KUNST

Ideologisch bevlogen

Alexander Rodchenko

De Rodchenko-tentoonstelling in Foam, Amsterdam, is samengesteld door Olga Sviblova, directeur van het Moskouse Huis der Fotografie. Zij heeft sinds de jaren tachtig een fanatieke verzamelwoede aan de dag gelegd, waardoor het werk van grote kunstenaars als El Lissitsky en Boris Ignatovich, maar ook van mannen als Alexander Grinberg en Nikolai Andreev bewaard gebleven is. De expositie stemt dankbaar, want Foam mag veel en heel bijzonder werk tonen van Rodchenko (1891-1956), met originele prints en veel tere plak-en-knip-ontwerpen voor de radicale fotomontages die Rodchenko in de jaren twintig beroemd maakten.
Rodchenko behoort tot de generatie kunstenaars voor wie de Revolutie van 1917 een delirium van artistieke vrijheid betekende. Al het oude kon terzijde geschoven worden; alles mocht. In 1921 presenteerde Rodchenko drie volledig monochrome schilderijen in rood, blauw en geel en verklaarde dat de schilderkunst aan haar eind gekomen was. De fotografie bood een nieuwe weg voorwaarts, maar dan als een conceptuele kunstvorm om zo (zegt Mme Sviblova) ‘dynamische ideeënconstructies uit te drukken’.
Het aardige is dat Rodchenko’s fotografie, hoe raar en radicaal ook - altijd een ongewoon standpunt, liefst van bovenaf, de camera altijd scheef gehouden - nog sterk tegen de 'oude’ kunsten aanleunt. Het portret van de drukker Alexander Shevchenko uit 1924 is een dubbel belichte foto, met twee aanzichten van de hoofdpersoon, en doet onmiskenbaar denken aan kubistische schilderijen. Ook de 'montage’, de deconstructie van een beeld met schaar en lijmpot, heeft daar nog veel mee te maken. De compositie van Rodchenko’s collages heeft dezelfde liefde voor de 'dynamische diagonaal’ en de beweging van abstracte objecten door de ruimte als de schilderkunst van de Suprematisten.
Vanaf 1924 maakte Rodchenko prachtige foto’s en prachtige montages. De geschoren kop van Majakovsky, van wie het bonkige lichaam nauwelijks in het kader past, is onvergetelijk. De designs voor het tijdschrift LEF, de publicaties van de Constructivisten, zijn fris en geestig, en je realiseert je hoe buitengewoon groot de invloed ervan geweest is op grafisch ontwerp en typografie sindsdien.
Daarna gaat er iets geweldig mis. De tentoonstelling raakt er maar even aan, zegt iets over 'gebrek aan materiaal’ en 'het weigeren van vergunningen’, maar wat Rodchenko aan het eind van de jaren twintig overkwam, overkwam ook Malevich, Tatlin en Lissitzky: de partij maakte een bruut einde aan de vrijheid van de avant-garde. De fotografie bood nog een zekere uitwijkmogelijkheid; net als Lissitzky kon Rodchenko zijn werk nog kwijt in de sovjetpaviljoens van internationale tentoonstellingen, in Dresden, Keulen of Leipzig. Al gauw ontkwam ook Rodchenko niet aan gruwelijke opdrachten als het maken van een reportage over de aanleg van het kanaal van de Witte Zee naar de Baltische zee, waarbij honderdduizenden dwangarbeiders de dood zijn ingejaagd. Volgens een los tekstvelletje in een van de vitrines wist Rodchenko het daarna zo te spelen dat hij alleen nog parades, sportwedstrijden en circusvoorstellingen hoefde te fotograferen. Die foto’s hangen er ook: mooie moderne sovjetpropaganda. De camera hangt nog altijd een beetje scheef, dat wel, maar de gedachte aan Leni Riefenstahl is niet ver weg.
Rodchenko’s carrière eindigde al in de jaren veertig, en hij leidde met vrouw en kinderen een armoedig bestaan in de marge. Dat redt hem, zou je kunnen zeggen, van het odium van de buigzame stalinist. Het tragische is toch dat ondanks de verwoede pogingen van Mme Sviblova om Rodchenko vooral te presenteren als kunstenaar an sich, zijn werk domweg niet los te zien is van zijn ideologische bevlogenheid - en verblinding.

Alexander Rodchenko: Revolution in Photography, Foam, Amsterdam, t/m 17 maart; www.foam.nl