Identiteitszwendel

Janet Lewis op jonge leeftijd © Courtesy Melissa Winters

Ze werd geboren in hetzelfde jaar (1899) en in dezelfde plaats (Oak Parks, Chicago) als Ernest Hemingway. Ze schreven in hetzelfde schoolblaadje en gingen allebei in de jaren twintig naar Parijs. Zij had Frans gestudeerd maar keerde al na een half jaar terug naar Amerika, waar ze tbc opliep. In die tijd correspondeerde ze met haar collega-patiënt en latere dichter Yvor Winters. Met hem vertrok ze later naar Californië, waar ze lesgaf aan Stanford en later aan de University of California. Ze werkte in haar lange leven gestaag aan een veelzijdig oeuvre: poëzie, korte verhalen, novellen. Haar naam zal weinigen iets zeggen: Janet Lewis. Ze werd bijna honderd en overleefde haar man én Ernest Hemingway bijna veertig jaar.

Toen Lewis eens vastzat in een plot gaf haar man haar een wetboek uit 1874 van March Phillips: Famous Cases of Circumstantial Evidence. Een bevrijdend geschenk. Door de lectuur van dat boek schreef ze een pamflet over het gevaar van indirect bewijs, als bijvoorbeeld het lijk of het gestolen geld ontbreekt of als er geen directe getuigen opdagen. Na dat waarschuwende pamflet kwamen er drie novellen over het drijfzand van circumstantial evidence: The Wife of Martin Guerre (1941), The Trial of Sören Qvist (1947) en The Ghost of Monsieur Scarron (1959), een verhaal in de tijd van Lodewijk XIV.

The Wife of Martin Guerre kreeg twee filmversies: Le Retour de Martin Guerre (1982), met Gérard Depardieu, en Sommersby (1993), met Jodie Foster en Richard Gere. Beide films hebben onevenredig veel aandacht voor de man, die wegvlucht, en niet voor de achtergebleven vrouw. Die heeft overigens ook geen eigen naam in de titel van Lewis’ novelle. Ze heet Bertrande de Rols. De actuele dilemma’s waar zij voor komt te staan na verdwijning én de verschijning van haar echtgenoot leveren onleefbare keuzes op, want hoe dan ook zal ze altijd aan het kortste eind trekken.

‘Ik probeer een man de dood in te jagen, een man die zo vaak goed voor mij was’

Elf jaar zijn Bertrande en boerenzoon Martin als ze trouwen, met goedkeuring van de pastoor, halverwege de zestiende eeuw. Het huwelijk, bekokstoofd door twee belangrijke feodale families in het Zuid-Franse Artigues, wordt nog niet geconsumeerd. Op hun trouwdag krijgt Bertrande – omineus teken – klappen van haar piepjonge man, die qua karakter erg op zijn autoritaire en afstandelijke vader lijkt. Als de vader zijn zoon op vernederende wijze enige tanden uit zijn mond slaat nadat Martin wat laat terugkeert van een berenjacht, is de kiem voor zijn verdwijning gelegd. Bertrande en Martin krijgen een zoon en dus een erfopvolger. Niet het huwelijk is een hindernis voor Martin maar zijn feodaal denkende vader. Hij trotseert zijn vader niet meer, maar ontloopt hem door van hem weg te vluchten. Acht dagen maar, meldt hij aan Bertrande, van wie hij nauwelijks afscheid neemt. Zij moet het louter doen met zijn kille mededeling dat hij er even vandoor gaat. Maar acht dagen worden acht jaar. De vader sterft, de zoon blijft weg. Of toch niet?

Opeens is hij daar weer, ‘herkend’ door veel dorpsgenoten en de familie: Martin Guerre, terug als huurling uit al de godsdienstoorlogen. Maar Bertrande’s eerste indrukken wijken af van wat haar dorpsgenoten beweren. Wie is deze Martin Guerre na acht lange jaren? Waarom is hij zo veranderd, al lijkt hij verdomd veel op de oude Martin? Haar intuïtie zegt haar dat de teruggekeerde huurlingsoldaat haar man niet is, hoewel de pastoor haar op het hart drukt dat hij het wél is en dat ze niet lastig moet zijn. Is ze krankzinnig? Vergist ze zich? Is Martin dan daadwerkelijk veranderd en een zachtzinnige, meelevende echtgenoot geworden? Hij is uitstekend op de hoogte van Martin Guerre’s verleden.

Ze zet haar huwelijk voort en krijgt nog twee kinderen. Maar toch… Pleegt zij, voorbeeldige roomse ziel, geen overspel? Leeft ze niet in zonde? Wat moet ze? Zich schikken of trouw zijn aan haar eigen waarheid, namelijk dat ze wéét dat deze Martin Guerre in wezen een ander is, al lijkt hij als twee druppels water op haar echte echtgenoot? Het wordt de waarheid, met alle gevolgen van dien. ‘Ze voelde zich als iemand die was veroordeeld tot de eenzaamheid, als een balling of een gevangene.’

Er komen twee processen, een in Rieux en het hoger beroep in Toulouse. Men komt er niet uit, ondanks honderden getuigen die elkaar flink tegenspreken. Het regent indirecte bewijzen, maar waar is de echte Martin Guerre? Uiteindelijk wordt tijdens het proces niet alleen de echte naam van de teruggekeerde ‘Martin Guerre’ onthuld – wat hem de doodstraf oplevert – maar duikt ook de échte Martin Guerre op in de rechtszaal, met een houten been dankzij het slagveld. Is zijn terugkeer meteen dé oplossing? Nee, daar beginnen de moeilijkheden meteen weer want de eerste woorden die hij tot zijn vrouw richt zijn kil, koel en kortaf. Moet Bertrande terugkeren naar haar afstandelijke man of moet ze kiezen voor de zachtaardige variant, de stand-in die haar misleid heeft? ‘Ik probeer een man de dood in te jagen, een man die zo vaak goed voor mij is geweest, de vader van mijn jongste kind. Ik richt mijn familie te gronde? En waarom? Om een zekere waarheid, en om mezelf te bevrijden van een leugen die me van binnen verteert en kapotmaakt.’

Aan het slot van De vrouw van Martin Guerre zijn Bertrande en de lezer er nog steeds niet uitgekomen. Het plotje was slechts een vehikel, zoals in alle goede boeken, om een paar dilemma’s op te werpen waarmee mannen en vrouwen sinds mensenheugenis worstelen.