Identificatie

Ik heb doorgaans weinig moeite om me met slachtoffers te identificeren. Het maakt op zich niet uit wat voor soort. Die vereenzelviging gebeurt op een vrij spontane manier, bijna zonder na te denken. Voor ik het besef, kruip ik in het loshangende vel van een levend gevilde schim. Het kan een Hutu zijn die onder een kapmes bezwijkt of een Bosnische moslim achter een sluier van prikkeldraad.

Maar buiten deze voorbeelden, die voor iedere sterveling vanzelfsprekend zijn, kan ik me ook met slachtoffers identificeren die me, voordat hun slachtofferschap een feit werd, volstrekt koud lieten. Zo voelde ik me in de aanloop naar de verkiezingen langzaam in een oude grijze dame veranderen met paarse rok en jasje, wat een beetje onwennig is en niet altijd prettig. Wat kan identificatie soms onaangenaam zijn. Die mevrouw met haar onzekere lichaamstaal en trillende stemmetje werd door het lot en de opiniepeilingen getart. Ik smolt, had haar graag een postzak met honderdduizend extra stemmen cadeau willen doen om haar pijn te verzachten, en voor ik het wist liep ik door de straten met een flauwe glimlach op mijn lippen en een damestasje in mijn rechterhand.
Maar plotseling was de betovering voorbij. Els Borst kreeg veertien zetels en in een flits werd ik op de late avond van 6 mei door mijn eigen lichaam teruggefloten. Pats, boem, alles weer erop en eraan: ik kon weer vérplassen. En ik ben nu zoals vanouds totaal onverschillig ten aanzien van de oude dame en haar partij die de naam van een voetbalclub draagt.
Of neem nu Rob Scholte. Ik vind die man arrogant, irritant, paranoïde en bijna gek. Maar iedere keer dat ik hem zie, krimp ik. Ik wordt onmiddellijk geplaagd door fantoompijn en zie achter elke boom een bom of op zijn minst een explosievendeskundige die zich als kunstenaar heeft verkleed.
Maar het vereenzelvigingsproces met een slachtoffer, hoe exclusief ook, betekent niet dat je anderen die hem niet bevallen moet uitsluiten. Zo kan ik me moeiteloos identificeren met schrijver-dichter Koos Dalstra, slachtoffer van Rob Scholte, die in hem de pleger van de aanslag op zijn benen meent te hebben ontdekt. In mijn hoofd ontstaat dan een schizofrene dialoog:
‘Koos wilde me dood of verminkt hebben’, 'Rob heeft een psychiater nodig.’
Afgelopen weekeinde beloofde ik mezelf rustig aan te doen en zo dicht mogelijk bij mezelf te blijven. Maar ik werd overrompeld door het mediageweld, dat een slachtoffer van de bovenste plank opdiste. De man in kwestie had zijn leven juist door de media verwoest zien worden. Zijn carrière was geruïneerd, zijn gezin - hoewel om hem heen 'gegroepeerd’ - had een nachtmerrie doorgemaakt. Hij was door de universiteit ontslagen, door buren vervloekt en door passanten vernederd. In een paginagroot interview in De Telegraaf schreeuwde hij in vette letters: 'Ik stond op de rand van zelfmoord.’ De daders? De 'mediabeulen’, 'mijn verkrachters’, die hem tot op het bot hadden afgekloven. Zo erg was het dat mensen die hij niet kende - Bolkestein, Freek de Jonge, Youp van ’t Hek, Ritzen - iets denigrerend over hem gingen roepen.
Volgens de communis opinio en nog wat wetenschappelijke commissies had die arme man plagiaat gepleegd. Heel wat werk van anderen zonder bronvermelding in zijn eigen boeken opgenomen. Wetenschappelijke wangedrag, zeg maar. Zelf hield hij het op 'slordig omspringen met teksten’. Bovendien had hij een moeilijke jeugd gehad, wat de slordigheid verklaart: tien broers en zussen, en vooral een dominante vader. Persoonlijk heb ik maar één broer en één zus en een dominante moeder in plaats van vader gehad. Maar ik kon wel meevoelen met ex-hoogleraar René Diekstra. Ontegenzeglijk bezat die man het profiel van het ideale slachtoffer.
Ik liep naar de boekhandel, hield zijn vers van de pers gerolde martelaarschap O Nederland, vernederland! in mijn handen en sloot mijn ogen in afwachting van de onvermijdelijk aanstormende identificatie. Er gebeurde niets! Ik kreeg zelfs niet het begin van een spitse neus met een ex-hoogleraarsbrilletje erop. In plaats daarvan overkwam me iets merkwaardig: ik voelde me alsof er aan alle kanten door onzichtbare handen aan me werd getrokken. Het werd een collectieve vereenzelviging met tal van echte slachtoffers. Die van René Diekstra! Al die auteurs die door hem bestolen waren, al die patiënten die door hem belazerd waren omdat hij ze als zijn eigen patiënten opvoerde terwijl hij ze alleen uit andermans werk kende, en natuurlijk al die lezers die hij jarenlang in de maling had genomen. Ik legde het nieuwe boek van Diekstra terug op de stapel van het zelfmedelijden en besloot te gaan zonnebaden.