Rafael de zelfsloper

Icarus met lamme vleugels

Rafael Nadal is klaar voor Roland Garros, net op tijd hersteld van weer een blessure. Zondag versloeg hij in Rome ’s werelds nummer 1 Novak Djokovic. Is hij te stoppen op zijn weg naar de twaalfde titel in Parijs? Natuurlijk, zegt tennisexpert Martin Simek geërgerd. Door een nieuwe kwetsuur.

Rafael Nadal tegen Novak Djokovic in de finale van BNL Italia die door Nadal gewonnen wordt, Rome, 19 mei 2019 © Dean Mouhtaropoulos / Getty Images

Sinds de eerste schooldag vond ik het geestdodend om telkens de kortste weg naar huis te nemen. Zo ontdekte ik beetje bij beetje de statige Praagse villawijk Hanspaulka waar mijn beschaafde ouders na de communistische machtsovername in 1948 slechts door een mirakel mochten blijven wonen. Mijn omwegen voerden mij steeds verder van huis, tot ik op een zonnige voorjaarsdag langs de tennisclub liep. Door de mazen van het hek keek ik naar de banen. Al was rood niet de favoriete kleur van onze familie, het gravel oefende hier, nederig op de grond gelegen, een magische aantrekkingskracht op mij uit.

Overal werd gewerkt. Een jongetje, slechts een paar jaar ouder dan ik, duwde een ijzeren driewielwagentje vol kalk voort over een vers aangelegde baan. Hij volgde een touwtje dat strak in een patroon was gespannen. Het witte lijnspoor dat hij achterliet verdeelde het rode veld in vakken en mijn associatie met de gehate sovjetvlag verdween. Dit maakte het geheel abstracter, milder, speelser.

Niet alle vijf banen van de club verkeerden in het stadium dat er lijnen getrokken konden worden. Twee werden er omgespit, een andere werd met een handwals geplet en over de volgende spreidde een man met sierlijke zwaaibewegingen van zijn spade het gravel uit. Het werk werd niet gedaan door baanknechten maar door leden van de voormalige Praagse elite. Professoren, fabrieksdirecteuren, advocaten, notarissen en niet-marxistische filosofen bewerkten hun speeltuin voor het nieuwe seizoen. Een oase in de communistische hel. Op de baan waren ze nog de baas, als ze tenminste eerst voor knecht hadden gespeeld.

Ik liep door het hek, smeet mijn schooltas in de hoek en vroeg: ‘Mag ik helpen?’ Toen ik oranje thuis kwam was het al donker. Ik kreeg op mijn billen, maar voelde geen pijn, want het is heerlijk om voor liefde te lijden. En gravel werd mijn eerste liefde.

Gravel leeft. Een gravelbaan heeft op ieder uur van de dag een andere snelheid. De vochtigheidsgraad van de lucht is van belang en als de zon het oppervlak droog brandt, kan een windstoot een gravelwolk doen opwaaien die je op een cruciaal moment plotseling verblindt. De stuit van de bal is onvoorspelbaar en kan de raarste grappen met je uithalen. Als je je daardoor uit je concentratie laat halen, ben je verloren. Wie de baan niet accepteert, kan er niet op winnen.

Voor de meesten is Parijs de Eiffeltoren, de Notre-Dame, het Louvre, de Seine. Voor de tennisliefhebber is Parijs gemalen baksteen. De open Franse kampioenschappen gelden alom als het wereldkampioenschap tennis op gravel. Vernoemd naar Roland Garros, een Franse piloot die in de Eerste Wereldoorlog sneuvelde voor zijn vaderland. De naam geeft meteen het heldhaftige en traditionele karakter van het gebeuren aan.

In Parijs moet je voornamelijk fysiek buitengewoon goed voorbereid zijn. Op het langzame gravel kan zelfs een eenvoudige driesetter soms een marathonpartij worden. Op het laatst is alles rood: je sokken, je broek, je doorzwete hemd. Je knieën zijn open geschaafd. Drie, vier, soms vijf uur durende wedstrijden waarvan je er zeven in veertien dagen moet winnen, wil je niet terugzinken in de vergetelheid. Na elke wedstrijd moet je je zo goed mogelijk zien te herstellen.

‘Ik ben in de tien jaar dat ik in Parijs heb gespeeld nooit verder geweest dan het toernooiterrein en het hotel’, vertelde mijn jeugdvriend, land- en leeftijdgenoot Jan Kodes, tweevoudig winnaar van Roland Garros. ‘Als ik niet op de baan stond, lag ik op de massagetafel, in bad of op bed. Het Franse publiek is grillig, zo staat het achter je, zo laat het je vallen. Je bent als speler een gladiator, meer niet. Maar hoe het publiek zich ook gedraagt, je moet er nooit tegenin gaan, anders ga je eraan. Alleen een winnaar van Parijs kan beseffen wat zijn voorgangers hebben moeten doorstaan.’

En toch is er één winnaar van Roland Garros in wie geen van zijn collega’s zich kan verplaatsen: Rafael Nadal, de koning van het gravel. Hij won in Parijs elf keer. Voor het eerst in 2005, voor het laatst afgelopen jaar. Voordat Nadal vanaf aanstaande maandag zijn kampioenschap gaat verdedigen, wil ik mijn bewondering voor hem uitspreken, hoewel ik nooit een fan ben geweest. Pas nu hij bijna versleten is, begrijp ik ten volle zijn betekenis voor de ontwikkeling van het spel. Thiem, Tsitsipas, Zverev, maar ook de nog onbekende zeventienjarige Italiaan Jannik Sinner, en zelfs mijn dertien- en vijftienjarige jongens die net als alle kinderen op zoek zijn naar helden, hebben Nadal nodig.

Wat me altijd tegenstond aan Nadal is dat hij tenniste zoals dat met houten rackets onmogelijk zou zijn. Met zijn krachtige topspinslagen pleegde hij in mijn ogen een aanslag op de traditie. Ik zag in hem een respectloze terrorist die de decennia oude tenniscultuur aan flarden sloeg. Dat was onredelijk van me. Als Rafa al als kind zijn rackets mee naar bed nam, waren die nu eenmaal niet van hout, zoals de mijne. Hij is tenslotte geboren tijdens de Roland Garros van 1986 die door tennismachine Ivan Lendl werd gewonnen. IJzeren Ivan was de eerste tennisser die het fysieke boven de techniek stelde. En Nadals oom, Toni Nadal, die zijn neefje vanaf zijn vierde onder zijn hoede had, had hem vast niet over Bill Tilden verteld, zoals mijn vader deed, maar ik ben dan ook van 1948. Ik had Tilden ingelijst boven mijn bed hangen. Mijn moeder zag dat niet graag. Eens hoorde ik haar met mijn oor op de keukendeur geplakt tegen mijn vader fluisteren: ‘Rudolf. Bill Tilden zal wel de beste tennisser aller tijden zijn, maar hij is homoseksueel.’

‘Foei Frantiska!’ pareerde mijn vader. ‘Niet zo kleinburgerlijk alsjeblieft. De symbiose tussen het mannelijke en het vrouwelijke is wat tennis tot kunst maakt.’

Dat verhaal van die symbiose kende ik. De altijd elegante Bill pleegde volgens mijn vader de wedstrijden krachtig uit te serveren. Hij nam dan vijf ballen in zijn hand en sloeg vervolgens vier aces. 15-0, 30-0, 40-0, game, set en match. De vijfde, overbodige bal gooide Tilden volgens mijn vader achteloos weg tijdens het loopje naar het net om zijn tegenstander te bedanken.

Ik was tien toen ik eindelijk vijf tennisballen in mijn linkerhand wist te houden. Maar serveren lukte me slechts met vier ballen. Dat was niet alleen cool, maar ook nuttig. Je kon op die manier niet slordig opgooien, je moest de bal die boven de andere drie in je handpalm lag zorgvuldig als een kopje koffie omhoog brengen. De opgooi was op die manier nooit te hoog of te laag, maar precies goed, zodat je de bal kon raken in het dooie moment, wanneer hij niet meer steeg maar ook nog niet daalde.

Als vluchteling in Nederland heb ik met dat kunstje in de hoedanigheid van tennisleraar heel wat verdiend. De snelheid van Tildens laatste vier aces kwam overeen met de snelheid van de service van Boris Becker. Boris, ook wel ‘Boom Boom Becker’ genaamd vanwege de kracht van zijn slagen, heeft daarmee de tweede helft van de jaren tachtig gedomineerd. Ik was erbij toen de olympische winnaar van Seoul 1988, Miloslav Mecir, eens tijdens de baanwissel aan Becker vroeg: ‘Boris, hou je niet van tennis?’ Boris keek hem olijk aan en Milos ging verder: ‘Tennis is een spel. Waarom bederf je het toch met aces?’ Voor Becker en zijn tijdgenoten was het een koud kunstje om aces te slaan. Zij beschikten over graphite en fiberglas slagwapens, terwijl Mecir de laatste van de topspelers was die trouw bleef aan een houten racket met een handvat bekleed met leer.

Bill Tilden, in mijn kinderkamer, had helemaal niets om zijn handvat, alleen wat inkervingen in het hout tegen het glijden. In zijn kunstzinnige veelzijdigheid gaf Tilden in de jaren twintig en dertig theatershows en schreef boeken over de schaakachtige strategie van tenniswedstrijden. Op de keper beschouwd is een ace zoiets als het omgooien van een schaakbord vol stukken. Zo’n krachtige geste gebruikte Tilden alleen als slotakkoord.

Rafael Nadal tijdens de finale op de French Open Roland Garros als negentienjarige, Parijs, 5 juni 2005. © Clive Mason / Getty Images

Met mijn achtergrond vond ik het in 1994 welletjes om als trainer-coach tussen de steeds vaker steunende, kreunende en zuchtende professionals te proberen het tij te keren en het klassieke tennis voor de komende generaties te behouden.

De Amerikaan Pancho Gonzales en al die door Harry Hopman opgeleide Australiërs: Emerson, Rosewall, Hoad, Laver, Roche, Newcombe, ik had hun moeiteloze tennis op mijn netvlies. Hopman ging ervan uit dat een man alleen kampioen kan worden als hij ook buiten de baan klasse heeft. Hij achtte het onmogelijk dat iemand binnen de lijnen stijl heeft als hij zich buiten de lijnen een botterik toont. Wilde je door Hopman getraind worden, dan moest je voor alles een gentleman zijn. Het had volgens hem ook geen zin de tegenstander te haten. Heb je tegenstander lief zoals je jezelf liefhebt, predikte hij. Dat zal hem pas tot razernij brengen, mocht hij niet uit hetzelfde hout gesneden zijn. En het werkte.

Ook Björn Borg, alhoewel geen leerling van Harry Hopman, had succes met zijn onverstoorbaarheid tegen bad guys uit de nieuwe lichting tennisvirtuozen: Connors, McEnroe en de Roemeen Nastase. Zij waren in zijn gezelschap op de baan zo mak als lammetjes.

Terwijl krachttennis wereldwijd zijn intrede deed, begon ik in Nederland bij radio en televisie aan een nieuw avontuur. Op afstand genoot ik van Sampras, Krajicek, Stich en later van Federer die de klassieke tennistechniek met wat aanpassingen met succes lieten overleven. Stuk voor stuk spelers die nog met houten rackets waren begonnen.

Eind maart 2004, van zaterdag op zondag, na mijn interviewprogramma Simek ’s nachts op Radio 1 dat ik zoals altijd afsloot met ‘Blijf luisteren, blijf je verbazen samen met mij’, belde Michiel Schapers, de man die ik had gecoacht van Nederlandse middenmoot naar nummer 25 van de wereld. ‘Martin’, zei Michiel, ‘over verbazing gesproken, weet je dat Federer in Miami van een zeventienjarig Spaans jochie heeft verloren?’ Dat de 22-jarige Federer op dat moment nummer 1 van de wereld was, wist ik, maar de naam Nadal zei me niets. Michiel wel. Hij had hem als coach, die hij inmiddels was, regelmatig op jeugdtoernooien zien spelen. ‘Een geweldige atleet die niet weet van opgeven.’

‘Speelt hij met topspin?’ vroeg ik.

‘Reken maar’, zei Michiel.

‘Federers forehand is beter dan de jouwe, dat geldt ook voor zijn backhand en service. Jullie volleys zijn al helemaal onvergelijkbaar. En toch heb je een kans’

‘Dat belooft niets goeds’, mompelde ik nog, maar Schapers had al neergelegd, hij was tenslotte nog altijd een sporter.

Spanjaarden waren indertijd overtuigde topspinspelers die met nieuwe rackets het klassieke spel van hun Spaanse tennisvaders Andrés Gimeno (in 1961 de beste Europese professional) en Manuel Santana (Wimbledon-winnaar in 1966 en US- en French Open-winnaar in 1965 respectievelijk 1964) verloochenden. Hoewel, dat verloochenen klopte niet helemaal. Santana was de uitvinder van de topspinlob. Ik werd in één keer veertig jaar terug in de tijd geworpen en zag me rennen met mijn vriendjes van de ouderwetse Praagse tennistempel Stvanice, terug naar onze tennisbanen in Hanspaulka. Wij wilden de uitvinding van Santana zo snel mogelijk imiteren, om haar niet, godbetert, te vergeten. Wij hadden het die middag afgekeken tijdens de Davis Cup-wedstrijd Tsjechoslowakije-Spanje. Tot dan toe werd de lob alleen vlak of met onderspin gespeeld. Voordeel van de topspinlob is dat al wordt hij door de netspeler die als een haas naar achteren rent gehaald, hij na de stuit alsnog van hem wegspringt. Dat leidde op het Praagse Stvanice tot hilarische taferelen.

Rafael Nadal bleek inderdaad een topspinmonster te zijn. Met zijn hoog en voorwaarts stuitende slagen haalde hij verreweg de meeste tegenstanders uit hun comfortzone. Iedere tennisser heeft namelijk zijn favoriete plek waar hij het liefst de bal raakt. Meestal voor het lichaam op heuphoogte. Snel bewegen en desnoods diep door de knieën gaan moet ervoor zorgen dat de speler van alle verschillende ballen die hij krijgt, korte, diepe, hoge, lage, als het ware dezelfde bal maakt. De ballen van Nadal hadden zoveel spin dat Federer bij de vertaling naar dezelfde bal vaak zo ver naar achteren moest stappen dat hij bijna op de schoot van de lijnrechters belandde. Bovendien, van zo ver achter de baseline is het haast onmogelijk om je tegenstander onder druk te zetten. En je loopt je het leplazarus, want jouw speelhelft wordt groter.

Maar al deze technische karakteristieken van Nadals spel zouden in Miami niet voldoende zijn als Nadal zich daar niet de vechter toonde die inmiddels de hele wereld kent. Historisch is het gesprek dat Rafael voor de wedstrijd met zijn oom voerde: ‘Hoe zie je mijn kansen?’ vroeg de zeventienjarige. Oom Toni nam de tijd om te antwoorden. En toen kwam het: ‘Federers forehand is beter dan de jouwe, dat geldt ook voor zijn backhand en service. Jullie volleys zijn al helemaal onvergelijkbaar.’

‘Stop stop!’ riep Rafael. Hij voelde zich kleiner worden. Maar zijn oom ging door: ‘En toch heb je een kans. Beschouw elk punt als een aparte wedstrijd, waar keer op keer je leven van afhangt.’

Dat deed Nadal. En dat doet hij nog altijd. Hij sloopt zijn tegenstanders, maar hij sloopt helaas ook zichzelf. En hij weet het, zijn oom houdt hem nog altijd een spiegel voor. Al zou het misschien ook een beetje aan het matige Engels van Toni te wijten kunnen zijn toen hij een paar weken geleden in aanloop naar Roland Garros min of meer het volgende zei: ‘Rafa is op dit moment geen speler. Hij is een invalide die tennist.’ En toch geeft Toni zijn neef, die zich voor de verandering weer terug aan het vechten is na een maandenlange blessure, een reële kans op de twaalfde overwinning. En Rafa’s hart, daar kun je gif op innemen, klopt deze dagen alleen voor die beker.

Des te meer ik me in de loop der jaren in Rafael Nadal heb verdiept, des te vaker ik hem zag spelen, vechten, geblesseerd raken, herstellen en weer vechten, spelen, winnen, geblesseerd raken, des te minder wist ik wat ik ervan moest denken. Iedere tennisser is paard en ruiter tegelijk. Nadal is beslist geen renpaard zoals Tilden waarschijnlijk was, en Laver, en zoals Federer is, die bereden en berijden zichzelf met zorg. Nadal is een trekpaard geworden dat wordt aangemoedigd om zichzelf af te beulen. En dat doet hij.

Hij was nog maar zestien jaar en tien maanden toen hij in de top-honderd van beste spelers ter wereld kwam. Op Roland Garros zou hij dat jaar zijn zeventiende verjaardag vieren. Dat ging mooi niet door: elleboogblessure. Toch wist hij dat jaar als nummer 49 af te sluiten. Drie maanden later rekende hij zoals gezegd in Miami af met Federer, maar ging ook zijn linkervoet eraan: stressbreuk. Het gravelseizoen ging aan hem voorbij. Ook zijn achttiende verjaardag kon hij dus niet in Parijs vieren.

Zijn oom Toni vertelt tegenwoordig hoe het hem in de beginjaren verbaasde hoe snel Rafael van zijn eerste blessures herstelde. Later verbaasde hem dat steeds minder, en vandaag vindt hij dat vanzelfsprekend. ‘Blessures horen bij Rafael’, zegt hij. Hoewel Toni Nadal sinds een kleine twee jaar niet meer officieel Rafaels coach is – die eer heeft nu Carlos Moyà – is hij er nog altijd bij als oom. Vorige week nog in Rome speelde hij met Rafa tijdens de wolkbreuk die de hele woensdag duurde Parchís, een soort Spaanse Mens erger je niet.

Als Rafaels lichaam het op een dag begeeft, zal Nadal de geschiedenis niet ingaan als de beste tennisser ooit. Met die eer zal Roger Federer strijken, vanwege zijn techniek, elegantie en creativiteit. Rafael Nadal zal hooguit de geschiedenis ingaan als gravelvreter.

Zijn zestigjarige oom Toni blijft echter met stip de meest succesvolle coach aller tijden. Hij heeft immers bijgedragen aan zestien grandslamoverwinningen van zijn neef. Zoveel succes heeft zelfs Lennart Bergelin, de trainer-coach van Björn Borg, niet gehad. Zij schreven samen ‘slechts’ dertien grandslamtitels op hun naam. Het verschil tussen Lennart Bergelin en Toni Nadal is dat Bergelin tot de wereldtop van zijn tijd behoorde, terwijl Toni Nadal nauwelijks kan tennissen. Het sporttalent van de familie Nadal lag niet bij Toni, niet bij Rafa’s vader Sebastian, die ondernemer is, maar bij Ángel Nadal, de voetballer, een andere oom van Rafael, ‘Beest van Barcelona’ vanwege zijn lichamelijkheid bij elk gevecht om de bal. 62 keer kwam hij uit voor Spanje, onder andere op drie wereldkampioenschappen. Het lijkt erop dat Toni’s kracht er vooral in schuilde dat hij nergens echt voor deugde, zodat hij alle tijd had om zich binnen de hechte familie over het talentvolle veulentje Rafael te kunnen ontfermen.

Om het vertrouwen van het jochie te winnen heeft hij hem niet alleen op de mouw gespeld dat hij een tenniskampioen was, maar ook dat hij een mago was, een tovenaar. Op de dag dat de kleine Rafael zijn eerste wedstrijd moest spelen en zich zorgen maakte, stelde de mago hem gerust. ‘Niet bang zijn. Mocht je op achterstand komen, dan zorg ik dat het gaat regenen.’ Rafael kwam inderdaad achter en het ging regenen. Waarschijnlijk op dat moment kreeg hij een blind vertrouwen in Toni. Hij wendde zich onmiddellijk tot hem en riep: ‘Stop de regen. Ik ga winnen.’ En verrek, het stopte met regenen. En Rafa won. Het leven zit vol wonderen.

Op zijn achtste sloeg Rafael alles behalve de service met twee handen, zoals hij op zijn vierde was begonnen. Toni meende te moeten ingrijpen. Hij zei: ‘Niemand in de wereld speelt zo. Dus dat lukt jou ook niet. Je moet kiezen.’

Hij wist klaarblijkelijk niet dat de geheel dubbelhandige Gene Mayer veertien jaar eerder op precies dezelfde manier de nummer 4 van de wereld was geworden.

Rafael schrok zo van de hem opgelegde keuze dat hij in de verwarring voor de linkshandige forehand koos, terwijl hij rechts was. Toni vond dat goed.

In 2000, op zijn veertiende, was Rafa desondanks zo goed geworden dat de Spaanse federatie vroeg of hij naar Barcelona wilde verhuizen. Rafael bleef op Mallorca, zijn geboorte-eiland, waar de tijd stilstaat. Waarschijnlijk ten koste van zijn tennistechniek, die ondanks zijn enorme talent niet werd verfijnd. Toch is hij nummer 1 van de wereld geworden, en promoot hij zijn eiland en zijn oom. Toni leidt nu op het eiland de Rafa Nadal Academy en reist de tennissymposia af als grote motivator en tennisfilosoof. Het restaurant van vader Sebastian zit vol toeristen en Rafa gaat in oktober op Mallorca trouwen met het meisje met wie hij al vanaf zijn negentiende omgaat. Hij blijft bescheiden en zei vorige week tegen de Italiaanse Gazzetta dello Sport dat hij herinnerd wil worden als goed mens.

Maar wat is dan het belang van Nadal voor het tennis? Wat is zijn voorbeeldfunctie?

Nadal belichaamt de wil en verschuift voortdurend haar grenzen. Hij laat de moeilijkste weg naar de top zien. Het is bemoedigend voor iedereen die in potentie geen Tilden, Laver of Federer is. Tegelijkertijd is Nadal een eindexamen voor iedereen die zich tenniskunstenaar waant. Wie daar te lichtzinnig over denkt slaat zich tegen de rots Nadal te pletter. De tragedie van Rafa is dat hij als renpaard is geboren en als trekpaard is begeleid. Onvergeeflijk. Alle goede bedoelingen van zijn familie ten spijt. Hij is voor een kwartje geboren en hij is nu een dubbeltje, dat met tennis meer dan driehonderd miljoen dollar heeft verdiend.


Lees ook: