Ideoloog van een denkbeeldige partij

Ooit was hij een soort ridder die de marxistische draak bestreed, nu gaat hij tekeer tegen de verrechtsing van de PvdA. Een interview met Bart Tromp, oppasser in een ideologische dierentuin.

ER ZIJN NATUURLIJK veel mensen die in de loop van hun carriere een flink stuk zijn opgeschoven in het politieke landschap. Meestal van links naar rechts. Ook de partijen zelf schuiven voortdurend door het politieke spectrum. Wat echter zelden voorkomt is dat een partij zo'n enorme ideologische salto maakt dat een representant van de rechtervleugel in een klap, zonder zich zelf te verroeren, op de linkervleugel belandt. Dit is wat Bart Tromp, sinds jaar en dag de belangrijkste PvdA-ideoloog, is overkomen. In de jaren zeventig trok hij fel van leer tegen links sektarisme en marxistisch dogmatisme. Begin jaren tachtig, tijdens het kruisrakettendebat, zagen sommigen in hem een vijfde colonne van het militair- industrieel complex. Maar sinds in 1989 het kabinet-Lubbers/Kok aantrad, verwijt hij de PvdA de totale uitverkoop van de sociaal-democratische beginselen.
Tromp: ‘Tot 1989 riep de PvdA steeds dat de verzorgingsstaat werd afgebroken, en dat dit een schandaal was. Nadien heeft ze dit karwei zelf ter hand genomen, waarmee ze de basis heeft gelegd voor de huidige coalitie. Natuurlijk is de PvdA niet de enige partij die zich schuldig heeft gemaakt aan grof opportunisme. Kijk maar naar het CDA. Die partij had heel graag samen met D66 willen regeren, terwijl de Democraten in 1989 nog buiten de deur werden gehouden omdat ze “te libertijns” zouden zijn.
Dat de PvdA zo ver en zo snel naar rechts zou opschuiven, heb ik trouwens ook niet voorzien. Eind vorig jaar publiceerde ik in Socialisme en Democratie een artikel waarin ik wees op de relatief geringe waarde van verkiezingsprogramma’s. Dat is me toen niet in dank afgenomen, want men was immers zeer trots op Wat mensen bindt. Maar dat de partij het programma zo snel in het vuilnisvat zou proppen, dat had zelfs ik niet verwacht. Als de formateur vrijwel zonder slag of stoot de bezuinigingseis van de VVD overneemt - tien miljard hoger dan wat in het PvdA-programma stond - en Rottenberg noemt dat een “rekenfoutje”, dan moet ik concluderen dat ik nog veel te mild ben geweest in mijn kritiek.
Kok heeft dit kabinet geformeerd als minister van Financien, niet als partijleider. Als je ziet wat er is overgebleven van alles waarvoor de partij zich al die jaren heeft ingezet, vraag je je af of dat soms allemaal ketelmuziek is geweest. Natuurlijk is het normaal dat je in een verkiezingsprogramma de boel wat opklopt, maar dat je dat zo snel bij het oud vuil zet, daar kan ik niet bij. Als je dat rare regeerakkoord leest, wordt je absoluut niet duidelijk welke richting de “modernisering van de verzorgingsstaat” - de woorden van Kok - dient op te gaan. De verrechtsing van de PvdA gedurende het kabinet-Lubbers/Kok heeft de partij zo'n dertig procent van haar kiezersaanhang gekost. Op deze manier krijgt ze die echt niet terug. Als ik AOW'er was - wat ik goddank nog lang niet ben en ook niet worden zal, omdat die uitkering dan niet meer bestaat - zou ik echt niet weten welke reden ik zou hebben om op de PvdA te stemmen.’
Zo'n vijftien jaar geleden stond u te boek als een rechtse sociaal-democraat, een luis in de pels van een partij die zich sterk verbonden voelde met de zogenoemde nieuwe sociale bewegingen. Nu lijkt u zich op de uiterste linkervleugel van die partij te bevinden. Is de PvdA van plaats veranderd, of bent u veranderd?
'De meeste standpunten die ik toen verdedigde, huldig ik nu nog steeds. Begin jaren tachtig pleitte ik voor een bezinning op de verzorgingsstaat. Ik was het eens met het onderscheid dat Kees Schuyt maakte tussen behoefte en luxe. Dat werd toen enorm rechts gevonden. Het was Wim Kok die als voorzitter van het FNV tekeer ging tegen de door Den Uyl voorgestelde twee ziektedagen voor eigen rekening, dezelfde Kok die nu de verzorgingsstaat aan het afbreken is.
Eind jaren zeventig was ik een soort ridder die de marxistische draak bestreed, iemand die keer op keer moest laten zien dat Marx’ analysen betrekking hadden op het negentiende-eeuwse kapitalisme en dat we daar nu niet meer zo heel veel mee konden uitrichten. Nu voel ik me onderhand een oppasser in een ideologische dierentuin, die hulpeloze marxistjes moet beschermen omdat ze anders helemaal worden afgeslacht. Het marxisme mag dan een zeer gebrekkig instrument zijn om onze maatschappij mee te analyseren, maar op dit moment zie je dat elke analyse ontbreekt. En het kapitalisme bestaat toch nog steeds. Ik blijf erbij dat de dynamiek van ons economisch systeem tot vreselijke dingen kan leiden, maar waar blijven de politieke analysen? Klakkeloos worden allerlei axioma’s overgenomen uit wat we vroeger de burgerlijke economie noemden. Het is toch treurig om te zien hoe het Centraal Planbureau, op grond van zeer dubieuze criteria, als een schoolmeester de partijprogramma’s nakijkt en een cijfer geeft.’
U REKENT ZICH niet bepaald tot de politieke vrienden van onze minister-president. Toen hij de visionaire opvolger van Den Uyl werd genoemd, noemde u dit een zwaktebod. U verweet hem een gebrek aan leiderschap en zei dat hij de partij inhoudelijk niet had voorbereid op regeringsdeelname. En nu breekt hij de verzorgingsstaat af. Is Kok de slechtste partijleider uit de geschiedenis van de Nederlandse sociaal-democratie? 'Hij is helemaal geen partijleider. Jan Pen zei onlangs dat Kok een man is voor een dossier per keer. In het vorige kabinet had hij voor de financien te zorgen, dus had hij geen tijd om in de partij orde op zaken te stellen. Nu is hij premier, dus heeft hij helemaal geen tijd. Het is natuurlijk heel mooi dat de PvdA weer een regeringsleider heeft mogen leveren, maar deze man heeft de partij sinds 1986 van de ene verkiezingsnederlaag naar de andere geleid. Aan vernieuwing van de partij heeft hij niets gedaan, alleen maar op de rem gestaan. Het enige dat in dit opzicht is bereikt - de centrale kandidaatstelling - is er gekomen ondanks fel verzet van Kok.
Wie zich een oordeel wil vormen over Kok als partijleider, hoeft slechts te kijken naar de huidige PvdA-bewindslieden. Wie is er over van de vorige ploeg? Pronk, die tegen heug en meug weer Ontwikkelingssamenwerking doet, en daarmee voor hofnar mag spelen. Wallage, die toentertijd op het allerlaatste nippertje nog een post kreeg, en zeer omstreden was, en Ritzen, omdat niemand anders die klus wilde aanpakken. De rest is afgedankt. Een sterke partijleider omringt zich met krachtige, zelfstandige mensen die het debat durven aangaan.’
Zijn de gebreken die u de PvdA aanwrijft eigenlijk niet representatief voor de gehele Nederlandse politiek?
'De historicus Kossmann heeft eens heel fraai gezegd dat het de huidige politici ontbreekt aan probleemscheppend vermogen. Hij wees er op dat politiek fundamenteel iets anders is dan bestuur. En dat vergeten politici meestal. Als bepaalde zaken niet op de politieke agenda worden gezet, gebeurt er niets. Men realiseert zich pas dat er iets moet gebeuren als het te laat is. Wat dat betreft heb ik veel respect voor Bolkestein, die wel belangrijke zaken op de agenda van de politiek probeert te krijgen.’
U VERRICHT AL jaren onderzoek naar de beginselen van de sociaal-democratie. Bent u niet bang dat als dat boek eindelijk verschijnt het onderwerp op de meeste mensen een nogal onwezenlijke indruk zal maken? Zullen de mensen zich niet afvragen: 'Waar gaat dit nog over?’
'Het komt er nu echt aan, hoor. Eind dit jaar verschijnt Het sociaal-democratisch program, 1882-1977. Dat is een tekstkritische analyse van partijprogramma’s van SDB, SDAP en PvdA, met uitgebreid commentaar. Maar of er dan nog sociaal-democratische beginselen zijn, bedoelt u? Tja, de politieke identiteit van partijen is nu eenmaal buitengewoon moeilijk te fixeren. Je kunt natuurlijk zeggen: er zijn bepaalde constanten en de rest zijn aanpassingen aan gewijzigde omstandigheden. Als je kijkt naar het wezen van het liberalisme, de totale staatsonthouding, dan moet je concluderen dat het alleen in Engeland heeft bestaan, tussen 1832 en 1870. Wat ik probeer te doen, is helder te krijgen wat binnen de sociaal-democratie de vaste lijn was, en wat we moeten beschouwen als discontinuiteit. En dat laatste overheerst, ook al plakte men daar wel het etiket socialisme op. Kijk maar naar de pacifistische sentimenten die keer op keer de kop op staken. Dat behoort helemaal niet tot de beginselen van de sociaal-democratie, maar om tal van redenen, niet in de laatste plaats electorale, werd het af en toe gezien als de toetssteen om socialist te zijn.’
IS DE RODE draad van het socialisme al niet lang geleden afgekapt?
'Dat klopt. Eigenlijk al in de jaren dertig. Toen werd het idee dat het socialisme verwezenlijkt kon worden door grote institutionele hervormingen, zoals socialisatie van de produktiemiddelen, ingeruild voor een sturende rol van de overheid in de conjunctuurpolitiek. Tinbergen was daarvan de grote initiator. Ik heb nog stevige discussies met hem gevoerd over de vraag in hoeverre je nog mocht spreken van kapitalisme. Volgens hem bestond dat niet meer, omdat de overheid tegenwoordig intervenieert. Hij verdedigde nog steeds zijn convergentietheorie: de politieke en economische verhoudingen zouden in het Westen en het Oostblok naar elkaar toe groeien. Hij deed dat nog geruime tijd nadat het communisme in elkaar was gedonderd.’
Betekent dit nu dat er sinds de jaren dertig ten onrechte over socialisme wordt gesproken?
'De oude P. L. Tak heeft eens, nog voor hij lid werd van de SDAP, gezegd dat het enige verschil tussen de sociaal-democraten en de radicalen - zoals de links-liberalen toen heetten - het vraagstuk van het eigendom was. Nu, dat verschil bestaat tegenwoordig niet meer. Dat is helemaal niet erg, hoor. Het is vervangen door het begrip “georganiseerde solidariteit”. Of zoals Joop den Uyl altijd graag Tawney citeerde: “De wet als moeder van de vrijheid.” Prima, maar dan moet je niet suggereren dat het socialisme een eeuwig beginsel is.’
KAREL VAN HET REVE heeft eens geschreven dat hij altijd stemde op een 'denkbeeldige’ PvdA. Bent u niet de belangrijkste theoreticus van die denkbeeldige partij?
'Cru gezegd kun je stellen dat de PvdA op dit moment niet meer bestaat. Kijk, ik ben tegenwoordig lid van de afdeling Den Haag, een van de grootste in het land. Voor de opstelling van de kandidatenlijst voor de Tweede-Kamerverkiezingen, noch voor de goedkeuring van het verkiezingsprogramma, noch voor het goedkeuren van de regeringsdeelname heeft deze afdeling een ledenvergadering uitgeschreven. En Den Haag is hiermee beslist geen uitzondering. Dus mogen we concluderen dat de partij eigenlijk niet meer bestaat.’
Doet dit u verdriet?
'Ja, ik vind het echt verschrikkelijk. En ik word niet goed van al die CDA'ers en VVD'ers die op medelijdende toon zeggen: “Wat jammer he, van jullie partij.” Grote groepen burgers staan nu in de kou, die vinden bij geen enkele partij nog gehoor. Mensen die traditioneel bij de sociaal-democratie thuishoren, die zich absoluut niet aangesproken voelen door wat D66 of GroenLinks te berde brengen. Het is vooral de WAO-crisis geweest die voor veel mensen de doorslag gaf. Veel mensen haakten toen af. Dat loopt uiteen van een hoogleraar politicologie die ik ken, die vanaf de oprichting lid van de partij was, tot de verhuizer die met mijn boeken liep te sjouwen: “Doet u dat nog steeds, de PvdA? Dat zal ik maar helemaal onderaan zetten, he? ” ’
IN DE JAREN zeventig verzette u zich tegen de uitwassen van de basisdemocratie, tegen het model van de actiepartij. Toen trachtten afdelingsvergaderingen de politieke lijn te dicteren. Nu komen ze niet eens meer bij elkaar.
'Ik heb me altijd ingezet voor een democratisch georganiseerde partij. Het kon volgens mij toch niet zo zijn dat mensen die niet gekozen waren, in een afdelingsvergadering konden beslissen hoe gekozen volksvertegenwoordigers moesten stemmen. Ook die waanzinnige vergadercultuur, met bijeenkomsten die duurden tot diep in de nacht, zodat de mensen met een normale baan wegbleven, heb ik altijd verafschuwd. In mijn tijd als voorzitter van de afdeling Eindhoven duurden vergaderingen dan ook zelden langer dan tot half elf.
Je kunt je natuurlijk afvragen of een politieke partij wel leden nodig heeft. Je zou ook een organisatie a la Greenpeace kunnen creeren, met een klein team van professionals en geen leden maar donateurs. De beroepspolitici kunnen dan zelf de door hen gewenste lijn uitzetten, zonder dat ze in de wielen worden gereden door partijleden. Maar willen we dit ook? Ik ben van mening dat het heel belangrijk is dat de beroepspolitici ook gecontroleerd worden door mensen die in politiek geinteresseerd zijn, maar die daar niet al hun tijd in willen of kunnen steken. Alleen controle door de kiezers is veel te weinig. Toch gaat de ontwikkeling van de PvdA de laatste jaren steeds meer in de richting van het Greenpeace-model.’
Wat betreft de partijdemocratie lijken we nu weer terug in de jaren vijftig.
'We maken nu inderdaad een enorme terugval mee naar de verschrikkelijkste vorm van het regententijdperk. Maar eigenlijk is dat een ongelukkige term. Want een kenmerk van die oude regentenklasse was dat ze publiekelijk verantwoording durfde af te leggen. Nu vertellen de politici dat het allemaal erg ingewikkeld is, dat de mensen dat toch niet kunnen begrijpen, en dat zij, de politici, er hard aan werken om het allemaal in orde te brengen. Het zijn laffe praatjesmakers geworden, die zich verschuilen achter modieuze managementfilosofietjes.
Een klassiek voorbeeld van een regent was mijn goede vriend en partijgenoot Jaap van der Lee, de voormalige burgemeester van Eindhoven. Begin jaren tachtig hadden woonwagenbewoners eens uit protest een verkeersknooppunt bezet en wat oude autobanden in de fik gestoken. Uiteraard greep de politie in en ’s avonds was alles in geuren en kleuren te horen op de Vara-radio. Een opgewonden verslaggever vroeg Van der Lee waarom hij de politie had ingezet. “Omdat zoiets niet kan”, antwoordde de burgervader. En waarom kon dat dan niet? “Omdat dit Eindhoven is.” En waarom kon dat in Eindhoven dan niet? “Omdat ik hier burgemeester ben!” Niks geen smoesjes over verkeersproblemen of wat dan ook, gewoon zeggen waar het op staat. Overigens kwam dezelfde avond al een deputatie van woonwagenbewoners excuses aanbieden voor de uit de hand gelopen demonstratie.’
Is dat verhullende taalgebruik, dat zich verschuilen achter 'het algemeen belang’, een uiting van minachting voor de democratie?
'Ik vind van wel. Een goed voorbeeld is het regeerakkoord. Dat is een overeenkomst tussen drie partijen, dus je verwacht dat daar flink wat compromissen in staan die voortkomen uit de verschillende verkiezingsprogramma’s. Iedereen moet water bij de wijn doen, maar uiteindelijk moet er wel wat te herkennen zijn van datgene waarvoor de partijen zich in de campagne hebben ingezet. Wat je niet verwacht zijn zaken die in geen van die drie programma’s voorkomen, zoals dat krankjorume idee van een driejarige universitaire opleiding, of tal van nieuwe maatregelen rond de AOW. En worden via een achterdeurtje steeds meer inkomensafhankelijke voorwaarden ingevoerd. Hiermee wordt het basisprincipe van de verzorgingsstaat, het uitgangspunt van de solidariteit, losgelaten. En dat vind ik zeer kwalijk. Hiermee creeer je een armoedestelsel zoals in de Verenigde Staten. Alleen als je helemaal niets meer hebt, kom je in aanmerking voor sociale zekerheid. In de verkiezingsprogramma’s viel hierover niets te lezen. Maar het gaat onder Kok wel deze richting op, terwijl hij in datzelfde regeerakkoord durft te schrijven dat er in wezen niets verandert. Dat is eenvoudig gelogen. Als je dergelijke wijzigingen wilt, ga dan het debat aan, maar doe het niet stiekem.’