Profiel: Lula da Silva

Idool van het lompenproletariaat

Dat de geruchten over de dood van politiek links op het wereldtoneel hogelijk overdreven zijn, werd zondag 6 oktober bewezen in Brazilië, waar de Partido dos Trabalhadores (PT) van de voormalige schoenpoetser en fabrieksarbeider Luiz Inácio da Silva, beter bekend als Lula, een grote overwinning boekte in de eerste ronde van de presidentsverkiezingen. Ondanks de gemelde pogingen van de grote drugsbazen in de sloppenwijken van Rio de Janeiro en São Paulo om het plaatselijke lompenproletariaat een gang naar de stembus te verhinderen, behaalde Lula in zijn vierde gooi naar het presidentschap een recordoverwinning van 46,5 procent. Het moet nu wel heel raar lopen als hij bij de eindronde op 27 oktober niet zijn laatst overgebleven concurrent José Serra van zich af kan schudden.

De 57-jarige Lula werd op verkiezingsdag gefilmd toen hij de Braziliaanse vlag uitbundig kuste. Hij sprak van de grootste overwinning van links in de geschiedenis van het Zuid-Amerikaanse continent. Daar valt historisch inderdaad weinig tegen in te brengen, en dus wordt de opmars van Lula in Washington met angst en beven aangezien. Lula staat op vriendschappelijke voet met linkse boegbeelden als Fidel Castro en president Hugo Chávez van Venezuela, koestert nauwe banden met de linkse guerrillero’s van de Farc in Colombia en keerde verleden jaar geïmponeerd terug van een werkbezoek aan China. Alhoewel de PT — voortgekomen uit een bundeling van oud-guerrillastrijders tegen de militaire dictatuur, vakbondsbestuurders, kleine trotskistische partijen en geëngageerde katholieke priesters — de klassieke socialistische folklore de laatste jaren achter zich heeft gelaten, geldt het leerstuk van de hervorming van de staat via een parlementaire machtsovername, zoals vast gelegd in de Resolutie van São Bernardo van de PT in 1980, nog altijd als de ideologische hoofdlijn.

Bush vreest nu met recht voor een politieke aardverschuiving in de Latijns-Amerikaanse achtertuin van de VS, waarbij vergeleken eerdere linkse troebelen in Chili, Nicaragua, Peru, Colombia en Venezuela (waar de Amerikanen onlangs nog een vergeefse staatsgreep tegen Chávez ondersteunden) nog kinderspel waren. Brazilië is met stip het grootste land in Zuid-Amerika en is de zesde economie van de wereld. Als Brazilië onder Lula straks in navolging van Hugo Chávez in Venezuela begint aan een socialistisch experiment, is het failliete buurland Argentinië — waar de voormalige trotskiste Elisa Carrio hoge ogen lijkt te gaan gooien in de jacht op het presidentschap — ongetwijfeld de volgende die valt voor de verleiding van klassiek links. Tijdens de laatste dictatuur in Brazilië, van 1969 tot 1985, verzekerde Washington stabiliteit door middel van steun aan de militaire machthebbers. Dat instrument lijkt nu niet zo snel meer voorhanden — of het Witte Huis moet alsnog beginnen aan een reprise van de methode-Allende in Chili — en dus bestrijdt de VS Lula voorlopig met economische middelen. Hoe dichter Lula bij zijn fel begeerde presidentschap komt, des te lager zakt de koers van de Braziliaanse real ten opzichte van de dollar.

Belangrijke Amerikaanse investeringsmaatschappijen als J.P. Morgan kwamen met negatief getoonzette beleggingsadviezen voor Brazilië. Met een verwijzing naar de oude socialistische ideeën van Lula met betrekking tot landonteigening en nationalisering van het bankwezen werden de internationale investeerders min of meer opgeroepen tot kapitaalvlucht. Ook het Internationaal Monetair Fonds droeg inmiddels zijn steentje bij aan de campagne tegen Lula’s PT. Het Fonds vreest dat Lula teneinde zijn ambitieuze sociale programma uit te voeren (zoals het project Brasil sem Fome, Brazilië zonder honger) geen haast zal maken met het terugbetalen van de nationale schulden. Daar staat tegenover dat Lula ook internationaal veel krediet heeft opgebouwd. Joseph Stiglitz, oud-topman van de Wereldbank en de winnaar van de Nobelprijs voor de economie in 2001, zei in januari dit jaar voor de camera van de Braziliaanse tv-zender Globo dat George W. Bush een groter gevaar te vinden voor de wereldeconomie dan Lula, wiens partij volgens de Nobelprijswinnaar de afgelopen jaren op regionaal niveau heeft bewezen een serieus alternatief te vormen voor de door corruptieschandalen overwoekerde Braziliaanse politiek.

Volgens Stiglitz zijn de vele paniekverhalen over een aanstaande val van de Braziliaanse economie naar Argentijns voorbeeld een kwestie van politiek illusionisme. De econoom vindt dat Lula’s PT heeft bewezen een volwaardige participant te zijn in de prille Braziliaanse democratie. Met name in de deelstaat Rio Grande, waar de PT al jaren aan de macht is, toont de partij aan veel effectiever aan armoedebestrijding en scholing van de allerarmsten te doen dan alle voorgangers, ondanks alle nobele beloftes. Naar schatting vijftig miljoen Brazilianen leven onder de armoedegrens, en dat in een land dat in alles (zeker wat betreft de grondstoffen) de potentie heeft om uit te groeien tot een van de welvarendste van de planeet. Niet voor niets stelde oud-president Nixon ooit dat Brazilië «een kosmische missie» te vervullen heeft. Zonder een overtuigend begin van de bestrijding van de armoede is die missie echter tot mislukken gedoemd.

De electorale kracht van Lula schuilt vooral in zijn nederige komaf. Hij werd 57 jaar geleden op 6 oktober geboren in Garanhuns in het district Pernambuco, het arme noordwesten van Brazilië. Hij was nog een kind toen de familie zoals zoveel arme keuterboertjes van het platteland op een vrachtwagen een dertien dagen durende tocht maakte naar São Paulo, de grote metropool in het zuiden. Daar groeide Lula op in uiterst armoedige omstandigheden. Hij stond al jong op straat als schoenpoetser en ambulant verkoper. Toen hij negentien was, kwam hij als metaalbewerker in een fabriek te werken, waar hij zijn linkerpink verloor bij een bedrijfsongeval. Zoals de meeste straatarme Brazilianen was Lula in het geheel niet geïnteresseerd in politiek. Hij leefde voor de verrichtingen van zijn favoriete voetbalclub Corinthians en was al te tevreden met dagelijks wat rijst en bonen. Dat veranderde onder invloed van zijn broer, de linkse priester frei Chico, die hand- en spandiensten verleende aan de verboden Communistische Partij van Brazilië.

Via zijn broer begon Lula politieke geschriften te lezen. In 1972, nadat hij zijn eerste vrouw had verloren op het kraambed, werd Lula actief in een plaatselijke vakbond voor metaalbewerkers. Al snel viel hij op door zijn talent als organisator en onderhandelaar. Zo kwam hij uiteindelijk aan het hoofd van de vakbond te staan. In 1975 werd Lula’s broer gearresteerd en gemarteld. Zo begon Lula politiek te radicaliseren. In 1979 werd Lula zelf gearresteerd als organisator van verboden stakingen in de regio van São Paulo en veroordeeld op grond van de Wet op de Nationale Veiligheid. Het proces maakte hem tot een nationale martelaar. Uiteindelijk werd hij door het Hoger Militair Gerechtshof vrijgesproken. Een jaar later werd de Partido dos Trabalhadores gevormd, alsmede een nieuwe eenheidsvakbond, de Central Unicá dos Trabalhadores (CUT). Als derde machtsmiddel richtte Lula even later het Instituto Cidadania op, een organisatie gericht op burgerrechten en sociale ontwikkeling die veel intellectuelen wist te bereiken, ook minder linkse, zoals de huidige president van Brazilië, de socioloog Fernando Henrique Cardoso.

In 1989 deed Lula zijn eerste gooi naar het presidentschap. Zijn verkiezingsslogan luidde: «Um trabalhador vota um trabalhador — Lula, um brasileiro igual à voçe» (Een arbeider stemt op een arbeider — Lula, een Braziliaan zoals uzelf). Het leverde hem 31 miljoen stemmen op, slechts zes procent minder dan de uiteindelijke winnaar, Fernando Collor de Mello. De PT had toen nog een uiterst radicaal getoonzet programma. De miljoenen keuterboertjes in het arme noorden zouden via grootscheepse landonteigeningsprogramma’s in de gelegenheid moeten worden gesteld een bestaan op te bouwen; banken moesten worden genationaliseerd, schulden aan het buitenland dienden te worden weggestreept. Hoewel deze radicale idealen nog steeds niet zijn verdwenen in de politieke liturgie van de PT wordt de soep tegenwoordig aanzienlijk minder revolutionair geserveerd. Zo nam Lula de laatste tijd nadrukkelijk afstand van de Movimento da gente sem terra, de radicale beweging van landloze keuterboertjes die indertijd werd opgericht door Chico Mendes, de legendarische leider van de rubbertappers in de Braziliaanse Amazone die in 1988 werd vermoord.

Niettemin wordt de PT door de oude orde van Brazilië nog steeds als een regelrechte levensbedreiging gezien. In de aanloop tot de presidentscampagne van 2002 doken met enige regelmaat gemaskerde moordenaarsbendes op die het hadden voorzien op belangrijke PT-leiders in de regio. Deze moordaanslagen leidden tot grote demonstraties in de grote steden van Brazilië, waar de publieke verontwaardiging over de aanhoudende politieke moordpartijen (veelal uitgevoerd door moordenaars die worden gerekruteerd via het uiterst corrupte politieapparaat) uitgroeide tot een massabeweging.

Ondanks zijn stormachtige carrière als politicus is Lula een eenvoudig man gebleven. Hij woont nog steeds in hetzelfde bescheiden huis als in zijn eerste dagen als vakbondsman, vist en voetbalt graag en brengt zijn zondagen in de regel door met Maria Luisa, zijn 28-jarige vrouw met wie hij vier kinderen grootbrengt. «Hij heeft nooit een werkster in huis gehad en wast nog steeds zijn eigen sokken en ondergoed», verklaarde onlangs een bevriende pater. Lula kent de dagelijkse vernedering van de armen uit eigen ervaring, en dat maakt hem buitengewoon geschikt voor het hoogste politieke ambt in een land dat sinds het formele herstel van de democratie in 1985 het merendeel van zijn burgers nog steeds geen redelijk bestaansminimum heeft weten te bieden.

Ondertussen doet Lula er alles aan om zich te presenteren als een pragmatisch politicus. De ideologische scherpslijperij van de oude PT is afgeschreven en heeft plaatsgemaakt voor een weldoordachte koers, die erop is gericht het vertrouwen te winnen van het internationale bedrijfsleven en de Braziliaanse middenklasse. Lula houdt nog steeds vol dat het pan-Amerikaanse handelsverdrag Nafta neerkomt op «economische annexatie van de hemisfeer», maar belooft tegelijkertijd zich te houden aan de reguliere begrotingsnormen en het bestaande gezag te handhaven. Zo beloofde Lula ook dat hij zal toestaan dat de Nationale Bank van Brazilië zich verzelfstandigt, een belangrijk signaal dat het de PT vandaag de dag niet meer te doen is om de gevreesde nationalisering van economische instellingen. Ook beloofde Lula dat zijn toekomstige regering zal openstaan voor andere partijen dan de PT, zodat de bestaande politieke orde aansluiting zal vinden bij zijn presidentschap. Dit gevoel voor politieke harmonie leverde Lula laatstelijk de bijnaam Lula Peace and Love op. Ook politieke tegenstanders geven hoog op van Lula’s ongekende kennis van de feiten en zijn talent om politieke kloven te overbruggen. Tegelijkertijd werkte Lula zich internationaal in de schijnwerpers als organisator van de recente grote conferentie over sociale hervorming in Porto Alegre, waardoor hij een frontliniefunctie kreeg in het internationale verbond tegen de globalisering.

Voor de circa vijftig miljoen Brazilianen die onder de armoedegrens leven, is Lula niet minder dan een Messias. Lula’s belangrijkste — in elk geval meest succesvolle — verkiezingsbelofte is zijn masterplan ter bestrijding van de honger. Binnen één jaar na zijn aantreden als president wil Lula 750.000 ton meer aan bonen (het basisingrediënt van de nationale schotel feijão) geproduceerd zien, een productiecijfer dat direct moet leiden tot honderdduizend nieuwe banen. Dat soort plannen zegt de gemiddelde Braziliaan veel meer dan de strikte naleving van IMF-normen en aanverwante zaken. Lula wint de Braziliaanse kiezer in de eerste plaats via de buik. Maar hij weet dan ook uit eigen ervaring wat honger is.