Idiote ouders

Mary Karr, De leugenaarsclub. Vertaald door Nelleke van Maaren, Uitg. Ambo, 379 blz., Ÿ 49,50 ..LE ‘Een herinnering’, noemt Mary Karr haar boek, en al weet ik niet wat precies het verschil is tussen ÇÇn of meer herinneringen, de schrijfster heeft in elk geval duidelijk willen maken dat het allemaal echt is wat zij vertelt.

Misschien moest ze dat ook wel met een titel als De leugenaarsclub. Ze heeft het boek aan haar ouders opgedragen. In de verantwoording zegt ze dat haar moeder het pas gelezen heeft toen het af was en er is zelfs een plaats waar ze de moeder rechtstreeks aanspreekt, zodat het boek ÇÇn lange brief lijkt te zijn aan degene die misschien wel de hoofdpersoon is.
De moeder, grootgebracht in New York waar ze op een kunstacademie zat, arriveerde in 1950 met een Italiaanse zeekapitein in Leechfield, een smerig oliedorp in het oosten van Texas, waar ze vervolgens min of meer bij toeval aan een twintig jaar oudere arbeider bleef hangen. Later zou blijken dat ze in totaal wel zeven keer getrouwd is geweest, de eerste keer op haar vijftiende - de twee kinderen uit dat huwelijk was ze voorgoed kwijtgeraakt.
Vanaf het moment dat haar moeder sterft, nadat deze grootmoeder een tijdje het gezin waar ze met haar rottende been bij inwoonde, regelrecht geterroriseerd heeft, wordt ze ratsgek. Het boek begint met een herinnering aan de dag dat de moeder haar bed, waar ze onafgebroken lag te drinken en zwaarmoedige romans las, verlaat om het hele huis aan puin te slaan. Buiten verbrandt ze alles, onder andere het speelgoed en de kleren van haar twee dochters.
Mary Marleen, de vertelster, is dan zeven en haar oudere zus negen. Of het allemaal echt gebeurd is, doet er niet erg toe, wat mij vooral verbaast zijn de foto’s in het boek. Zo echt als die zijn, zo onwerkelijk worden ze naarmate Karr vordert met de vertoning van de dia’s en film van haar herinnering.
Het eerste deel, ‘Texas, 1961’, wordt voorafgegaan door een foto van een jonge vrouw aan wie de gekte niet is af te zien. Bij de periode 'Colorado, 1963’, toen de moeder een tweede huis kocht, haar man naar Texas terugstuurde en een cafÇ begon, staat een foto van de dochters. De oudste is een ernstig kind van tien, de jongste aanvallig lachend tegen haar aangevleid.
Het derde deel, dat vooral over de vader gaat die in 1980 een hersenbloeding krijgt, bevat de onthulling van het verleden van de moeder. De stervende man is natuurlijk geen schim meer van de slanke man op de foto, van de branieschopper die altijd het hoogste woord had in het groepje vrienden, bijgenaamd de Leugenaarsclub, waar hij zijn jongste dochter altijd mee naar toe nam.
Zij heeft een aardje naar haar vaartje: als ze zich niet met haar tong redt, gebruikt ze haar gebit of desnoods een windbuks. Het wonderlijke aan dit gezin is minder het excentrieke gedag van de moeder en de sterke verhalen van de vader dan de wijsheid van de kinderen die hun idiote ouders soms voor het ergste weten te behoeden. De foto van de twee meisjes laat de misleidende buitenkant zien; de toon van de vertelling zit waarschijnlijk dichter bij de waarheid.
Karr schrijft stevige, sappige zinnen, maar de bravoure wordt gelukkig geen grootspraak, zodat af en toe toch het contrast zichtbaar wordt tussen het kleine hartje en het volwassen gedag van een achtjarig meisje in een van de lelijkste steden ter wereld.