CULTUURRELATIVISME IN NEDERLAND

Identiteit met behoud van integratie

‘Cultuurrelativisme’ wordt meestal pejoratief gebruikt. Maar wat is er eigenlijk mis mee? Nu het debat over de ‘multiculturele identiteit van Nederland’ lijkt vast te zitten, is het tijd die vraag te beantwoorden. Daarover, én over integratie, de crisis van de westerse cultuur én een stukje kauwgum, debatteren drie deskundigen.

WAREN IN DE jaren zeventig en tachtig de woorden ‘reactionair’ en zelfs ‘fascist’ uiterst courante scheldwoorden, waarmee iedereen die bezwaren opperde tegen allerlei radicaal-linkse denkbeelden snel in de hoek kon worden gezet, na ‘11 september’ en de moorden op Pim Fortuyn en Theo van Gogh heeft het woord ‘cultuurrelativist’ een soortgelijke functie gekregen. Zo zou ‘de linkse kerk’ lange tijd uitsluitend kritiek hebben geuit op de westerse samenleving en zouden er geen superieure en minderwaardige culturen zijn. Het Westen zou in de ogen van dergelijke cultuurrelativisten niet méér waard zijn dan een kannibalendorp op Nieuw-Guinea. Volgens Paul Cliteur heeft dit cultuurrelativisme zich ontwikkeld tot een ‘volksziekte’, die de weerstand van onze door de Verlichting gevormde moderne samenleving wegvreet. Ook politici als Wilders en Verdonk wijzen de cultuurrelativisten aan als een Vijfde Colonne, die op slinkse wijze de poorten open zet zodat de islam ongehinderd naar binnen kan marcheren.
Uit irritatie over de gemakzuchtige manier waarop het woord ‘cultuurrelativisme’ wordt gebruikt om iedereen die op genuanceerde wijze naar het integratievraagstuk wil kijken weg te zetten als een landverrader of ‘zelfhater’, schreef Sjoerd de Jong, filosoof en adjunct-hoofdredacteur van NRC Handelsblad, het boek Een wereld van verschil. Hoewel af en toe polemisch is het geen politiek pamflet, maar een serieuze studie die, blijkens de ondertitel, antwoord wil geven op de vraag: wat is er mis met cultuurrelativisme? Dat er het nodige mis is, blijkt vooral uit het tweede deel van het boek, waarin De Jong beschrijft hoe vanaf het einde van de negentiende eeuw antropologen cultuurrelativistische theorieën ontwikkelden. Het cultuurrelativisme begon weliswaar als een terechte reactie op racistische en imperialistische denkbeelden, maar in gevulgariseerde vorm leidde het vaak tot het idee dat het onmogelijk was waardeoordelen uit te spreken over andere culturen. Uitgebreid gaat De Jong daarom in op de kritiek die op het cultuurrelativisme is geleverd.
Tegelijkertijd is er echter ook veel mis met de argumenten van allerlei politici en publicisten die zo fel tekeergaan tegen, al dan niet vermeend, cultuurrelativisme. Sjoerd de Jong: ‘Kijk, cultuurrelativisme is toch in de eerste plaats het idee dat het gedrag en de opvattingen van mensen primair worden bepaald door hun cultuur. Dus niet, zoals Marx beweert, door de bezitsverhoudingen, en ook niet, zoals christenen beweren, door de goddelijke ordening van de schepping. Dat is precies hetzelfde uitgangspunt als waar Rita Verdonk haar beweging op stoelt, waar Geert Wilders mee ten strijde trekt tegen de islam, waar allerlei andere publicisten en polemisten zich van bedienen. Er is een culturalistisch idioom in het debat geslopen, waarin elementen zitten die het ouderwetse cultuurrelativisme zo’n slechte naam hebben bezorgd.’

Omdat De Jong pleit voor een debat over integratie en onze cultuur waarin op zuivere wijze wordt geargumenteerd, leek het De Groene Amsterdammer zinvol om hier met dit debat te beginnen. We hebben De Jong gevraagd de discussie aan te gaan met Bart Jan Spruyt, voorzitter van de conservatieve Edmund Burke Stichting en een van de publicisten die hij in zijn boek op de korrel neemt, en met columnist en schrijver Stephan Sanders. Deze oud-redacteur van De Groene sprak zich al in 1989, naar aanleiding van de Salman Rushdie-affaire, in dit weekblad uit tegen ‘de doodlopende straat van het cultuurrelativisme’. Over zijn boekje over deze affaire, Gemengde ervaring, gemengde gevoelens (1989), heeft Frits Bolkestein gezegd dat het hem de ogen geopend heeft voor de gevaren van het cultuurrelativisme.
Het debat in 1989 was in hoge mate een academische discussie. Stephan Sanders: ‘Het cultuurrelativisme werd in de jaren zeventig en tachtig niet als zodanig erkend, maar het was wel een brede stroming, die zelfs binnen de VVD veel aanhangers had. Er werd gewoon niet nagedacht over wat je wel kon relativeren en wat niet. Of over wat de paradoxale uitwerking van dat cultuurrelativisme zou kunnen zijn. Maar toen ik voor De Groene een reeks filosofen hierover ging interviewen, keken die raar op. Cultuurrelativisme? Waar heb je het over? Mensen dachten toen helemaal niet in die termen. Dat vind ik dus eigenlijk het zwakke van Sjoerds boek. Dat een tamelijk academische discussie, die in tien jaar tijd tot een soort gezonken cultuurgoed is geworden, nu wordt opgehangen aan Rita Verdonk. Ik zie wel dat er cultuurrelativistische elementen in haar anticultuurrelativisme zitten, maar dan denk ik: je moet gewoon een betere tegenstander kiezen.’
De Jong: ‘Om te beginnen weet ik niet of Verdonk zo’n zwakke “tegenstander” is. Tot voor kort had ze in de peilingen 25 zetels. En wat het eerste deel van je kritiek betreft, dat ben ik niet met je eens. Het idee dat cultuurrelativisme in de jaren zeventig en tachtig gemeengoed was bestrijd ik. Je zegt zelf: mensen wisten helemaal niet wat het was. Het was ook niets. Het was een vaag soort gevoel van “mensen zijn gelijkwaardig en culturen zijn gelijkwaardig”. Dat is iets anders. Dat wij zo “tolerant” waren voor nieuwkomers en mensen uit andere culturen, was in die tijd in de eerste plaats omdat het er maar weinig waren, dus het scheelde niet zo veel, en in de tweede plaats omdat Nederland toen in de greep was van een ongebreideld moderniteitsgeloof en vertrouwen in de vooruitgang. Dat begon na de Tweede Wereldoorlog, om in de jaren zestig en zeventig een hoogtepunt te bereiken. Het ging om de overtuiging dat de vooruitgang voortdenderde en iedereen wel zou meekomen. Dat vooruitgangsgeloof is sinds Fortuyn, of eigenlijk al vanaf de tweede helft van de jaren negentig, gaan schuren. Dan zie je ook de Edmund Burke Stichting opkomen, het vertrouwen in de moderniteit begint te tanen. En in retrospectief wordt dan gezegd: we waren allemaal in de greep van het cultuurrelativisme. Dat is een vervalsing van het recente verleden.’
Sanders: ‘Natuurlijk was het niet zo dat iedereen in de greep was van het cultuurrelativisme, maar het was toen al wel algemeen aanvaard dat je niet zomaar wat kon zeggen van mensen die van verre kwamen en die iets deden waarvan je je als liberaal afvroeg: ben ik daar nu wel zo blij mee? Het was wel degelijk gemeengoed. Ik denk dat Frits Bolkestein een van de eerste politici is geweest die de term cultuurrelativisme in de mond heeft genomen.’
De Jong: ‘Maar dat is iets anders. Als ik er nog iets aan mag toevoegen: met een begrip als “multiculturalisme” zie je precies hetzelfde. Het wordt tegenwoordig voorgesteld alsof Nederland ooit een multiculturalistisch land is geweest. Dat is niet waar. Het multiculturalisme is hier nooit officieel beleid geweest. Het was altijd in de eerste plaats integratie, met behoud van eigen identiteit. Voorop staat de integratie. En daar wordt dan nu triomfantelijk over gezegd: dat kan helemaal niet, dat is een contradictio in terminis. Hoezo? Nederland wil integreren in Europa, maar met behoud van identiteit. Dan kan het opeens wel.’
Bart Jan Spruyt: ‘Volgens mij hoef je helemaal geen cultuurrelativist te zijn, in de filosofische zin van het woord, om de overtuiging te delen dat cultuur het meest bepalende is, anders dan sociale of economische factoren. Ten tweede: lopen we niet het gevaar in een semantische discussie te verzeilen, terwijl we allemaal weten waarover we het willen hebben, namelijk over de vraag of die kritiek die sinds een jaar of zes nogal luidruchtig wordt geuit wel terecht is? Heeft die kritiek ergens toe geleid?’
De Jong: ‘Met opmerkingen als: “Het is een definitiekwestie” ben ik het niet eens. Woorden zijn niet onschuldig. Bovendien gaat het niet zozeer om een definitie, als wel om het feit dat je het debat dat nu over cultuur wordt gevoerd beter begrijpt als je kijkt naar bepaalde uitgangspunten van dat ouderwetse cultuurrelativisme. Kijk, cultuurrelativisme is natuurlijk meer dan alleen het idee dat gedrag wordt bepaald door de cultuur. Er zijn nog andere kenmerken, zoals het idee dat elke cultuur een afgerond en statisch geheel is, dat eigenlijk niet te vergelijken is met een andere cultuur. Dat is de tweede stap in het echte cultuurrelativisme. En dát zie je ook bij Wilders en Verdonk, of bij betere tegenstanders zoals Cliteur.’
Spruyt: ‘Ho even! Er is echt een enorm belangrijk verschil tussen de politici, de mensen die het vulgariseren, en Cliteur en anderen. Maar wie, anders dan Verdonk of Wilders, hebben nu verdedigd dat er zoiets zou bestaan als iets “eeuwig Nederlands”?’
De Jong: ‘Zonder dat nu te willen vastpinnen op één spreker of schrijver zie je in het hele debat onder publicisten een sterke neiging om slagzinnen te gebruiken als: “De islam is niet verenigbaar met de westerse cultuur”.’

Een ander punt. In zijn boek keert De Jong zich ook tegen wat hij de ‘neoconservatieve paradox’ noemt. Veel conservatieve auteurs zijn van mening dat de westerse cultuur superieur is omdat deze als enige in staat is tot zelfkritiek. Tegelijkertijd tast die zelfkritiek, die vaak wordt getypeerd als ‘cultuurrelativistisch’, juist het fundament van die samenleving aan. Uitvoerig citeert De Jong Spruyts essay De toekomst van de stad (2005), waarin staat dat de radicale islam ‘niet onze enige, en misschien zelfs niet eens onze primaire vijand’ is. Veel gevaarlijker waren de cultuurrelativisten en multiculturalisten, die van ‘het fort van de Nederlandse democratie’ een ‘bouwval’ hadden gemaakt, ‘met aan alle kanten riante openingen waardoor de vijand zomaar naar binnen kan lopen – zoals Hitler in 1933 de “deur van de legaliteit” tot een “triomfboog van zijn intocht” kon maken’. Dat is een ernstige aanklacht.
Spruyt: ‘Ik heb niet gezegd dat “de moslims” onze vijand zijn. Het ging mij erom dat er inderdaad iets urgenters is dan integratie van moslims, namelijk dat wij nog steeds geen idee hadden wie wij waren, of wilden zijn, of wilden blijven. Dus wisten we ook niet wat de voorwaarden waren waaronder mensen hier konden komen en blijven. Dat is voor mij belangrijker dan die miljoen moslims. Kijk, dat boekje werd een maand na de moord op Theo van Gogh geschreven. Waar het mij toen om ging, was dat de democratische rechtsstaat ingangen heeft waardoor anderen haar kunnen ondermijnen. Het is mogelijk de democratische vrijheden te misbruiken voor een verborgen agenda die er uiteindelijk op gericht is die vrijheden af te schaffen. Democratie is niet een proces dat vanzelf tot de modernisering van alle mensen in de samenleving leidt, maar een soort orde, een procedure…’
De Jong: ‘Nu ga je volgens mij de verkeerde kant op, Bart Jan, nu kom je in het liberale vaarwater…’
Sanders: ‘Dat is toch niet erg?’
De Jong: ‘Nee, dat vind ík niet erg, maar dat is niet de conservatieve lijn.’
Spruyt: (onverstoorbaar) ‘… een set van spelregels op grond waarvan je met elkaar van mening kunt verschillen, pluriform kunt zijn, maar dat je toch met elkaar afspreekt hoe je met die verschillen omgaat.’

Nu blijkt dat de visies op wat Nederland zou moeten zijn niet zo ver uiteen liggen, wordt het tijd vast te stellen wie er nu eigenlijk deel kunnen uitmaken van dat Nieuwe Nederland. De Jong: ‘De cohesie die nodig is bereik je volgens mij niet als je maar blijft hameren op, en blijft werken met, zo’n negentiende-eeuws gesloten cultuurbeeld waarbij mensen voortdurend lid zijn van óf de ene óf de andere cultuur, en als ze tot de ene cultuur willen toetreden alles van die andere cultuur moeten afleggen. Zo werkt dat niet.’
Sanders: ‘Het vervelende is dat heel veel moslims het wél doen.’
De Jong: ‘Laat me even mijn redenering afmaken. Ik heb mijn boek ook geschreven om dat containerachtige cultuurbegrip enigszins te relativeren, om te laten zien dat culturen dynamische processen zijn. Je moet dat ook dynamisch zien te houden. En daarom verzet ik me tegen dat heel starre cultuurdenken. Zowel bij moslims, die zeggen dat een mannelijke arts niet aan hun vrouw mag komen, als bij fundamentalistische verdedigers van de Nederlandse cultuur, die zeggen dat het sinterklaasfeest heilig is.’
Sanders: ‘Nu kom je toch weer met Rita aanzetten. Ik vind haar toch van een andere orde dan een wahabist of een vertegenwoordiger van een andere zware stroming binnen de toch al zware orthodoxie van de islam. Laat ik even een praktisch voorbeeld geven. Ik heb een heel moderne kapper, een Nederlandse moslim. Hij is heel hip en lijkt een typische gay, maar hij benadrukt altijd dat hij dat beslist niet is. Tijdens de ramadan werd ik geknipt door deze buitengewoon geïntegreerde jongeman, die mij toen iets heel ergs vertelde. Er was een stukje kauwgom tussen zijn tanden blijven zitten, en daar had hij per ongeluk op gekauwd, terwijl hij moest vasten! Het leek mij niet zo’n ramp, en omdat hij zo modern is zei ik tegen hem: “Nou, ik denk dat Allah jou dat wel zal vergeven.” Hij was ontzet! Dit was niet iets om grapjes over te maken, dit was echt een groot probleem. Hiermee wil ik alleen maar zeggen: wij kunnen wel roepen dat die culturen helemaal niet zo statisch zijn, maar voor hem is het volkomen statisch. Het is halal of het is niet halal, and in between there’s nothing!’
De Jong: ‘Dat ben ik dus niet met je eens. Het is niet statisch, want hij knipt en leeft hier als kapper en is verder heel modern. Ik vind dit nu niet zo’n angstaanjagend voorbeeld.’
Sanders: ‘Maar het is wel een heel erg strikt cultuurbegrip, en volgens jou moeten we dat niet zo heel strikt definiëren.’
De Jong: ‘Maar dat is geen cultuur, dat is religie.’
Sanders: ‘Onzin, als ik hem vraag of hij dan geen goede moslim is, dan bevestigt hij dat. Dan is er dus geen tussenweg. Dan kun jij wel zeggen dat het niet om de cultuur gaat, maar als je hem vraagt: “Wat is jouw cultuur?”, dan antwoordt hij: “De islam.” Dus moet je dat serieus nemen.’
Spruyt: ‘Maar zitten er in het hoofd van die jongen ook dingen waarvan je kunt zeggen dat die bedreigend of ondermijnend zijn, of haaks staan op onze democratische rechtsorde? Heeft hij ook politiek gevaarlijke denkbeelden?’
Sanders: ‘Ik denk dat deze jongen politiek helemaal niet gevaarlijk is. Ik denk alleen dat hij mij bijvoorbeeld als homoseksueel nooit zou verdedigen. Dat kan hij niet.’
De Jong: ‘Maar als we de crisis van de westerse cultuur nu gaan ophangen aan een kauwgumpje, dan…’
Sanders: ‘Daar gaat het toch niet over! Het ging hier over dat cultuurbegrip. Ik vind dat je moet oppassen dat je het niet beter weet dan de mensen zelf. Als de mensen zelf zeggen: “Ik ben ten diepste en ten zeerste moslim…”’
De Jong: ‘Nou en, dat mag hij toch?’
Spruyt: ‘Ja, maar het gaat er wel om welke politieke gevolgen je verbindt aan die primaire loyaliteit. Het hoeft helemaal geen probleem te zijn, maar het kán een probleem worden! En dat zien jullie links-liberalen nooit en daarom ridiculiseren jullie het. Je vergeet echter dat die religieuze cultuur wel gepaard kan gaan met opvattingen die in politieke zin een probleem gaan vormen voor de democratische rechtsorde die wij hier na eeuwen zweten hebben gerealiseerd. Daar moeten we het over hebben. De bereidheid om dat te onderkennen vind ik niet zo veel bij links-liberalen.’
De Jong: ‘Nou, die bereidheid is elders anders ruim voorhanden. Maar even voor de duidelijkheid, in mijn boek schrijf ik dat er geen enkele tussenweg is tussen het wel of niet verbieden van eerwraak. Dat is natuurlijk glashelder, maar eerwraak is natuurlijk wel iets anders dan zo’n stukje kauwgum. Wat moet je daar nu nog meer over zeggen?’

Onvermijdelijk komt elk gesprek over cultuurrelativisme uit bij de vraag of van islamitische overheidsfunctionarissen geëist kan worden dat ze vrouwen een hand geven. Terwijl Sanders en Spruyt voor de principiële lijn kiezen, is De Jong voorstander van een pragmatische benadering. Hoewel het meningsverschil hier vrij scherp is, overheerst uiteindelijk toch het gevoel dat men elkaar tot op zekere hoogte genaderd is.
Spruyt: ‘Ik geloof dat het debat van de afgelopen zes jaar hard, scherp, bot, lomp, onhandig en soms verkeerd is geweest. Maar nu is het vastgelopen. Nu zijn alle argumenten voorspelbaar. Wie het gaat zeggen, wat hij gaat zeggen – het is allemaal voorspelbaar. Ik denk dat we een aantal dingen geleerd hebben, namelijk dat er in verschillende culturen onverenigbare elementen zitten, dat je die zo precies mogelijk moet benoemen, dus niet een hele groep, of een heel geloof of een hele cultuur over één kam moet scheren. Hoe kun je nu een idee van Nederland formuleren dat recht doet aan die traditie waar ik het over had, en dat inclusief is voor iedereen in Nederland? Dus ook voor moslims die een variant van hun geloof hebben geformuleerd die zonder meer inpasbaar is in onze democratische rechtsstaat. Dat idee is tegelijkertijd ook een uitnodiging om mee te doen en te zien dat je onder die voorwaarden ook veel voller in het leven staat dan in een cultuur die zich opsluit in allerlei pietluttigheden als zo’n kauwgumpje. Het formuleren daarvan, en dat op een uitnodigende en goed doordachte manier, is volgens mij de taak van iedere intellectueel.’
De Jong: ‘Ik ben blij dat Bart Jan niet meer gelooft in zo’n leninistische voorhoede die wacht op de totale crisis van het systeem, en dat die dan paraat moet staan. Zoiets heb je toch ooit geschreven?’
Spruyt: ‘Nou, waar die crisis volgens mij toen uit bestond, was dat de bestaande partijen niet in beweging kwamen. En nu zijn er afsplitsingen geweest, en die hebben geen inhoudelijk alternatief geboden, die zijn onderdeel van het probleem. Ik geloof nog steeds dat er tussen het centrum en de radicale vleugels een zwart gat zit, en dat dat een probleem is. Maar ik ben in ieder geval wel positiever geworden. Ik was indertijd erg onder de indruk van de moorden op Fortuyn en Van Gogh. Ik kende die mannen, en ik dacht: er zijn hier enorme krachten aan het werk, en de mensen zijn niet bereid terug te duwen. Dat gaat niet goed. Maar je kunt nu niet zeggen dat er niet teruggeduwd wordt. Iedereen heeft het er nu toch over.’
De Jong: ‘Ik zou dat inclusieve idee van Nederland van jou helemaal onderschrijven, met die aanvulling nog wel dat wanneer die mensen bereid zijn in te voegen, dat ook voor ons weer onvoorspelbare veranderingen met zich mee zal brengen. Het is niet alleen maar: wij blijven hetzelfde, en zij voegen in.’
Spruyt: ‘Hoe veranderen wij dan?’
De Jong: ‘Dat is onvoorspelbaar.’
Sanders: ‘Twintig jaar geleden ging racisme altijd over Surinamers, dat was het probleem. En nu, het zijn dé knuffelnederlanders geworden. Dan zie je hoe sterk dat relatief snel kan veranderen.’
De Jong: ‘Over integratie met behoud van identiteit gesproken!’
Sanders: ‘Dat zie je verkeerd. Suriname was al een democratie, met een goed onderwijsstelsel. Die verschillen waren veel minder groot.’
De Jong: ‘Maar het kan dus wel. Geen van hen zal zeggen: ik ben geen Surinamer meer.’
Sanders: ‘Hoewel, ik hoorde laatst een jongen zeggen (met Surinaams accent): “Ik ben een geboren en getogen allochtoon”!’
Spruyt: (lachend) ‘Daarom zal Obama de meest Amerikaanse president ooit worden!’

Sjoerd de Jong, Een wereld van verschil: Wat is er mis met cultuurrelativisme? De Arbeiderspers, 304 blz., € 19,90