Commentaar: Joegoslavië

Idealen blijven zeuren

Het ziekbed heeft lang geduurd, maar ten langen leste is het einde dan toch gekomen. Joegoslavië is niet meer.

Het schijnt weinigen te deren in het Westen. Joegoslavië was immers al lang een besmeurd vod in de ogen van velen. Besmeurd met het bloed van de honderdduizenden die zich doodvochten, afgeslacht werden, door mortieren en sluipschutterssalvo’s werden bestookt. Bezoedeld met de drek van ontelbare vluchtelingen. Miljoenen ex-Joegoslaven raakten sinds 1991 ontheemd, en slechts een deel kon terugkeren naar wat restte van hun huizen. De bloedvlekken die voor veel Nederlanders het helst afstaken tegen de grauwe Joegoslavische jute waren de onuitwisbare schandplekken van de zevenduizend Bosniërs die onder de ogen van Nederlandse Dutchbattroepen en de hele internationale gemeenschap werden afgevoerd en afgemaakt.

En nu eindelijk, is het smoezelige vod verscheurd, verproffeld en verbrand. In rook opgegaan, verdwenen.

Maar Joegoslavië was ook een ideaal, het ideaal van een multi-etnische samenleving. En idealen kun je niet verscheuren, verproffelen of verbranden. Zo makkelijk kom je niet van ze af. Idealen blijven zeuren.

De geschiedenis van het moderne, communistische Joegoslavië dat in 1945 door Tito en zijn partizanen werd gesticht op de puinhopen van de Tweede Wereldoorlog, is verworden tot een legende. Een sprookje met wrede wendingen en een ongelukkig einde.

Ooit, nog niet eens zo heel lang geleden, was er een land dat Joegoslavië heette. Een natie van vele volkeren en etnische groepen. Tito’s Joegoslavië werd geschraagd door bratsvo i jedinstvo — broederschap en eenheid. Van de Zuid-Slaven (joego betekent zuid), maar niet alléén van hen. Ook van al die andere niet-slavische etnische groepen die in de grondwet hun eigen culturele rechten verkregen. De zes republieken waaruit de Joegoslavische federatie ging bestaan, waren constituerende republieken, de moederlanden van Kroaten, Serven, Slovenen, Macedoniërs en Montenegrijnen. Bosnië bestond wel als republiek, maar vertegenwoordigde geen volk. De Bosnische bevolking was uiterst heterogeen. Maar de Moslims (met een hoofdletter, want Tito erkende hen als volk, of men nu moslim was of niet) identificeerden zich steeds sterker met Bosnië. Zoals het echte broeders betaamt, konden de constituerende volken huns weegs gaan als ze dat beter leek — althans, als de bevolking dat zo besliste in een referendum. Etnische groepen die buiten Joegoslavië al een «eigen» republiek hadden, zoals Albanezen, Hongaren, Roemenen en Bulgaren stond het vrij te verhuizen naar hun moederland. Tito was in feite De Vader van allen, al was zijn aanspreektitel: kameraad! Ook voor de groepen zonder moederland, zoals de Vlachen en de Roma. En zelfs voor de Duitsers, die er in de grondwet onder het kopje «overigen» nogal bekaaid vanaf kwamen.

Een strenge Vader was Tito wel, zo een die in een handomdraai korte metten liet maken met tegenstanders. Hetzij op het strafeiland Goli Otok, dan wel door middel van zijn gruwelijk effectieve geheime dienst sluzba bezbednosti. Een aparte categorie, die vaak door Tito’s wrede hand werd gespaard, vormden de «Joegoslaven»: zij die zich wensten te verheffen boven bloed en bodem, vaak doorgewinterde communisten, en die kozen voor een non-etnisch bestaan. Slobodan Milosevic behoort daartoe.

Met de Joegoslavische broederschap en eenheid is het al meer dan een decennium gedaan. Het wegvallen van De Vader was daarvan een oorzaak, en vooral ook de economische en ideologische crisis waarin het land en zijn leiders in de jaren tachtig terechtkwamen. Voor Kroatië en Slovenië was het sprookje toen uit. Zij weigerden nog langer financieel bij te dragen aan de noodlijdende rest van Joegoslavië. De Kosovo-Albanezen, met wier demonstraties in 1980, meteen na Tito’s dood, de desintegratie in feite begon, hadden nooit in het sprookje geloofd. Zij eisten autonomie. De onvoorstelbare middelpuntvliedende krachten die het nationalisme in zich bergt begonnen hun sloopwerk te verrichten. Flink geholpen door Slobodan Milosevic, die zich gedroeg als Sysifus die met zijn wassen vleugels richting zon vloog toen hij dacht het ontwakende Servische nationalisme te kunnen gebruiken om Joegoslavië bij elkaar te houden.

In juni moeten de parlementen van Joegoslavië, Servië en Montenegro nog officieel vaststellen dat de dood is ingetreden, maar dat is een formaliteit. De patiënt is reeds koud en versteend.

Het lijkt of de loop der gebeurtenissen reden geeft tot het gevoel dat een periode is afgesloten. Een periode van oorlog en ellende, honger en verdriet. Maar dat is schijn. Nog jarenlang zal Joegoslavië blijven spoken. Niet alleen in de hoofden van de vele vluchtelingen die ex-Joegoslavië nog altijd herbergt, en in de geesten van de moeders die hun zonen verloren. Maar ook in het Westen. Telkens als de branietronie van Milosevic weer op de buis verschijnt, terwijl hij getuigen verhoort. Als Mladic en Karadzic eindelijk gevankelijk naar Den Haag zullen worden afgevoerd. En als weer iemand het niet kan laten te herinneren aan de fatale gevolgen van de erkenning door de EU van de Kroatisch-Sloveense onafhankelijkheid, en de wankelmoedige houding van het Westen toen het moorden losbarstte.

Hopelijk zweeft Joegoslavië ook zo nu en dan voor het geestesoog van hen die wél geloven in een multi-etnische samenleving. Die zich weigeren neer te leggen bij het primaat van het nationalisme, en met recht durven zeggen: Joegoslavië was een ideaal dat vroeger of later zal herleven.