenoot, doelend op de hond die zich onmiddellijk uit de voeten maakt. En: ‘Waar is mijn biertje?’

Hij maakt het universele handgebaar naar Tony en legt de boeken die hij uit de auto heeft gehaald op tafel. We hebben allemaal onze portie leed te verwerken. Hij leest de biografie van Stalin, ik A Little Life van Hanya Yanagihara.

Tony komt eraan met het andere biertje. Nu zie ik het: het is zoals hij met zijn schouders rolt als hij loopt. Het familielid dat dacht persoonlijk ongeluk op iets groters te kunnen verhalen, deed dat op identieke wijze. Ieder moment kon hij uitstijgen boven de massa, zich schroeien aan het vuur, neerstorten als martelaar van zijn zaak.

‘Corsica is not France’, zeg ik, en spreek France op z’n Amerikaans uit.

‘Wat?’ vraagt mijn reisgenoot die ook zijn telefoon te voorschijn heeft gehaald.

‘Dat is het wachtwoord: corsicaisnotfrance’, zeg ik. ‘Oftewel: fuckeverybodyandkillthemall.’

Ja, hij zegt het nog een keer, en nog een keer, eigenlijk kan hij er geen genoeg van krijgen