Ideologische pasjes

Beiden golden ooit als Duitse ‘Burgerschreck’, beiden zijn inmiddels enigszins op hun revolutionaire schreden teruggekeerd. Hans-Magnus Enzensberger en Martin Walser over conservatief engagement en morele censuur: een dubbelinterview.
HIJ GELDT, NA HET geleidelijk terugtreden van Gunter Grass, als het ‘geweten van Duitsland’. Ooit was hij, als vrijwel alle Duitse intellectuelen, een revolutionair en Burgerschreck. ‘Lees geen oden, mijn zoon’, dichtte Hans-Magnus Enzensberger (1929) ooit: ‘Lees de dienstregelingen, leer je te vermommen, leer wisselen van wijk, van pas, van gezicht. Maak gebruik van het kleine verraad, van de dagelijkse smerigheden. Woede en geduld zijn nodig, om in de longen van de macht de dodelijke stof te blazen.’ Tegenwoordig tiert hij tegen de middelmaat van ‘secundaire analfabeten’. Zijn die in staat een dialoog met de intellectuelen te voeren?

Enzensberger: ‘Nauwelijks. Maar vergeet een ding niet: het verschil tussen de primaire analfabeet en de secundaire analfabeet is het handige opportunisme van de laatste. Hij pikt de slogans op en weet enige kennis te simuleren. Hij praat over het postmodernisme, Lacan en Derrida - maar als je een beetje aan zijn kennis krabt, blijkt er niets achter te zitten. Hij is de gestroomlijnde vorm van wat vroeger de halfintellectueel heette. Hij interesseert zich nauwelijks voor wezenlijke zaken. Hij kan de trendy woordenschat hanteren die de belangstelling van het publiek heeft. Bij voorkeur voor de televisie, het medium bij uitstek van de secundaire analfabeten.’
Intellectuelen, constateert Enzensberger, zijn tegenwoordig vooral bezig met zaken als dood, revolutie, incest en sodomie. 'Maar dat werkt inmiddels niet meer. Iedereen schrijft tegenwoordig maar subversieve stukken, waarin de toneelspelers zich moeten uitkleden en een avond lang Scheisse! brullen. Dat sorteert geen enkel effect meer. Het burgerlijke publiek is geestelijk voorbereid, laat dit soort effecten rustig over zich heenkomen, applaudisseert braaf na de slotscene en trekt even kalm in de garderobe de jassen weer aan.’
Vandaar uw tegenwoordige 'conservatieve engagement’?
'Het wemelt bij ons vandaag de dag van censuur. Ons intellectuele klimaat wordt beheerst door bewakers en concierges. Zij vragen allemaal naar je ideologische pasje. Dit soort zelfbenoemde politieagenten interesseert mij niet. Zij komen niet eens met bewijzen; het is aan mij mijn ideologische onschuld te bewijzen. Voor zoiets als democratie hebben zij geen enkele belangstelling. Alemaal ouwe koeien! Al in de linkse beweging anno 1968 heerste een sfeer van achterdocht, waarin het doodnormaal was te speuren naar mensen die niet zuiver genoeg in de leer waren. De een werd voor trotskist uitgescholden, de ander was een revisionist en de derde was een renegaat.’
DE VAL VAN DE starre, dictatoriale systemen, constateert Enzensberger, heeft uiteraard positieve aspecten. 'Kijk naar de feiten. Twintig jaar geleden trok geen regeerder zich iets van ecologische problemen aan. Tegenwoordig heeft elke partij een ecologisch programma - en niet alleen in strikt retorische zin. Neem de elektriciteitscentrales: de uitstoot van stikstofoxyden is met tachtig procent verminderd. Het is geen oplossing van het probleem, maar er wordt in elk geval iets aan gedaan. Ook de vrouwenbeweging heeft successen geboekt, net als de homobeweging. De paragraaf waarin homoseksualiteit strafbaar werd gesteld is in Duitsland inmiddels afgeschaft, al werd hij in de praktijk allang niet meer toegepast. Aan de andere kant zijn en blijven er problemen die gewoon te groot zijn. De problemen van de derde wereld bijvoorbeeld, waar wij op onze wijze iets aan proberen te doen, zonder dat dit lukt. Hoe dan ook, wij proberen ons durchzuwursteln.’
Behalve de Duitse intellectuelen, inclusief de schrijvers, die zich tegenwoordig vrijwel onbetuigd laten. Is hij eigenlijk ooit lid geweest van de Westduitse Schrijversbond, die toentertijd de dissidente DDR-collega’s zo lelijk in de kou heeft laten staan? Enzensberger: 'Geen seconde! Ik ben toch niet gek! Die Westduitse Schrijversbond was geinfiltreerd door de communistische partij, de DKP. Ze heeft ook Jaruzelski in de kaart gespeeld, toen die de Poolse Schrijversbond verbood. Zo werden onze Poolse collega’s in de rug aangevallen. Die bond heeft nog steeds geen enkele autoriteit. Het is allemaal pure onzin. Waarom moeten intellectuelen zich trouwens verenigen? Niemand hoeft mij voor te schrijven wat ik zal gaan ondertekenen. Mijn beroepsbelangen? Die worden door een heel andere organisatie behartigd, die zich bijvoorbeeld met het copyright bezighoudt, zonder aan politiek te doen.’
Hij spreekt met ironie over zijn Franse collega’s, die nog steeds vrij onverveerd op de barricaden staan. 'Dat hoort nu eenmaal zo in Parijs. Of je echt wat te zeggen hebt, is een tweede. Neem een mediagenie als Bernard-Henry Levy. Weet u nog dat spektakel met die Bosniepartij, de partij die voor interventie was? Het gevolg was groot theater, met alles erop en eraan. Maar drie dagen voor de verkiezingen trad hij af. Hij had zijn show gehad en voor de rest was zijn belangstelling in het Bosnische vraagstuk verleden tijd.
Ik ben geen tv-ster en mijd de media. En ik ben geen opvoeder. Mijn belangstelling ligt, anders dan die van bijvoorbeeld Christa Wolf en Gunter Grass, bij de realiteit. Was het geen waanzin de mensen te gaan vertellen dat zij zich niet moesten herenigen? Zeventien miljoen mensen zaten achter de Muur opgesloten! En dan zeg je tegen die mensen: blijf maar achter slot en grendel zitten…’
Niet alleen de intellectuelen hebben geen nieuwe ideeen, vindt hij, ook de meest recente burgeroorlogen vertonen geen spoor van enige ideologie. 'Tja, waarom werden vroeger mensen afgeslacht? Omdat de ideale maatschappij van de toekomst dit eiste of omdat ik mijn ras als superieur beschouwde. Wat de mensen tegenwoordig bezielt, begrijp ik niet. Misschien is het een drang tot zelfvernietiging. Nationalisme? Vreemdelingenhaat? Het zit allemaal niet diep. Ga maar naar Belgrado en vraag het een Servier. Die zal u vertellen dat hij met een Kroatische is getrouwd en dat zijn beste vriend een Bosnier is. Het is een ongeloofwaardig soort nationalisme. Bij de neonazi’s kom je precies hetzelfde tegen. Vraag hen eens met welke ideeen van Hitler zij het eens zijn - ze weten het niet en het kan ze niet schelen. De mensen die deze zaak belichamen, zijn mensen zonder toekomst, vernederd, teleurgesteld, verbitterd.
De autoriteiten zijn weg. Vroeger had je de kerk, het stamhoofd, de leraar, de sjamaan, de president, mensen waar je enigszins naar luisterde. Ook de generatie van '68 heeft deze autoriteiten niet omvergeworpen; de autoriteiten - inclusief hun geloofwaardigheid - zijn gewoon verdwenen. Het is alleen nog maar een lege huls. Schwund des alten Regimes… De Duitse bourgeoisie had geen autoriteit; zij had met Hitler gecollaboreerd. Zoals de bolsjevieken door de terreur hun autoriteit hebben verspeeld. Het kapitalisme is veel flexiber gebleken, zonder de oplossing te zijn. Ik weet het niet, ik ben geen wereldinstantie, ich bin ein Lyriker.’
In Frankrijk en in Latijns Amerika heeft de intellectueel wel iets te zeggen. Daar vindt men ministers die boeken schrijven.
'Dat is waar. Zoiets bestaat bij ons niet.’
Behalve Walther Rathenau, minister van Buitenlandse Zaken tijdens de Republiek van Weimar. Die schreef boeken.
'Vandaar dat ze hem hebben vermoord.’
DE POSITIE VAN DE kleinburger staat centraal in het werk van de meeste naoorlogse Duitse auteurs, van Heinrich Boll tot Sarah Kirsch, elk met hun eigen invalshoek. Ook Martin Walser (1925) laat daar geen misverstand over bestaan. Zijn romans, novellen en toneelstukken zijn geschreven vanuit het perspectief van de hardwerkende maar ontwortelde kleinburger. Walser verwoordt dit standpunt met overdonderende welbespraaktheid: 'De kleine burgerij is de zichzelf uitbuitende klasse, terwijl de grootbourgeoisie van het uitbuiten van anderen leeft en het proletariaat door anderen wordt uitgebuit. Kleinburgers zijn mensen die te veel werken en te veel van zichzelf eisen. Zij leven nooit in het leven, maar maken plannen voor de toekomst. Maatschappelijk zelfvertrouwen is hen niet gegund. Hun klasse geldt vanwege haar vermeende bekrompenheid als verachtelijk. Vandaar dat de kleine burger graag een bourgeois wil worden. Niettemin was de kleine burger de beslissende klasse van deze eeuw, en niet het proletariaat of het grootburgerdom. Trouwens, het kleinburgerdom heeft zich nooit een klasse gevoeld. het proletariaat ontleende zijn zelfbewustzijn aan Marx, de bourgeoisie las boeken, maar de kleinburger had geen zelfbewustzijn en zo hij dit had, was dit negatief.’
Walsers thema is vooral de kleinburger die tot intellectueel opstijgt maar zich daarna laat corrumperen en conformeren. Zelf is hij de zoon van een boerendochter en een maatschappelijk niet erg geslaagde, meer lezende dan werkende vader. Na diens vroege dood slaagde Walsers plichtsgetrouwe moeder er door hard, heel hard werken in de schulden af te lossen die haar man had nagelaten.
WALSER WAS JARENLANG sterk politiek betrokken bij de maatschappelijke ontwikkelingen, inclusief een lidmaatschap van de Deutsche Kommunistische Partei. Maar in de jaren zeventig ging hij over tot wat zijn critici een 'Ruckbesinnung auf das Individuelle’ noemden. Het is een thema dat je niet in de hand hebt, zegt Walser nu. 'Ik bracht in 1976 Jenseits der Liebe uit. Dat behelsde de strijd tussen twee employes die onder dezelfde chef werkten. In 1978 volgde Ein fliehendes Pferd, dat de concurrentie tussen twee mannen om twee vrouwen beschreef. Daarna kwam Seelenarbeit over de afhankelijkheid van een employe van zijn chef en uiteindelijk verscheen Schwanenhaus, dat een beeld schetst van de wijze waarop middenstanders en kleine zakenlui elkaar naar het leven staan.’
Midden jaren tachtig kwam er nog een thema bij: de deling van Duitsland. Hiermee begaf Walser zich andermaal in een wespennest. Zijn held in de novelle Dorle und Wolf (1987) zegt: 'Zij (de Westduitsers - jqs) weten niet wat bij hen ontbreekt. Er is geen mens die desgevraagd zegt dat hij zijn helft uit Leipzig mist, zijn deel uit Dresden, zijn verlengstuk uit Mecklenburg en zijn diepte uit Thuringen.’ Daarmee liep Walser vooruit op het probleem van de Duitse hereniging, dat zich een paar jaar later in volle hevigheid zou aandienen. Zo verkondigde hij in zijn essay 'Ohne Deutschland reden’ (1988) de onorthodoxe stelling dat de Duitse deling het resultaat was van de Koude Oorlog en niet zozeer een beslissing van de geallieerden. Een uitspraak die hem nogal wat moeilijkheden heeft bezorgd.
In zijn laatste roman, Ohne einander (1993), gaat Walser andermaal de intellectuelen te lijf. Zij voeren sinds de val van de Muur een soort totale oorlog. De opiniemakers hebben geen opinie en de moralisten hebben geen moraal. De lezer is getuige van redactievergaderingen die beter ongenotuleerd hadden kunnen blijven. Intellectuele echtelieden bespreken samen hun buitenechtelijke ervaringen onder het walgend toehoren van hun kinderen.
Walser is nog steeds de man die - zoals hij in 1965 zei - de juiste vragen stelt, zonder de pretentie te hebben de juiste antwoorden te geven. Walser: 'Misschien heb ik dat gezegd om geen verwachtingen te scheppen die door de literatuur alleen maar kunnen worden teleurgesteld. Nu kan ik er meer over kwijt. Een roman is altijd het antwoord op een negatieve ervaring. Een lezer die een boek probeert te doorgronden, schrijft zijn eigen boek met de hulp van de auteur. Lezen is musiceren; lezen is niet luisteren naar muziek. Kant en klare antwoorden zijn in geen enkel boek te vinden, ook niet in de mijne. Ik ben geen dominee.’
Dat sluit de oude, vertrouwde maatschappijkritiek niet uit.
'De negatieve ervaringen van de lezer zijn een complement van de tekst van de auteur. Dat leidt vervolgens tot maatschappijkritiek, die overigens niet tot een programma mag ontaarden. Schrijfkunst laat zich niet dirigeren. Al het andere is socialistisch-realisme.’
Hij gelooft geen moment dat de taak van de schrijver na het einde van de Koude Oorlog is veranderd. 'Althans niet de mijne. Maar net als alle andere tijdgenoten ben ik, als auteur, bevrijd van de even ijzingwekkende als belachelijke polarisering in twee ideologische kampen. Het waren pure kruistochten. Beide, Washington en Moskou, claimden een soort religieus vertrouwen, een soort goddelijk gelijk. Vandaar dat schrijvers het tegenwoordig gemakkelijker zouden moeten hebben. Maar dat gaat niet op voor onze romans: die beelden net als vroeger de intieme en dieper liggende processen uit van het menselijk bewustzijn.
Wat de intellectuelen betreft: het einde van de ideologische afrastering zou hen in principe een grote vrijheid van denken kunnen schenken. Tot voor kort kon je nauwelijks je mond opendoen, gedreven door de vrees: Oei, tot welk kamp word ik nu weer gerekend! Dat verschijnsel behoort in Duitsland helaas nog niet tot het verleden. Veel intellectuelen hadden grote moeite met de hereniging. De discussie wordt nu voortgezet. Misschien is hij over een jaar of vijf voorbij.’
MAAR ONDERTUSSEN LIJKT de discussie alleen maar moeizamer te worden. Walser: 'Neem de brandstichtingen. Die worden breed uitgemeten. De daders komen uitgebreid op het televisiescherm. Het gaat om vijftien- tot drieentwintigjarigen met een hopeloos beschadigde biografie, zonder hoop of enige richting in het leven. Zo'n brandstichting wordt twintig keer uitgezonden, zodat de daders een soort tv- identiteit krijgen. Sommigen maken daar misbruik van. Het heeft niets met politiek te maken, het is jeugdprotest dat zich van de zwaarste middelen bedient. Het is allemaal de schuld van de televisie. Je moet de skinheads niet op een hoop met rechtse partijen als die van Schonhuber of Le Pen gooien. De jeugd uit Hoyerswerda bestaat uit jongeren uit de gewezen DDR, die in een strikt antifascisme zijn opgevoed. Nu is er voor hen in de maatschappij geen plaats meer. Zij slaan terug met de middelen waarvan zij weten dat die het meeste pijn doen. Dus wordt er 'nazi’s!’ geroepen in plaats dat er wat voor die jongeren wordt gedaan. Net zoals toentertijd Andreas Baader overkwam, die bij een studentendemonstratie bruut in elkaar werd geramd. Ja, zo maakt je terroristen van protesterende studenten. Ook met de skinheads is niemand gaan praten, behalve een priester, zover ik weet. Op die manier blijven zij onder elkaar in hun biertenten hangen.’
Martin Walser krijgt in het trendy Munchen (waar zijn Ohne einander zich afspeelt) vandaag de dag te horen: 'Ben je nu rechts-extremist geworden?’