Ger Groot

Icoon

Vandaag bijna 25 jaar geleden werd Sartre door de straten van Parijs ten grave gedragen, gevolgd door minstens vijftigduizend mensen. Het was geen rouwende menigte, zo herinnerde de Chileense schrijver Ariel Dorfman zich twee weken terug in El País. Zijn eigen treurnis ketste af op een nors soort onverschilligheid, alsof er een boek en niet een man ter aarde werd besteld. Van de weeromstuit vergoot hij, speciaal voor de gelegenheid overgekomen uit Amsterdam, op het kerkhof van Montparnasse bittere tranen.

Bij zijn artikel drukte El País een foto af: het open graf, de kist en daaromheen honderden gezichten. Eén ervan moet het mijne geweest zijn, onherkenbaar in het gedrang. Ik weende geen bittere tranen. Ook voor mij was Sartre een voorbije held, verdrongen door de nieuwe meesters van het poststructuralisme.

Vijf jaar daarvoor had ik L’être et le néant gelezen en wat daar aan literatuur en filosofie omheen hing. Uit mijn bibliotheekexemplaar van L’existentialisme est un humanisme was een krantenknipsel gevallen. «Sartre in het dagelijks leven», stond erboven. Het stuk moest in 1949 in een katholieke krant verschenen zijn, en nogal neerbuigend beschrijft de correspondent «het naar uiterlijk weinig opvallend mannetje, dat onplezierig scheel kijkt achter zijn brilleglazen» en wiens werk prompt verwezen was naar de «index librorum prohibitorum der Rooms-Katholieke Kerk».

Toch kon de schrijver zijn fascinatie niet verbergen voor de «gevatheid» waarmee Sartre reageerde op het kerkelijk verwijt van «immoraliteit en een opschudding wekkende degeneratie». Uit zijn boeken had de kerk volgens hem kunnen afleiden «dat het mensdom zonder hoop is wanneer het niet gelooft in God». Als het citaat correct is, onthult het een ironie waarop Sartre zelden is betrapt. Misschien liep hij daarin nu eens vooruit op zijn inspirator Heidegger, in wiens latere verzuchting dat «alleen een God ons redden kan» ook maar weinigen de irrealis onderkennen.

Op weerstand tegen Sartres somberheid had het katholicisme evenmin het patent als de communistische partij, die Sartre volgens de kroniekschrijver in die jaren graag de oren waste met Lenins tirade tegen existentialisme en andere «professorale wartaal». Al voor de oorlog had zelfs Gaston Gallimard zijn bezwaren gehad tegen Sartres roman La nausée, die hem onder de veelzeggende titel Melancholia ter publicatie was aangeboden. «Te lang en te cru», vond Gallimard. Pas na schrapping van 45 passages en een eigenhandig veranderde titel mocht het boek van hem verschijnen.

In de oogverblindende catalogus van de Sartre-expositie die tot augustus in de Bibliothèque Nationale te zien is wordt het gesteggel rond het boek niet verdoezeld. Sartre stond op dat moment pas op de drempel van zijn beroemdheid. Bladzijde na bladzijde ziet men hem daarna een instituut worden – tot hij (vreemd genoeg voor een auteur wie het zozeer om het dagelijks bestaan te doen was) bijna ophield menselijk te zijn. Misschien had Dorfman daarom wel gelijk. Wat in 1980 begraven werd, was niet een man maar een boek dat tot bibliotheek was uitgegroeid. En meer dan dat: een symbool van wat toen al een verleden eeuw geworden was.

Onder die titel heeft Bernard-Henri Lévy op het moment waarop «de eeuw van Sartre» ook kosmologisch was afgelopen, diens nagedachtenis alsnog gerehabiliteerd. Het was een roerende en welkome hommage, die niettemin de mythe van de «denkende machine» in stand hield waarmee ook Annie Cohen-Solal in haar biografie Sartre vergeleken had. Hij was een tomeloze bron van intellectuele energie die – zo laat de tentoonstellingscatalogus duidelijk zien – een hele industrie aandreef.

En plots herinner ik me mijn verbazing bij de gedachte – jaren na zijn begrafenis – dat Sartre ook een persoon geweest moet zijn. De depressie die aan Melancholia ten grondslag had gelegen getuigde ervan, maar mijn eigen onthutsing bewees hoe radicaal en vanzelfsprekend zijn canonisering zich voltrokken had. Al in 1949 was hij een icoon geworden waarachter onmogelijk nog te ontwaren viel hoe Jean-Paul – in de woorden van Safranski – ooit Sartre was geworden.