Naomi Klein

Ideeën kun je niet bombarderen

Wie is Muqtada al-Sadr echt? Hij is geen anti-imperialistische bevrijder, zoals hij door links wel is genoemd, maar iemand die de buitenlanders weg wil hebben uit Irak zodat hij zelf grote delen van de bevolking kan controleren. Ook is hij niet de eendimensionale crimineel die de media vaak van hem maken, zodat veel liberalen een excuus hebben om hun mond te houden terwijl Sadr niet mag meedoen aan verkiezingen en de andere kant op te kijken terwijl Amerikaanse troepen Sadr-stad bombarderen.

Muqtada al-Sadr verdient nog steeds het recht een politieke krant uit te geven – niet omdat hij in vrijheid gelooft maar omdat wij verondersteld worden dat te doen. Evenzo verdient Sadrs oproep tot eerlijke verkiezingen en een eind aan de bezetting onze onvoorwaardelijke steun – niet omdat we blind zijn voor de dreiging die Sadr zou betekenen als hij daadwerkelijk werd gekozen, maar omdat geloven in zelfbestuur inhoudt: erkennen dat wij niet degenen zijn die het gevolg van democratie dienen te controleren.

Zulke genuanceerde onderscheiden zijn gewoon in Irak: veel mensen die ik in Bagdad ontmoette veroordeelden ondubbelzinnig de aanvallen op Sadr als bewijs dat Washington nooit van plan was democratie naar hun land te brengen. Zij steunden Sadrs oproepen tot een einde aan de bezetting en voor onmiddellijke open verkiezingen. Maar gevraagd of zij op hem zouden stemmen bij die verkiezingen barstten de meesten in lachen uit.

Hier in Noord-Amerika bleek het idee dat je Sadrs oproep tot verkiezingen kunt steunen zonder hem goed te keuren als de nieuwe minister-president van Irak veel moeilijker te bevatten. Omdat ik dat standpunt verdedigde ben ik ervan beschuldigd dat ik «excuses voor de theocraten en misogynen» maakte (Nick Cohen in de London Observer), dat ik «naïef ben gevallen voor de al-Mahadi-militie» (Frank Smyth in Foreign Policy in Focus), en dat ik een «socialistische feministe» ben die «haar steun aanbiedt aan theocratische fascisten» (Christopher Hitchens in Slate).

We weten nog hoe Hitchens zijn reputatie-verwoestende steun voor de oorlog beargumenteerde: zelfs als Amerikaanse troepen in werkelijkheid uit waren op de olie en militaire bases, zo redeneerde hij, zou de bevrijding van het Iraakse volk zo’n positief zij-effect zijn dat progressieven de kruisraketten zouden moeten toejuichen. Nu het vooruitzicht van bevrijding in Irak nog steeds een bittere grap is, beweert Hitchens dat ditzelfde anti-vrouw-, anti-homo-Witte Huis de beste hoop van het Iraakse volk is tegen Sadrs soort anti-vrouw-, anti-homo-religieus fundamentalisme.

De Irakezen staan tegenover een groeiende dreiging van religieus fanatisme, maar Amerikaanse troepen zullen Iraakse vrouwen en minderheden er niet méér tegen beschermen dan ze Irakezen hebben beschermd tegen marteling in Abu Ghraib of bombardementen in Fallujah en Sadr-stad. Bevrijding zal nooit een gevolg zijn van deze invasie, omdat overheersing, en niet bevrijding altijd het doel was.

Zelfs in het beste scenario gaat de huidige keuze in Irak niet tussen het gevaarlijke fundamentalisme van Sadr en een seculiere democratische regering van vakbondsmensen en feministen, maar tussen open verkiezingen – met het risico dat macht belandt bij fundamentalisten maar eveneens dat seculiere en gematigde troepen zich kunnen organiseren – en geïmproviseerde verkiezingen bedoeld om het land in handen te geven van Iyad Allawi en de rest van zijn door de CIA/Mukhbarat getrainde boeven, volledig afhankelijk van Washington voor zowel geld als macht.

Daarom wordt op Sadr gejaagd: niet omdat hij een bedreiging is voor vrouwenrechten maar omdat hij de grootste bedreiging is voor het Amerikaanse leger en het economische bestuur van Irak. Zelfs toen groot-ayatollah Ali al-Sistani terugkwam op zijn verzet tegen de plannen voor de overdracht, bang voor een burgeroorlog, bleef Sadr zich verzetten tegen de door Amerika opgestelde grondwet, bleef oproepen tot terugtrekking van buitenlandse troepen en bleef zich verzetten tegen Amerikaanse plannen om de tussentijdse regering aan te stellen en geen verkiezingen te houden. Als aan Sadrs eisen tegemoet wordt gekomen en het lot van het land werkelijk in handen wordt gelegd van de meerderheid, zullen Amerikaanse bases in Irak serieus gevaar lopen, net als alle privatiserings-vriendelijke wetten die zijn doorgedrukt door Bremer.

Progressieven zouden tegen de Amerikaanse aanval op Sadr moeten zijn omdat het niet een aanval is op één man, maar op de mogelijkheid van een democratische toekomst voor Irak. Er is nog een andere reden om Sadrs democratische rechten te verdedigen: het is de beste manier om de opkomst van religieus fundamentalisme in Irak te bestrijden.

De Amerikaanse aanval op Sadr heeft de aantrekkingskracht van het extremisme niet verzwakt, maar juist versterkt. Sadr heeft zichzelf handig gepositioneerd, niet als de beperkte stem van strenge sjiïeten maar als een Iraakse nationalist die het land verdedigt tegen buitenlandse indringers. Dus toen hij werd aangevallen door het Amerikaanse leger en zich durfde te verzetten, verdiende hij het respect van miljoenen Irakezen die onder de vernedering en wreedheid van een bezetting leven.

De pogingen Sadr het zwijgen op te leggen hebben ook de grootste angsten van veel sjiïeten bevestigd – dat ze opnieuw worden verraden door de Amerikanen, dezelfde Amerikanen die Saddam steunden tijdens de oorlog met Iran, die het leven kostte aan meer dan honderdduizend Irakezen; dezelfde Amerikanen die hen aanspoorden in opstand te komen in 1991, waarna ze werden afgeslacht. Nu, weer onder belegering, zoeken veel mensen hun toevlucht in de zekerheden van het fundamentalisme. Sommigen concluderen zelfs dat ze een tiran van zichzelf nodig hebben, een woeste fundamentalist die het kan opnemen tegen de andere sterke mannen die Irak proberen te controleren.

Verontrustend is dat de aanvallen niet alleen de steun voor Sadr persoonlijk lijken te doen groeien, maar voor de theocratie in het algemeen. In februari, de maand voordat Paul Bremer Sadrs krant Al Hawza sloot, bleek uit een onderzoek van Oxford Research International dat een meerderheid van de Irakezen een seculiere regering wilde: slechts 21 procent zei dat hun favoriete politieke systeem «een islamitische staat» was en slechts veertien procent gaf «religieuze politici» de voorkeur. In augustus, toen Najaf werd belegerd door Amerikaanse troepen, meldde het International Republican Institute dat zeventig procent van de Irakezen de islam en de sharia willen als fundament van de staat. De poll maakte geen onderscheid tussen Sadrs starre interpretatie van de sharia en meer gematigde versies. Toch is duidelijk dat sommigen die in maart Sadr steunden maar nooit op hem zouden stemmen van gedachten beginnen te veranderen.

Na mijn laatste column kreeg ik een brief van een Amerikaanse helikopterpiloot, uit Najaf. Hij verdedigt de belegering van de heilige stad en zegt dat hij en zijn mede-mariniers probeerden te verhinderen dat het «kwaad» van «radicale moslims» zich verspreidde.

Dat lukt niet. Gevechtshelikopters zijn goed in het doden van mensen. Ideeën hebben de neiging om, als ze onder vuur liggen, zich te verspreiden.

© The Nation