‘identiteit is hete lucht’

‘Wanneer de sterke vader sterft, staan heel verschillende kinderen aan zijn graf.’ Een gesprek met György Konrád over zijn nieuwste boek en over de nalatenschap van het leven in een gematigde politiestaat.

‘OP DE VRAAG of de wereld tien jaar na het neerhalen van het IJzeren Gordijn beter is geworden, kun je enkel antwoorden dat het ervan afhangt voor wie.’ Dat is de overtuiging van György Konrád, die in zijn roman Nalatenschap de balans opmaakt van het leven voor en na het communisme in Hongarije. 'Voor de volwassenen onder ons is de opening naar het Westen een goede zaak geweest’, meent hij. 'Mensen die onder het ancien régime onderdrukt werden, kunnen nu vrij kiezen. Een nieuw beroep, een nieuwe woonplek, het behoort allemaal tot de mogelijkheden. Maar niet iedereen bij ons is volwassen. Het staatssocialisme heeft de burgers als kinderen behandeld. De staat was een soort vader. Als je een brave jongen was, was papa goed voor je en kreeg je beloningen. Maar papa was niet gesteld op praatjes, vooral niet als ze kritisch waren. Papa had liefde nodig. Voor mensen die jarenlang als kinderen zijn bejegend, ligt vrijheid niet voor de hand. Daar komt bij dat de Hongaren afrekenen met de pijn van een economie in overgang. Traktaties die ze vroeger gratis kregen, zoals reizen en vakanties, zijn onbetaalbaar geworden. Veel mensen zijn van de ene dag op de andere hun job verloren. De fabriek waar ze hun hele leven hebben gewerkt, sloot zomaar haar deuren. Hun functie verdween, hun leven leek zinloos. Bovendien was een groot deel van hun kennis totaal overbodig geworden. Wat moet je in het hedendaagse Hongarije nog met de ideologische leerstelsels van toen? Wie heeft nog behoefte aan de gesofisticeerde bureaucratische vaardigheden? Dat is vandaag allemaal voor de prullenmand.’
Nalatenschap is een vervolg op Konráds bekende trilogie en bevat alle ingrediënten die ook in die vorige drie romans aanwezig waren. Net als in Tuinfeest (1985), Melinda en Dragoman (1991) en De stenen klok (1994) heeft de Hongaarse auteur het in zijn jongste roman over de dilemma’s van weggaan of blijven, van dadendrang of rustig nietsdoen, van misdaad of goedheid. Op de achtergrond staat zoals steeds de woelige geschiedenis die de Midden-Europese mens in het algemeen en de joods-Hongaarse schrijver Konrád in het bijzonder heeft getroffen. Maar dit keer staat niet het verre verleden centraal; niet de holocaust, waaraan Konrád als kind ternauwernood ontsnapte en die in Tuinfeest tragikomisch werd verwerkt in de kleurrijke schaar familieleden die van gene zijde van het bestaan aanschoof aan de tuintafel van Dávid Kobra, en niet het jaar 1956, toen Russische tanks Hongarije binnenrolden om er met geweld een einde te maken aan het regime van Imre Nagy, waar het in De stenen klok allemaal om draaide. Al die elementen uit het verleden duiken in Nalatenschap wel weer op, maar aan de zijlijn. In zijn jongste roman sprokkelt Konrád beschouwingen bijeen over de recente geschiedenis van Hongarije, van de opening van het IJzeren Gordijn in 1989 tot de viering van dat gebeuren nu, tien jaar later.
VOLGENS GYÖRGY Konrád is Hongarije teruggekeerd naar de normaliteit, al kan de erfenis van ruim vier decennia communisme bezwaarlijk worden ontkend. 'De mensen gaan nu verder met hun leven’, zegt hij. 'Na elke sociale revolutie zijn er dingen die blijven: de huizen, de armoede en de families. De nalatenschap van het regime zit in de hoofden van de mensen, in het collectief geheugen en in de stijl van communiceren. In de Hongaarse maatschappij heeft de autoritaire bestuursstijl altijd goed gedijd, onder meer door de erfenis van de periode voor de Tweede Wereldoorlog. Daarom valt het niet mee de normen van de democratische samenleving te leren. Maar Hongarije wordt stilaan een “normaal” land, vergelijkbaar met de westerse maatschappijen, die ook geen samenlevingen van engelen zijn. Ze zijn gewoon tegelijk goed én slecht.’
Vanaf het begin van de roman lanceert Konráds hoofdpersonage Antal Tombor - ook al aanwezig in De stenen klok, maar nu burgemeester van de stad Kandor - het thema 'misdaad’. Hij wil over de ware aard van misdaden praten met zijn vriend Dragomán, eveneens een oude bekende uit de vorige romans. Konrád legt Tombor deze uitspraak in de mond: 'De tijd bracht met zich mee dat ik gefascineerd werd door misdaad en schuld die met ideologieën gepaard gingen, de moralistische moordenaar met het uiterlijk van een priester, opstandeling of staatsman. Ik stelde me voor dat het echte verhaal begint waar het gaat om leven en dood.’
Is Nalatenschap ook een morele inventaris? Konrád: 'Het is natuurlijk de vraag aan wie het toekomt te oordelen over de moraliteit van anderen. Maar in abstracto kun je gerust betogen dat het ware morele gelaat van mensen pas bovenkomt in extreme situaties. Veel mensen hoeven dat examen in hun leven nooit af te leggen. Van iemand die een kabbelend leventje leidt, zonder oorlog of geweld, kun je niet uitmaken of hij goed of slecht is. Pas als een mens wordt uitgedaagd om iets te doen of na te laten in een gevaarlijke situatie, kun je van moraliteit spreken. In zo'n situatie een daad stellen die indruist tegen je eigenbelang of carrière, dat noem ik een morele reactie. Ik denk aan iemand die een mensenleven redt, in de zekerheid dat hij of zij daarvoor zal worden gestraft. Dat zijn grenssituaties waarin de moraliteit van een mens wordt getest. Niet dat mensen die in dat examen slagen boven elke kritiek moeten worden verheven. Een zeker scepticisme is zelfs op zijn plaats, want de helden zijn thuis vaak onprettige mensen die de hele tijd moraliseren en overvol zijn van zichzelf.’
KONRADS MORELE bekommernis klonk al door in De oude brug, een bundel beschouwingen uit de jaren tachtig en negentig, waarin hij schreef dat de enige grondslag om een ethiek op te bouwen een 'voor iedereen geldend taboe’ moet zijn. Want zoals hij verder in de bundel poneerde: 'Alle gemeenschapsmoraal is vooringenomen en dubieus, daar kun je niet op bouwen, die brokkelt vroeg of laat af.’ Die twijfel aan de moraal van een samenleving vertolkt Tombor opnieuw in Nalatenschap: 'In die tijd, nog onder het oude regime, meende ik dat geen enkel algemeen ethisch principe een geldig richtsnoer kon zijn voor het handelen.’ Waar zou de auteur zelf zijn inspiratie halen voor een algemeen geldend taboe dat als fundament voor een moraal kan dienen? Konrád: 'Taboes die overal zouden moeten gelden, zijn de tien geboden: dood niet, lieg niet, respecteer je vader en moeder, steel niet. Je kunt er misschien de bergrede aan toevoegen en zeker de hele wereldliteratuur. Meestal moet je veel meer lezen dan die korte tien geboden om de morele waarheid te begrijpen.’
In Tuinfeest wordt gezegd: 'Op de vraag wat de zin van het leven is, antwoordt iedereen met een opsomming van zijn levensloop.’ Maar het hoofdpersonage van Nalatenschap lijkt niet geneigd zijn daden op te tellen. Antal Tombor streeft een rustig leven na. Konrád: 'Tombor staat ambigu tegenover actie, net als ikzelf. Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat veel van onze daden onnodig en zelfs schadelijk zijn. Oorlog is een vorm van superactie, waarin mannen het beste van zichzelf geven. Dat hebben we onlangs nog kunnen vaststellen in Kosovo. Maar het is een totaal overbodige vorm van actie, waar veel mensen onnoemelijk onder lijden; misschien kun je dan maar beter rustig stilzitten. Er zijn natuurlijk ook daden die half-noodzakelijk, half-overbodig zijn, zoals rituelen. Je vindt ze in elke stad, in elke staat en in elke familie. Meestal zijn ze leeg, formeel en zelfs vervelend. En toch houden ze een gemeenschap samen. Onze houding daartegenover houdt het midden tussen ironie en respect, net als een puber die naar de preken van zijn vader luistert.’
Als exponent van de politieke macht wordt Tombor geconfronteerd met een nieuw soort macht, die van het geld, waarvan maffialeider Baba Dudu de vertegenwoordiger is. Konrád: 'Het westerse type van democratisch kapitalisme heeft uitgewerkte wetten nodig, gekoppeld aan de ervaring dat de overtreders van de wet worden gestraft. Wanneer een legaal systeem grotendeels in elkaar is gestort, zoals in Hongarije, komen de onderhuidse morele overtuigingen aan de oppervlakte. Bij ons luidt één van die overtuigingen dat stelen zo erg nog niet is. In de jaren zeventig had ik een buurman die een buitenhuisje bouwde. Het gebeurde dat hij stenen van zijn vrachtwagen laadde, een sigaret rookte en mij glunderend aankeek met de mededeling: “Ik heb ze gered”. Die mentaliteit leeft nog sterk in Hongarije. Een andere diepgewortelde houding is het wantrouwen tegenover alles wat “van boven” of van de staat komt. Er is een neiging om zo weinig mogelijk belasting te betalen en zo veel mogelijk van het staatsbudget in eigen handen te krijgen, puur uit wantrouwen tegenover de staat. Ook dat is een erfenis van het ancien régime.’
'EEN NIEUWE FACTOR is de internationaal georganiseerde misdaad, die in Hongarije in allerlei gedaanten de kop opsteekt. Zowel kleine als grote maffiagroepen zijn bij ons neergestreken. Karakteristiek voor elke maffiagroep is dat hij legale en illegale activiteiten vermengt. Ik vermoed dat het einde van de Koude Oorlog en het uiteenvallen van het Oostblok een gunstige voedingsbodem zijn voor dergelijke mengelingen. Ze bouwen ook verder op lichte vormen van corruptie die bij ons wijd verbreid zijn. Als een politieman je tegenhoudt en een onregelmatigheid vaststelt, heeft hij het recht je te straffen. Maar je weet dat zijn salaris erg laag is en geeft hem wat geld. Hij weet op zijn beurt dat de som die jij hem geeft lager ligt dan de boete. Dat gedrag is bij ons zonder meer sociaal geaccepteerd.’
Het verschil tussen de 'macht van de partij’ en de 'macht van het geld’ illustreert Konrád aan de hand van een pittig voorval dat hem zelf is overkomen. 'Onlangs hebben ze bij mij ingebroken en mijn laptop gestolen. Dit keer was het niet de staatspolitie die mijn bureau binnendrong om mijn manuscripten en mijn typmachine aan te slaan, om hem tegen een lage prijs te verkopen op de tweedehandsmarkt. Voor mij was het een groter verlies dan dat van jaren geleden, want nu ben ik al die opgeslagen woorden echt kwijt, alsof alles in één keer is geconfisqueerd. Vroeger maakte de politie een selectie op basis van de inhoud van mijn geschriften. De meer onschuldige bladzijden kreeg ik na afloop terug. De mensen die onder het communistisch regime de huiszoekingen verrichtten, waren vertrouwd met literatuur. Toen de man van de geheime dienst bij mij thuis kwam vond hij dat mijn bureau er nogal slordig bijlag. En hij begon te sorteren: dit papier hoort bij deze roman, dit past bij een andere. Hij ontpopte zich zowaar tot een filoloog van mijn werk. De nieuwe inbrekers waren niet zulke vrienden van de literatuur. Ze hebben maar één boek meegenomen: de bijbel. Ze weten dat mensen uit de lagere klassen hun geld in de bijbel verstoppen.’
Toch gelooft Konrád niet dat de nieuwe macht van het geld gevaarlijker zou zijn dan de macht van de partij. 'De macht van het geld is een meer neutrale macht. Je bent niet verplicht om het geld in een tempel te aanbidden. Het volstaat dat je een warenhuis binnenstapt. In de tijd van het communisme was je voor het verwerven van de kleinste goederen afhankelijk van anderen. Het is natuurlijk aangenamer om op een normale manier dingen te kunnen kopen. Mensen hoeven niet te worden geconfronteerd met vernederende situaties. Dat je nu met geld kunt kopen wat je nodig hebt, is voor ons een bevrijding.’
IN NALATENSCHAP ziet Antal Tombor de lelijke socialistische trekjes met weemoed verdwijnen. Hij voegt eraan toe: 'Het liefst zou ik ze willen beschermen.’ Ook auteur Konrád zou een paar dingen uit die tijd willen bewaren: 'Het socialisme ging uit van een empathische benadering. Iedereen had recht op medische zorg en onderwijs. In mijn geboortedorp zag je na de invoering van het staatssocialisme geen kinderen meer blootsvoets lopen. Op school konden ze tegen een lage prijs een fatsoenlijke maaltijd krijgen. Nu zijn er in de armere streken opnieuw kinderen die geen volwaardig voedsel krijgen. Ook onderwijs is niet langer een verworven recht. De gedachte dat iedereen bij de start gelijke kansen heeft, is verdwenen. De universiteiten zijn opnieuw instituten voor de hogere klassen geworden. Onder het communisme was het voorts ondenkbaar dat mensen dakloos waren. Als je dat wilde, kon je altijd een bed en een job krijgen. Het persoonlijke bankroet van de daklozen dat we vandaag meemaken, bestond toen niet. Misschien heeft het te maken met een nieuwe hardheid in de harten van de mensen. Ze protesteren nu als ze horen dat er een tehuis voor daklozen in hun buurt komt. Ook zigeuners zijn niet meer welkom. Onder het oude regime hadden veel Roma een job in de bouw, want de staat bouwde jaarlijks tachtigduizend geprefabriceerde woningen. Dat aantal is afgenomen tot pakweg vijfentwintigduizend. Het gevolg is dat veel zigeuners werkloos zijn en in de kleine criminaliteit belanden. En omdat de mensen nu banger zijn dan vroeger wordt dat soort conflicten op de spits gedreven.’
Ook het schrijverschap is niet meer wat het was. De gemiddelde Hongaarse schrijver kan niet meer leven van zijn pen, al geldt dat niet voor Konrád zelf. 'Schrijven is een luxe geworden. Als je roman succesvol is, worden er hooguit vijfduizend exemplaren van verkocht. De literaire situatie wordt met andere woorden normaal.’ Voor Konrád is het een opluchting dat zijn boeken niet langer worden gecensureerd. 'Vroeger kon ik in mijn land niet publice ren. Nu hoef ik me niet langer te beschermen tegen de censuur. Als er iets fout gaat met mijn boeken heeft dat nu enkel met mijn eigen tekortkomingen te maken.’
DIE BOEKENMARKT is ondertussen helemaal vrij. 'De “gemeenschappelijke lectuur” voor de hele maatschappij bestaat niet meer. Onder het communisme werden bepaalde boeken door de hele samenleving gelezen. Er bestond een vaststaande publieke mening over. Dat is vandaag niet meer mogelijk. Elke politieke stroming is nu in de boekhandel vertegenwoordigd. Ik ben er zeker van dat mensen van de extreme rechtervleugel mijn boeken mijden als de pest. Ook zij die niet van joden houden, lezen mijn boeken niet. Het antisemitisme laait in Hongarije weer in alle hevigheid op. Om de één of andere duistere reden hebben mensen behoefte aan een identiteit. Onder het oude regime lag die identiteit vast. Het was de identiteit van de staatsmens, met een staatsjob en staatsnormen. Daartegenover stond de stoute jongen die de staatsbevelen niet helemaal volgde. Maar wanneer de sterke vader stierf, stonden er rond zijn graf verschillende kinderen die onderling begonnen te vechten. Etnische, religieuze en nationalistische identiteiten staken de kop op. Je kunt de controversen op de Balkan op die manier verklaren. In de socialistische, federale staat Joegoslavië scandeerden de mensen dagelijks de slogan “eenheid en broederschap”. Maar “broederschap” is vandaag niet langer de leuze.’
Konrád geeft toe dat het opduiken van talloze alter ego’s in zijn boeken te maken heeft met zijn fundamentele afkeer van een vaststaande identiteit. 'Ik weet zeker dat er een persoon is die György Konrád heet. Maar wie heeft ooit de identiteit van die persoon gezien? Ik heb in mijn leven duizenden mensen ontmoet. Tegenover de ene gedraag ik me vriendelijk, tegenover de andere reageer ik kribbig. Hoe zouden al die mensen erin slagen mijn identiteit vast te pinnen? “Identiteit” is niet meer dan hete lucht. “Identiteit” is enkel een geschikt instrument voor mensen met snode bedoelingen. Voor een nationalistisch politicus is het een wondermiddel, want hij kan het concept inzetten om anderen buiten te sluiten: “Een Hongaar doet dat niet”, “Dit gedrag is niet typisch Hongaars”… Met dit soort uitspraken kunnen de uitdrijvingen opnieuw beginnen.’