Essay: Bij links zijn versleten verhoudingen de norm

Idealisme drijft conservatieven

De progressieve elite zal eraan moeten wennen dat de conservatieven de idealisten van nu zijn, en dat zij zichzelf in de hoek van de reactionaire krachten heeft geplaatst. Bij links zijn versleten verhoudingen de norm.

«Het is mij altijd weer gelukt een gehoor teleur te stellen dat mij naar de betekenis van het conservatisme vroeg», schreef de Amerikaanse journalist William F. Buckley jr. ooit. De woorden klinken in hun ironie wat gelaten, maar moeten voor Buckley ook een pijnlijke erkenning hebben ingehouden: hij heeft immers zo ongeveer zijn gehele leven gewijd aan het uitdiepen en uitventen van het conservatisme, onder andere door de oprichting van de National Review.

Buckleys ontboezeming is om meerdere redenen begrijpelijk. Het ís niet gemakkelijk om uit te leggen wat conservatisme is. Maar wie die taak in Nederland op zich neemt, kan inmiddels wel op een welwillend gehoor rekenen. Het conservatisme zit in de lift, zo lijken we te moeten concluderen, want velen maken zich druk over het lot van de conservatieve beweging in Nederland. Men maakt zich zelfs zorgen — al is dat op grond van verkeerde informatie — over de dreigende teloorgang van een conservatieve denktank die net zo lekker op stoom was (trilogie in Vrij Nederland). Bezorgd werpen velen zich ook op als bewakers van de zuiverheid van het conservatieve gedachtegoed. Verlaat de leer van Burke en Hayek niet! roepen Pieter van Os in De Groene Amsterdammer (27 september) en Bert Schriever in de Volkskrant (1 oktober). Val niet in de armen van Hobbes! voegde een sympathisant als John Gray daar in het maandblad M van NRC Handelsblad aan toe. Want de steeds groter wordende groep Nederlanders die als conservatief uit de kast komt, loopt het gevaar het «echte» conservatisme in te wisselen voor zogeheten «neoconservatisme» en zich daarmee als de jacobijnen en bolsjewieken van de 21ste eeuw te ontpoppen, zo luidt hun waarschuwing.

Waarom blijft het zo lastig om uit te leggen wat conservatisme is? In de eerste plaats natuurlijk omdat het als begrip door zoveel misverstanden en vooroordelen is omgeven. Ik hoef het hier niet te hebben over de steeds kleiner wordende groep van slecht geïnformeerden die «conservatisme» nog altijd verwarren met «reactionair» of «blinde behoudzucht». Anderen associëren het conservatisme ongeclausuleerd met het neoliberalisme uit de jaren tachtig. Alhoewel het bewind van Margaret Thatcher en vooral Ronald Reagan vele aspecten had die de sympathie van conservatieven opriepen, moet benadrukt worden dat conservatieven geen marktfetisjisten zijn: zij huiveren voor de toepassing van de wetten van de markt op terreinen die buiten het domein van de economie vallen, zoals de familie en het onderwijs.

Dat het zo lastig is, heeft echter ook iets te maken met het conservatisme zelf. Juist omdat conservatieven hun uitgangspunt nemen in het historisch gegroeide, heeft het conservatisme zich in verschillende landen en op verschillende plaatsen in zeer verschillende gedaanten gemanifesteerd. Bovendien zijn er ook verschillende politieke filosofieën die alle de naam «conservatisme» dragen. We kunnen er op z’n minst drie onderscheiden (en het zou niet moeilijk zijn het verhaal nog wat ingewikkelder te maken): de sceptische, de romantisch-historische en de natuurrechtelijke variant. Die drie «conservatismen» (als ik me zo’n postmodernisme mag veroorloven) hebben geen gemeenschappelijke kern, maar wel een belangrijke gemeenschappelijke deler. Die gemeenschappelijke deler bestaat in het inzicht dat onze werkelijkheid een weerbarstige is, dat utopieën en blauwdrukken uit den boze zijn, en dat orde (extern en intern) de chaos van het leven moet bedwingen.

Conservatisme als beweging, zo kunnen we uit het voorgaande concluderen, is dus altijd een coalitie van denkrichtingen die vanuit verschillende levensbeschouwelijke achtergronden kan worden gevoed, maar die wel in staat is een gemeenschappelijk uitgangspunt en zeker gemeenschappelijke doelstellingen te formuleren. De hoedster van het conservatisme in Nederland, de Edmund Burke Stichting, presenteert zich niet voor niets als een platform voor gedachtevorming. Zij is geen kerk met een confessie, een politiek partijtje staat niet op haar agenda, en de betrokkenen hoeven ook niet met elkaar op vakantie.

Een van de conservatieve denkers bij wie alle hierboven geschetste lijnen prachtig samenkomen is de Franse politiek-filosoof Alexis de Tocqueville (1805-1859). Tocqueville was een aristocraat die een groot deel van zijn familie tijdens de Revolutie had verloren. Maar hij ontwikkelde zich niet tot een nostalgische reactionair. Hij zag dat de ontwikkeling naar een democratische en moderne samenleving, gebaseerd op het ideaal van de sociale gelijkheid, een onvermijdelijke en rechtvaardige, misschien zelfs wel «providentiële» was. Om die reden vertrok hij naar de Verenigde Staten. Daar immers had de democratie zich al gevestigd, en daar kon hij dus niet alleen bestuderen hoe een democratische samenleving in elkaar steekt, maar ook welke invloed dat type samenleving op de mentaliteit van haar bewoners heeft.

Tocqueville stelde vast dat democratie ook gevaarlijke schaduwzijden had. Hij vond het dringend noodzakelijk die «pathologieën» te benoemen en er remedies voor te zoeken. Zo was hij bang voor een tirannie van toevallige meerderheden en vond hij dat een besef van niet te overschrijden waarden en normen en een fijnzinnig uitgebalanceerde rechtsstaat daaraan een halt moest toeroepen. De rechtsstaat is een betere garantie van vrijheid dan democratie, zo betoogde ook onlangs Fareed Zakaria in zijn tocquevilliaanse boek The Future of Freedom.

Tocqueville ontdekte ook dat sociale gelijkheid weliswaar tot een maatschappij leidt waarin in principe alles voor iedereen open staat, maar dat als gevolg daarvan ook het individualisme toeneemt, het zich terugtrekken ook in het privé-domein, een afnemend besef van verantwoordelijkheid voor de publieke zaak, en het overhevelen van steeds meer taken en verantwoordelijkheden naar de staat. Het schrikbeeld dat in zijn geest opdoemde was daarom het spook van het «softe despotisme» van een overheid die als een herder over een kudde verstrooide schapen waakt, en die schapen in bedwang houdt door ze van hun kleine pleziertjes en genoegens te voorzien.

Tocqueville formuleerde drie remedies: religie, subsidiariteit en verdere democratisering. Alhoewel zelf een agnost, zag Tocqueville het grote belang in van een geloof dat mensen van de waarden en normen voorziet die hun boven henzelf en hun particuliere belangen doet uitstijgen en een besef van verantwoordelijkheid voor de samenleving als geheel bijbrengt. Of hij dit pleidooi voor religie anderhalve eeuw later ook zou hebben afgestoken, is natuurlijk niet zeker. Het principe van de subsidiariteit moest leiden tot een civil society van actieve burgers die als een buffer tussen de overheid en het individu in komt te staan. En directere vormen van democratie moest mensen ertoe brengen — al was het maar uit welbegrepen eigenbelang — zich actiever met de politieke zaak in te laten.

Deze combinatie van historisch inzicht, rechtsstatelijke checks and balances tegen de stem van het volk, tijdloze waarden en normen, civil society en democratisering voorziet alle conservatieven — van welke denominatie ook — van een specifieke visie op de verhouding tussen mens, maatschappij en politiek (en vooral op de natuurlijke krachtsverhoudingen tussen die drie), die hen in staat stelt de bestaande situatie kritisch tegemoet te treden en een zeker idealisme te ontwikkelen (al mag dat nooit in een ideologie omslaan). Vanuit hun waardering voor geloof en religie (al zijn vele conservatieven niet gelovig) hebben zij, denk ik, ook een scherper oog voor het gevaar van niet-civiliseerbare religies die een bedreiging van de democratische rechtsstaat vormen.

Hier loopt op dit moment de grote scheidslijn tussen «links» en «rechts», tussen «progressief» en «conservatief». Het ontbreekt «links» aan een uitgewerkte, politiek-theoretisch onderbouwde visie op de samenleving. Ze weten wel te schuiven met honderd miljoen van hier naar daar, beloven daarbij meer banen, al worden tegelijkertijd de lasten zwaarder en loopt het tekort op, maar zijn niet in staat de (achtergrond van) problemen te definiëren en van een adequaat antwoord te voorzien. Het grote probleem met de progressieven is namelijk dat zij niet progressief meer zijn, maar zich hebben ontwikkeld tot de reactionaire verheerlijkers van gepasseerde tijden. Wie daarvan een voorbeeld wil hebben, leze willekeurig welke column van de nog altijd voortvluchtige Marcel van D. uit Hulshorst.

Maar laten we proberen de moed er een beetje in te houden (want waarom zouden we een tirade beginnen tegen de generatie van babyboomers die zo ontzettend goed voor zichzelf hebben gezorgd en al die «verworvenheden» nu bedreigd zien) en als voorbeeld de genoemde jurist Bert Schriever nemen. In zijn betoog figureert Edmund Burke als beschermheer van «het bestaande en het historisch gegroeide» en om die reden zouden conservatieven zich voor de verzorgingsstaat moeten uitspreken.

Conservatieven zullen deze suggestie zeker niet volgen, omdat juist die verzorgingsstaat tot een erosie van de civil society heeft geleid, en daarmee dat tocquevilliaanse spookbeeld van een almachtige overheid en een amechtige kudde die door uitkeringen en subsidies in leven wordt gehouden niet alleen heeft opgeroepen maar ook volledig gerealiseerd. De verzorgingsstaat is ontaard in «collectieve bedelarij» (Afshin Ellian).

Wie in de school van Burke, Tocqueville en Hayek iets heeft geleerd van het grote belang om de overheid binnen de perken van haar eigen domein te houden en in plaats van voor een inactieve samenleving met hoge belastingen voor een actieve samenleving met lage belastingen te pleiten, zal het beleid dat het huidige kabinet ontwikkelt dankbaar begroeten als hopelijk het begin van een conservatieve omwenteling, ook al doet het realiteitsbesef inzien dat het uiteindelijke resultaat niet gauw een type samenleving als de Amerikaanse zal zijn, maar meer iets als «een meer bevredigende balans tussen de rijke faciliteiten van de verzorgingsstaat en de persoonlijke inzet van loyale burgers», zoals Leon de Winter het formuleerde in de Elsevier van 27 september.

Een gebrek aan visie leidt tot de starre behoudzucht van de angst. Waar een visie aanwezig is, is ook een norm waaraan de werkelijkheid wordt getoetst, en is er ook het enthousiasme (dat per definitie iets van haast reaganesk optimisme met zich meebrengt) om de stroom van de tijd in een bepaalde richting bij te buigen. Omdat we dan weten waar we naartoe willen: naar een vrije samenleving van burgers voor wie fatsoen het product van gewetens- en karaktervorming is, van sterke instituties en van een kleine overheid die haar kerntaken kordaat ter hand neemt.

Dat brengt ons nu als vanzelf tot de oorlog in Irak en de malicieuze invloed (volgens critici) van die vermaledijde neoconservatieven op het beleid van president Bush. Het contrast tussen conservatieve voorzichtigheid en het voeren van een oorlog wordt hier en daar overigens wat al te zeer opgerekt. Was het niet Burke zelf die Engeland opriep tot een oorlog tegen Frankrijk om te voorkomen dat de Fransen hun revolutionaire gedachtegoed ook elders op het continent zouden verspreiden? En in dit blad werd twee weken geleden al over Hayek vastgesteld dat hij in veel opzichten op de «rechtse revolutionairen» leek «die nu in Washington de dienst uitmaken», onder andere vanwege zijn «uitgesproken activistisch standpunt» in de buitenlandse politiek.

Maar «Irak» is in veler oog een heel andere kwestie. Wat daar is gebeurd, was volgens de vele critici van het neo conservatisme niet minder dan de uitwerking van de waan gedachte dat we iets kunnen scheppen door vernietiging, dat we met een bommenregen een democratie kunnen vestigen. Er zou in feite sprake zijn van een agressief neowilsonianisme, dat in de kern hartstikke links is. En de Burke Stichting heeft zich opgeworpen als verdediger van die oorlog (ondanks dissidente stemmen in haar midden), al was het maar door Arend-Jan Boekestijn als haar woordvoerder in dezen te presenteren.

Het woord «neoconservatisme» valt dezer dagen misschien wat al te vaak. Hier in Nederland wordt het veelal gebruikt om de nieuwe conservatieve beweging als geheel aan te duiden, terwijl het in Amerika voor een specifieke groep intellectuelen staat — joods, East Coast, met een links-radicaal verleden — die samen met religieus rechts, de rechtse hippies van het libertarisme en traditionele conservatieven de achterban van de Republikeinse Partij vormen. Dit verschil verdient enige nadruk omdat de godfather van de neoconservatieven, Irving Kristol, zich onlangs nog nadrukkelijk heeft gedistantieerd van de hayekiaanse angst voor een grote staat («The Neoconservative Persuasion», in The Weekly Standard van 25 augustus). Een hayekiaanse wending naar een verandering van de relatie tussen de staat en het individu, leidend tot een steeds verder terugdringen van de grenzen van de staat verdient dus niet het predikaat «neoconservatief».

Bij diezelfde gelegenheid heeft Kristol ook de principes van de neoconservatieve buitenlandse politiek nog eens uitgelegd. De neoconservatieve houding berust op vier uitgangspunten: patriottisme is een natuurlijk en gezond sentiment, dat moet worden aangemoedigd; een wereld regering is een afschuwelijke gedachte omdat het tot wereldtirannie leidt; staatslieden moeten vrienden van vijanden kunnen onderscheiden, wat niet zo gemakkelijk is zoals vele intellectuelen tijdens de Koude Oorlog hebben bewezen; «nationaal belang» moet voor een wereldmacht, en zeker voor een unieke wereldmacht als de Verenigde Staten, niet zozeer een geografische term zijn als wel een ideologisch begrip. Het behelst ook de noodzaak democratieën te verdedigen, zoals de Israëlische in het Midden-Oosten. Macht brengt verantwoordelijkheden met zich mee, of die nu welkom zijn of niet.

De oorlog in Irak is gerechtvaardigd en verdedigd met de gebruikelijke en noodzakelijke retoriek, waarvan velen nu echter zeggen dat alle aangevoerde argumenten in strijd met de feiten waren. Saddam had immers — om één voorbeeld te geven — geen vernietigingswapens. Ze zijn in ieder geval nog niet gevonden.

Dat die wapens nog niet zijn gevonden, kan komen doordat Saddam slechts blufte dat hij ze had (een sterk argument tegen bluf overigens), doordat hij over het type chemische wapens beschikte dat gemakkelijk kan worden ontmanteld en verborgen, of doordat alle Iraakse wapendeskundigen tot nog toe hebben gezwegen omdat zij tijdens hun verhoren er nog niet zeker van waren dat de Amerikanen ook de vrede zouden winnen. Bovendien heeft David Kay in zijn rapportage wél vastgesteld dat Iraakse generaals het bestaan van die wapens hebben bevestigd, dat gewone burgers verboden materiaal verborgen hebben moeten houden, en dat de Moekhabat, de Iraakse geheime dienst, over meer dan twintig verboden laboratoria beschikte waar de capaciteit in stand werd gehouden om biologische en chemische wapens te produceren.

Maar het belangrijkste punt was en is dat Saddam het type dictator was dat de internationale gemeenschap niet zijn gang kon laten gaan omdat hij die wapens — als hij ze inderdaad niet had — dan binnen vijf of tien jaar wel zou hebben gehad. Alleen al die dreiging rechtvaardigde een preventieve oorlog. Dan hebben we het nog niet eens over het morele argument dat de ontkenning van de mogelijkheid om democratie in Arabische landen te brengen als een vervelende vorm van racisme ziet.

Als de neoconservatieven in de Amerikaanse regering hebben gedacht (waarvan ik overigens nooit bewijzen heb gezien) dat het vestigen van een democratie binnen een handomdraai mogelijk was, dan zou dat van een onverantwoorde naïviteit getuigen. We mogen hopen dat Irak door de verdrijving van het regime van Saddam nu in een pre democratische fase verkeert die zal uitmonden in een publieke ruimte met rechten en vrijheden voor alle minderheden. En daarvoor is een langdurige aanwezigheid van militaire troepen en civiele hulpinstanties — of welk eufemisme we verder voor een nieuwe vorm van kolonialisme zouden willen bedenken — een absolute voorwaarde. Tony Blair heeft natuurlijk gelijk: het Irak van nu is er beter aan toe dan voor de oorlog. Dat is inderdaad aan rechtse idealisten te danken. Ook op dit punt had de «progressieve» gemeente alles het liefst bij het oude gelaten.