Commentaar: Prijzen voor pulp

Idioten contra literatoren

In Amerika kent het bestuur van de National Book Awards een prestigieuze oeuvreprijs toe aan de populaire auteur Stephen King — en meteen is het land te klein. Literatuurpaus Harold Bloom: «Hij is een man die penny dreadfuls schrijft! Kennelijk zijn de bestuurs leden in staat te geloven dat er sprake is van literaire waarde in Kings werk, of van een spoor van menselijke intelligentie. Welnu, dat bewijst simpelweg dat zij idioten zijn.»

Richard Snyder, voormalige uitgever van King, toont zich hoogst verbaasd over de toekenning. In The New York Times zei hij: «Hij verkoopt veel boeken. Maar schrijft hij literatuur? Nee.»

Hiertegenover staat de reactie van Michael Chabon, auteur van The Amazing Adventures of Kavalier & Clay en winnaar van de Pulitzerprijs voor fictie. Hij vraagt zich af hoe de toekenning van een literaire prijs aan een populaire auteur nu nog controversieel kan zijn. Immers, in de twintigste eeuw kwam de muur tussen hoge kunst en populaire cultuur toch naar beneden?

Blijkbaar niet. Voor velen is het heiligschennis als Kings naam op het lijstje van vorige winnaars verschijnt: John Updike, Arthur Miller, Philip Roth en Toni Morrison. Anders dan deze auteurs kreeg hij nooit erkenning van het literaire establishment. Hoe kan dat ook? vragen de Blooms en Snyders. Hij schrijft horror en sciencefiction — allemaal pulp!

Het is even slikken als uitgerekend in Amerika, waar de populaire cultuur werd uitgevonden en vervolmaakt, een strijd tussen «hoog» en «laag» uitbreekt. Het bekvechten tussen de «idioten» en de literatoren is ook slecht voor de positie van de populaire kunstvormen in Europa en in Nederland, waar de scheppers van film, televisie, muziek, en populaire fictie zich nog in de Middeleeuwen bevinden en waar men steeds meer naar Amerika kijkt voor inspiratie.

De ophef bewijst eens temeer dat de weerstand tegen echt democratische kunst diep ligt. Er bestaat nog wel degelijk een culturele elite — in Amerika, maar ook in Nederland — die zich verzet tegen de ideologische machtspositie die populaire fictie in toenemende mate verovert. Deze elite veracht het werk van Stephen King en dat van andere populaire schrijvers onder het mom van lelijkheid, vulgariteit of oppervlakkigheid — dezelfde kwalificaties die men destijds gaf aan William Shakespeare, Charles Dickens, Edgar Allan Poe.

Toch keert het tij onmiskenbaar. Want wat heet nog «elite»? Zo kan het veroordelen van Stephen King op zich een teken van onkunde en slechte smaak zijn. Dan luidt de vraag: wie is eigenlijk de literator? En wie de idioot?