JACOB GROOT DIVINA NOIR

Identificeren met Elvis

Jacob Groot, Divina noir, 15,90

geopend einde

Of je alleen bent gaan we dus niet vragen

omdat ik net zo lang wacht tot je het zegt

En dan zeg ik: je bent alleen omdat ik bij je ben

En als je dan zegt dat je het alleen bent als je alleen bent

zeg ik:

juist dan ben je bij me. Overal ter wereld sta ik op

van de steppe, bij het kale licht, in mijn verslaafde

lichaam waaruit ik de geest lostrek tot ik koffie kan

zetten van mijn beenderen, en ik maal verder

tot je me gevonden hebt tussen de honden. Maar

hoor je me klagen dat ik alleen ben? Want ik vind je

in het antwoord

Het subject is geen gegeven, maar een gebeurtenis. Het ik of, zoals Angelsaksisch geschoolden tegenwoordig zeggen, het zelf (the self), valt niet weer te geven in een profielschets die men in één oogopslag zou kunnen overzien, maar vormt een verhaal dat zich ontspint in de tijd en waarvan alleen het begin en de afloop gegeven zijn. Niettemin ga je er, wanneer je terugkijkt op eerdere levensfasen, gewoonlijk van uit dat je in principe nog dezelfde bent als jaren geleden. Indien die veronderstelling enige grond van waarheid heeft, verliest de tijd zijn betekenis. Je kunt in het hier en nu een uitstapje maken naar het verleden, en vervolgens vanuit dat perspectief vooruitkijken naar het heden. Juist die exercitie confronteert je echter met het tijdgebonden karakter van het ik: je meent nog steeds vertrouwd te zijn met je vroegere zelf, terwijl je toen nog niet wist wie je zou worden. De relatie tussen deze ikken is niet symmetrisch.

In Divina Noir doet Jacob Groot (1947) een onderzoek naar de ontwikkeling van het ik door de kiemen ervan op te sporen in het verleden. Dat klinkt als een cliché: melancholische dichter gaat terug naar zijn jeugd om nog één keer te kunnen zwelgen in de Sturm und Drang van de jaren vijftig en zestig. Maar zo is het niet, want vanaf het eerste gedicht maakt Groot duidelijk dat de confrontatie met het verleden complex is:

Er is geen enkele behoefte aan spiegeling

Onherkenbaar word je niet veranderd

in dezelfde door de terugblik om

te draaien. Want door vooruit te kijken

terwijl je vertoeft waar je bent

geweest zul je het zien

Het wonder dat uitbleef

Wie in de spiegel zijn vroegere ik aankijkt, begrijpt dat die ander zijn eigen spiegelbeeld, dat wil zeggen: degene die hij zal worden, niet herkent. Hij had op een wonder gerekend, dat natuurlijk niet is gekomen - zo wordt het althans ervaren door degene die vanuit het nu terugkijkt.

Toch probeert Groot zich te verplaatsen in de adolescent die in wonderen gelooft. Het leven wordt een film waar je opnieuw naar kunt kijken, en die sleept je zo mee dat je vergeet dat je de afloop al kent. Film en popmuziek spelen een belangrijke rol in het werk van Groot. Pophelden en filmsterren zijn het product van een industrie die iconen schept waarop de fans hun idealen en verlangens kunnen projecteren. Juist doordat ze niet ‘echt’ zijn, kun je je met hen identificeren zonder jezelf te verliezen. In Divina Noir komen Elvis Presley, Bob Dylan, The Beatles en The Byrds voorbij, maar is ook een complete afdeling gewijd aan films van Antonioni en Bergman. De meest ingrijpende confrontatie met kunst die in dit boek beschreven wordt, is echter de ontdekking van Antonin Artaud. Terwijl pappa en mamma beneden tv kijken, leest de jonge Groot over 'de put van een droge kut die schuurt/ als je hem erin steekt’, en hij beseft: 'dit is […] geen koketterie, hoogstens/ een ontsnapping, in een liturgie, uit de fabriek// van de maatschappelijke muziek’. De ware dichter is een buitenstaander, een uitgestotene zelfs.

Jacob Groot heeft zich dan ook nooit geconformeerd aan wat dan ook. Zijn pertinente weigering concessies te doen aan publiek en commercie levert poëzie op die niet vrij is van narcisme, omdat de zinsconstructies geen genoeg van zichzelf lijken te kunnen krijgen. Het gevolg is dat je als lezer soms veel moeite moet doen om contact te maken met de spreker, die zo in zichzelf opgaat dat hij geen rekening meer houdt met de mogelijkheid dat er iemand meeluistert. Maar zoals Groot zich identificeert met Elvis, die op zijn beurt in de huid van een zwarte soulzanger kruipt, dient de lezer zich de welluidende taal van de dichter eigen te maken en via de poëzie in zichzelf af te dalen. Dat vergt grote toewijding.

De hartstocht waarmee Groot zich overgeeft aan de taal heeft een bijna religieus karakter. Talrijk zijn in Divina Noir de verwijzingen naar Christus, als was de dichter een evangelist die zijn eigen lijdensgeschiedenis op schrift stelt. 'Mijn god, maar mijn/ god, waarom heb je me niet/ verlaten’, fluistert hij, om enkele pagina’s verder een heuse hemelvaart te ondernemen:

Ik zie terwijl ik hoor een los shot blauw de zon

in haar allermooiste blazoen & razendsnel

word ik boven de wereld getild, m'n hoofd een

lila luchtballon, waarin ik voortaan varen ga

Groots vorige bundel heette Lofzang, maar ook dit boek is een hymne op de overweldigende aanwezigheid van het omringende, dat ondoorgrondelijk (noir) en goddelijk (divina) is, maar tegelijkertijd bemind kan worden als een ongenaakbare diva uit een film noir. Wie de aangesprokene is, blijft in deze bundel dan ook vaak ongewis. De jij is de geliefde, misschien de lezer, misschien ook de wereld zelf, maar in alle gevallen gaat het om een spiegelbeeld of afsplitsing van de spreker, die aanspraak maakt op de sterrenstatus van een verlosser:

Dit is mijn rol, het beeld waarin ik ben geboren

onder de sterren, op een rare manier gewikkeld

in hun doeken, waaruit ik mij weer heb gedaan

De lezer die Groots spel meespeelt, brengt het op dat doek tot figurant.